Luisterrijk der letteren

Begin 2020: geen geschikter moment om een bundel over het hoorspel in handen te krijgen. Niet alleen lezen werd immers populairder in de coronacrisis, maar ook luisteren: podcasts, luisterboeken, voorlezingen – ze waren niet aan te slepen voor literatuurliefhebbers met vermoeide schermogen. Toen liet zich het gemis van een goede en online beschikbare hoorspelcanon goed voelen.

Weinig literaire genres zijn in de literatuurgeschiedenis zo stiefmoederlijk behandeld als het hoorspel. Komt toneel er vaak al vrij bekaaid af, in bijvoorbeeld Brems’ Altijd weer vogels die nesten beginnen over de literatuur van na 1945 komt het hoorspel zelfs helemaal niet aan de orde, hoewel de auteurs van Luisterrijk der letteren dat opmerkelijke feit hoffelijk verzwijgen. En die veronachtzaming is onterecht te noemen, want met name de jaren ’50 toonden spannende experimenten met het hoorspel waarin literaire auteurs hoorspelen schreven, vertaalden of adapteerden.

Hugo Claus en Ivo Michiels zijn dan ook namen die veel vallen in Luisterrijk der letteren, de bundel onder redactie van de Gentse letterkundigen Lars Bernaerts en Siebe Bluijs. Hun verzameling van elf artikelen en een ‘audiobibliografie’ maakt een flinke inhaalslag, doordat het net wijd wordt uitgegooid naar ‘Hoorspel en literatuur in Nederland en Vlaanderen’. In die ondertitel zit veel informatie: hij wijst erop dat er aandacht is voor de institutioneel en historisch zo verschillende context van de twee lage landen – wat bijvoorbeeld ontbrak in het overzichtswerk van Ineke Bulte uit 1984. Bovendien ligt de nadruk anders dan elders op het hoorspel als literatuur. ‘De geschiedenis van het literaire hoorspel in Nederland’, zo staat er in de uitvoerige inleiding, ‘is grotendeels een verhaal over wal en schip: binnen de literatuur kon het genre geen plek vinden en ook binnen de wereld van het hoorspel was het vernieuwende en literaire hoorspel een marginaal fenomeen’ (17).

Tegelijk doen we Luisterrijk der letteren flink tekort door de bundel te presenteren als een literair-historische inhaalslag, als een supplement op het bestaande verhaal. Je kan het ook omdraaien en deze analyse van het hoorspel zien als een nieuw zoeklicht op de literatuurgeschiedenis zelf. Omdat er zoveel op scherp komt te staan binnen dit hybride en multimodale genre, biedt het zicht op de balans tussen autonomie en heteronomie, tussen experiment en bevestiging van oude vormen, tussen literatuur en documentaire en vooral: tussen tekst en medium.

Bovendien laat Luisterrijk der letteren zien dat ieder kunstwerk een knoop is in een complex netwerk en op die manier bestudeerd moet worden. Hoewel er voor de bundel een handzame structuur is bedacht van vier domeinen – technisch-institutioneel, individuele auteurs, adaptaties en vertalingen – blijkt het genre van het hoorspel nooit op zichzelf te staan, al is het maar omdat het een ‘redelijk omslachtig, collectief en technologisch maakproces’ vergt (20). Vorm en inhoud zijn sterk afhankelijk van andere, vaak materiële of ideologische factoren, zoals de verzuiling van de omroepen en hun dito eisen. Zo bespreekt Jeroen Dera in zijn mooie bijdrage een hoorspel voor de VARA in opdracht van de Vereniging voor geheelonthouders. Je hebt Dera’s samenvatting niet nodig om te voorspellen hoe een hoorspeldrama rond een alcoholistische spoorwegovergangbewaker zal aflopen. De bloederige ontknoping is een heldere waarschuwing tegen drankgebruik. Volksverheffing via de radio kon in de praktijk ‘weerbarstig uitpakken’, concludeert Dera (106).

Naast de ideologische eisen zijn ook de technische en mediale restricties van invloed op het hoorspel. Zo werd de weergave van muziek op de radio beter dankzij de ontwikkeling van de ‘magneetband’, blijkt uit de bijdrage van Philomeen Lelieveldt.

Het medium bepaalt en structureert vooral ook de inhoud van hoorspelen. Dat geldt voor de radio zelf, maar ook de media waarmee radio concurreerde waren bepalend. Vooral de opkomst van de televisie is van beslissende invloed geweest voor de inhoud van de hoorspelen, die steeds in een zelfreflexief verband staan met de niet ‘blinde’ literaire genres en platforms: toneel, film en televisie. ‘Hypermediacy’ heet in de mediastudies die nadruk op het medium zelf, naar de klassieker Remediation van Bolter & Grusin uit 1999, een boek dat wonderbaarlijk afwezig is in Luisterrijk der letteren. En dat terwijl hypermedialiteit schering en inslag is in het genre van het hoorspel. Siebe Bluijs analyseert bijvoorbeeld ‘Inspraak’ van Bert Schierbeek, en laat knap zien dat de informatiestromen daarin verbonden konden worden met het rouwproces waar de oorspronkelijke roman over ging. Juist in een ‘spookachtig medium’ (179) als de radio kon de dood worden gethematiseerd.

Schierbeeks werk kwam zo vast en zeker in de buurt van het ‘radiofonische ideaal’ dat Paul Rodenko voorstond, waarin het woord, ingebed in de specifieke geluidsruimte, ‘lichaam’ zou krijgen. Het meest experimenteel zijn wellicht de  ‘audiodramatische collages van literaire fragmenten’ en ander radiowerk van Ivo Michiels, waarvan Lars Bernaerts in close-listenings demonstreert dat de stemmen vooral in het teken staan van machtsrelaties en van de narratieve versplintering van de anekdote. Zo blijkt hoe zelf-reflexief het genre bij Michiels uitpakte; als een soort opgelegde schrijfbeperking: een contrainte in de trant van Oulipo. Net zo goed als de volksverheffende hoorspelen die Dera besprak, blijkt ook dit werk veel van de luisteraar te kunnen vergen. Vandaar dat de vraag naar empathie bij het hoorspelpubliek, gesteld door Ellen Beyaert, een welkome aanvulling is. Ze laat zien hoe identificatie met de personages door allerlei ingrepen kan worden vergroot en verkleind.

Waar ik geen expliciete verwijzing naar ben tegengekomen in de analyses, maar wat wel impliciet in veel van de geanalyseerde hoorspelen meespeelt, is het idee dat ‘the medium the message’ uitmaakt, om met McLuhan te spreken – een naam die eveneens ontbreekt in de bundel. Het gaat immers niet alleen om een voor literatuur nieuw materieel medium, maar ook om een literair massamedium dat een grote hoeveelheid luisteraars tegelijkertijd beluisterde. Dat geeft een simultane verbondenheid, een gemeenschap, die ook weer bijdraagt aan het effect van het hoorspel en die de inhoud beïnvloedt.

Dat de adaptatie van het papieren naar het orale medium ook gelijk een nieuwe interpretatie inhield, laat Eline Grootaert zien aan de hand van Louis Paul Boons novelle Menuet. De drie stemmen daarin lenen zich goed voor ‘audiofonische’ vertolking. Net als Linda Hutcheon in haar adaptatietheorie, wil Grootaert de loyaliteitsgedachte vermijden: het gaat niet om hoe trouw het hoorspel is aan de bron, al blijkt het lastig om niet precies daarover toch conclusies te trekken. Dat de door Hutcheon verguisde ‘loyaliteit’ best een interessante invalshoek kan zijn, blijkt ook uit de bijdrage van Geertjan Willems over de radio-adaptatie van het experimentele toneelstuk ‘De vertraagde film’ uit 1922 van Teirlinck. De institutionele context (de cultureel-educatieve lijn van de brt) bleek van cruciale en in dit geval conservatieve invloed op het omzetten van het toneelstuk: veel meer dan een verlate audio-opname van het toneelstuk leek het niet, terwijl Teirlinck zelf in een latere film veel verder ging met zijn aanpassingen.

Ook Linde de Potter wil in haar bijdrage iets weten over Claus, maar vooral ook over adaptaties zelf. ‘Moeten we “De Getuigen” beschouwen als “theater voor de blinden”’, vraagt ze zich af, ‘alsof iemand met een bandopnemer een theatervoorstelling heeft opgenomen?’ (231) Bij Claus hoefde er niet zoveel aangepast te worden, want zijn experimentele stuk had al veel niet-visuele aspecten en legde veel nadruk op dialoog en op klank en geluid in de regieaanwijzingen. Juist door te zien hoe makkelijk de toneeltekst een hoorspel wordt, krijgen we inzicht in de oorspronkelijke ‘hoorspelachtigheid’ van het toneelstuk.

De internationale context die veel wordt genoemd in Luisterrijk der letteren geeft reliëf aan de Nederlandse casussen, bijvoorbeeld door de censuur die werd toepast op een Claus-vertaling van Under Milkwood uit 1958. Pim Verhulst legt in zijn hoofdstuk daarover ook helder uit waarom het hoorspel en het modernisme zo goed bij elkaar passen, en hoe een documentaire en een literaire techniek daarin samen kunnen komen.

Omdat het losse artikelen zijn, mis je als lezer soms wel overzicht in al deze overvloed. Juist hier had een nieuw medium wel soelaas kunnen bieden. Wat deze rijke bundel nodig heeft is een elektronische omgeving, waarin diachrone en synchrone verbanden tussen de bijdragen hadden kunnen worden uitgestippeld. Beter nog: dan zouden de voorbeelden hoorbaar gemaakt kunnen worden. De lezer van dit boek gaat er al lezende immers steeds meer naar verlangen ook luisteraar te worden: een teken dat dit pleidooi voor de fascinatie van het hoorspel geslaagd is. Ik weet in ieder geval nu hoe ik mijn online corona-literatuurgeschiedeniscolleges luister moet bijzetten komend semester.

Yra van Dijk

Lars Bernaerts & Siebe Bluijs (red.), Luisterrijk der letteren. Hoorspel en literatuur in Nederland en Vlaanderen. SEL-reeks 13. Gent: Academia Press, 2019. 311 pp. ISBN: 9789401463942. € 34,99.

‘Hier aan boord kan je studiën maken…’

De zeereis tussen Nederland en Nederlands-Indië maakte tussen 1850 en 1940 ingrijpende veranderingen door. Zo wijzigden schepen, reisduur en route. Stoomschip en Suezkanaal wonnen het van zeilschip en Kaap de Goede Hoop. Nederlandstalige fictie over de zeereis bleef al die decennia echter verschijnen. Tientallen (inmiddels vaak vergeten) schrijvers uit de Indisch-Nederlandse letterkunde vertellen in hun romans, novellen en korte verhalen over de overtocht en de intriges tussen de opvarenden. Hun fictie is soms hartverscheurend: wanneer een huwelijkscrisis uitmondt in een zelfmoord. Af en toe is ze dweepziek: bij de zoveelste ontluikende ‘zoutwaterliefde’. Dan weer zijn de teksten bloedstollend: als er schipbreuk wordt geleden en een redder in nood net op tijd verschijnt.

Alle geledingen van de koloniale maatschappij komen in het genre voor: baren (nieuwkomers) en oudgasten, officieren uit adellijke geslachten en ‘eenvoudige’ commandanten, ambtenaren en particulieren, nonna’s en blanda’s, kokki’s en baboes. Om die reden kan de gemeenschap aan boord gezien worden als een microkolonie, waarin de kleine ruimte en het lange samenzijn ervoor zorgden dat de verschillen tussen alle groepen uit de Nederlands-Indische maatschappij intensifieerden. Het tekstcorpus van Indisch-Nederlandse fictie is daarmee een unieke bron voor onderzoek naar de veranderende representatie en constructie van de ideale koloniale identiteit.

Deze gedachtegang vormt het vertrekpunt in Coen van ’t Veers proefschrift De kolonie op drift. De representatie en constructie van koloniale identiteit in fictie over de zeereis tussen Nederland en Nederlands-Indië (1850-1940), dat bij Verloren in een fraai uitgegeven handelseditie is verschenen, en waarin 43 Nederlandstalige romans en verhalen over de zeereis tussen Nederland en Nederlands-Indië vanuit postkoloniaal perspectief worden geanalyseerd. In navolging van Engelstalige literatuurwetenschappers als Edward Said, Mary Louise Pratt en Elleke Boehmer, beziet Van ’t Veer koloniale literatuur als vormgever en bestendiger van een imperialistische werkelijkheid door de impliciet en expliciet uitgedragen superioriteit van het Westen en de ideale koloniale identiteit keer op keer in deze teksten te tonen.

De kolonie op drift valt uiteen in vier hoofdstukken die gezamenlijk de periode 1850-1940 omspannen. De keuze voor begin- en eindpunt is ingegeven door het feit dat het oudst gevonden verhaal dateert uit 1853 en in 1940 kwam er door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog een einde aan de geregelde mailreizen tussen Nederland en Nederlands-Indië. De eerste twee hoofdstukken handelen beide over literatuur uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Waar in het eerste hoofdstuk de verhalen over de zeilreis om de Kaap (1850-1895) geanalyseerd worden, bevat hoofdstuk twee de analyse van romans over de overtocht per Suezstoomschip (1870-1895). Hierna komen achtereenvolgens fictie over de reis per mailboot tussen 1895-1925 en 1925-1940 aan bod. De afbakening van de tijdvakken is gemaakt op basis van (technologische) vernieuwingen in de scheepvaart en politieke ontwikkelingen. Zo zien we tussen 1925 en 1940 niet alleen de ‘varende zeepaleizen’ (A. Alberts) verschijnen, maar bloeide in die jaren ook het Indonesische nationalisme.

De hoofdstukken zijn steeds op dezelfde manier opgebouwd. Na een inleiding en een historisch kader, worden de auteurs en de geselecteerde teksten een voor een beknopt geïntroduceerd. Vervolgens volgen een analyse van de werken en een conclusie. De analyse van de representaties, die in elk hoofdstuk het leeuwendeel vormt, is steeds opgedeeld in vier categorieën, te weten: de relatie tussen geografie en identiteit, stand en status, gender en etniciteit. De evenwichtige structuur van de hoofdstukken en de paragrafen draagt zonder meer bij aan de helderheid van het proefschrift. Tegelijkertijd krijgt het werk door deze indeling een repetitief karakter, waardoor de tekst aan aantrekkingskracht inboet. Mijns inziens had een hoofdstukindeling die gebaseerd is op centrale thema’s uit de verhalen, zoals liefde en erotiek aan boord, de leesbaarheid vergroot.

De resultaten van de studie tonen dat alle verhalen uit het tekstcorpus het dominante koloniale discours uitdragen; het bestaan van het koloniale systeem op zich wordt nergens afgekeurd. De fictie laat duidelijk zien hoe de ideale koloniale identiteit in de verschillende geledingen uit de Nederlands-Indische maatschappij tussen 1850-1940 werd gerepresenteerd en gepromoot. Raciale ideologieën blijken bij de vormgeving van koloniale idealen de belangrijkste rol te spelen. In de fictie wordt getoond hoe een ‘beschaafde’, ‘superieure’ Europeaan zich in de koloniale samenleving zou moeten gedragen en hoe niet, waarbij die ‘ongemanierde’ houding steevast wordt afgekeurd. Doordat de inheemse bevolkingsgroep daarnaast als minderwaardig wordt afgebeeld – als de ‘onbeschaafde’ en ‘primitieve’ ‘Ander’ – wordt het veronderstelde onderscheid tussen het Oosten en het Westen, dat de legitimatie vormt voor de koloniale overheersing, steeds opnieuw gecreëerd en geconsolideerd. Bovendien blijkt uit de analyses dat de koloniale identiteit voor een belangrijk deel al tijdens de reis van Nederland naar Indië wordt gecreëerd.

Daarnaast laten de analyses zien dat er in de loop van de tijd veranderingen optraden in het koloniale discours en de daarin ingebedde koloniale identiteit. Waar de koloniale ideologie voor 1895 een zekere mate van acculturatie voor Europeanen propageerde, moest onder druk van de ethische koloniale politiek de scheiding tussen het Oosten en het Westen na die tijd strikt worden gehandhaafd. Het doel van deze politiek was immers om de Indonesiër naar westers model te ‘beschaven’. Op hetzelfde moment, zo laat Van ’t Veer aan de hand van de verhalen zien, sloop de angst voor degeneratie van witte mensen in het discours en veranderde de ‘shade bar’ in een ‘colour line’: bevolkingsgroepen vloeiden niet meer in elkaar over, maar harde ‘raciale’ scheidslijnen deden hun intrede. Als de veronderstelde etnische kloof zou wegvallen, zou de rechtvaardiging van het kolonialisme onder druk komen te staan. Dit laatste lijkt in de verhalen over de zeereis in de loop der tijd ook te gebeuren: ‘De claim dat de westerse, witte man over een superieure vorm van beschaving zou beschikken, blijkt naarmate de tijd verstrijkt in de verhalen steeds minder goed houdbaar’ (273).

Hoewel bovenstaande uitkomsten zonder meer waardevol zijn – ze geven bijvoorbeeld inzicht in de wijze waarop koloniale machtsmechanismen ook vandaag de dag nog doorwerken – bevestigt De kolonie op drift voor een groot deel de bevindingen die andere literatuurwetenschappers, zoals Pamela Pattynama en Petra Boudewijn in hun postkoloniale onderzoek naar de Indisch-Nederlandse letterkunde al naar voren hebben gebracht. Hieronder vallen vaststellingen als: de Indische jonge vrouw in ‘oosterse’ kleding wordt in de koloniale teksten als hoogst aantrekkelijk gerepresenteerd voor de Europese man, terwijl zij tegelijkertijd een bedreiging voor hem vormt. En: de verindischte Europeaan wordt afgebeeld als een gevaar voor de legitimiteit van het kolonialisme.

Of we dit Van ’t Veer moeten aanrekenen is een kwestie van perspectief. Enerzijds kon hij voorafgaand aan het onderzoek niet weten dat het resultaat voor een belangrijk deel neer zou komen op een herhaling van zetten. Anderzijds had hij door een meer originele (theoretische) invalshoek te kiezen, de kans op nieuwe inzichten wel kunnen vergroten. De teksten die het theoretisch fundament van het onderzoek vormen (met name de studies van Said, Pratt en Boehmer) zijn beperkt in aantal en richten al sinds jaar en dag de blik van de postkoloniale onderzoeker van de Indische literatuur. De afwezigheid van bijvoorbeeld intersectionaliteit als theoretisch kader om te analyseren hoe de onderdrukkingsmechanismen die werkzaam zijn op het gebied van ‘ras’, stand, klasse en gender binnen de koloniale retoriek op elkaar inwerken, lijkt mij bijvoorbeeld een gemiste kans. Een verbreding van de theoretische horizon, of een radicalere bijstelling van de Angelsaksische theorievorming ten aanzien van dit specifieke Nederlandstalige materiaal, had zonder meer een originelere, meer uitdagende, studie opgeleverd.

Dit neemt niet weg dat in De kolonie op drift op heldere wijze een genre ontsloten, beschreven en geanalyseerd wordt dat tot op heden voor een groot deel nog onbekend was. Hoewel enkele werken en auteurs, met name binnen de Indische letteren, een zekere bekendheid genieten, zoals P.A. Daum en zijn roman Hoe hij raad van Indië werd (1888), weet Van ’t Veer met bewonderenswaardige ijver ook veel, soms zeer zeldzame, verhalen uit deze groep aan de vergetelheid te ontrukken. Dat is te prijzen, omdat uit het proefschrift zonder meer blijkt dat we dankzij deze teksten de complexiteit van de Nederlandse koloniale ideologie in ‘de Oost’, en de koloniale erfenis waar we vandaag de dag nog altijd mee worstelen, beter kunnen leren begrijpen.

Nick Tomberge

Coen van ’t Veer, De kolonie op drift. De representatie en constructie van koloniale identiteit in fictie over de zeereis tussen Nederland en Nederlands-Indië (1850-1940). Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2020. 320 pp. ISBN: 978-90-8704-825-9. € 29,-.

De wijze koopman

‘Een lofrede op de wijze koopman’. Zo is de oratie van Caspar Barlaeus (1584-1648) bij de opening van het Amsterdamse Atheneum Illustre op 9 januari 1632 vanouds opgevat. En terecht, zo laat deze uitgave zien, maar met een belangrijke clausule: het onderwerp waren niet de Amsterdamse kooplieden die in de zaal zaten. Al dachten ze zelf misschien van wel.

Caspar Barlaeus was opgeleid als theoloog en schoolde zich na de synode van Dordrecht (1618-1619) noodgedwongen om tot medicus, maar heeft nooit gepraktiseerd. Wel maakte hij naam als (privé)docent en Latijns dichter en toen Amsterdam hem in 1631 aanzocht voor de leerstoel filosofie aan de nieuw op te richten Illustere School was hij geen onlogische kandidaat. Wilde hij ook naar Amsterdam? Uit een brief van 16 april 1631 (in deze uitgave aangehaald op p. 10) spreekt bepaald geen enthousiasme voor een stad waar iedereen bezig was met handeldrijven en geld verdienen. Descartes vond het zoals bekend heerlijk om in zo’n omgeving te kunnen ‘onderduiken’, maar Barlaeus zag er vooral een intellectuele woestijn. Leiden of Utrecht spraken hem meer aan. Als vader van een groeiend gezin, zonder vast inkomen, had Barlaeus niettemin weinig keus en uiteindelijk schijnt het tussen hem en Amsterdam goed te zijn gekomen. Maar als één ding uit deze uitgave duidelijk wordt, dan is het wel dat het anno 1632 nog niet zo ver was.

Wie het betoog leest door de bril die deze uitgave aanreikt, ziet pas goed welk punt Barlaeus maakt. Hij begint met de lof van de uit haar voegen barstende koopstad, waar voor elk praktisch probleem een oplossing wordt gevonden. Maar vervolgens zegt hij bijna met zoveel woorden dat men er aan het belangrijkste nog nauwelijks is toegekomen: wijsheid en wetenschap, het domein van de filosofie. Zonder die kan een koopman nooit meer zijn dan een blinde materialist. Zo leidt Barlaeus de hoofdstelling van zijn betoog in: een koopman is een beter en gelukkiger mens naarmate hij beter in de filosofie is onderlegd (77). Deze stelling wordt op klassieke wijze onderbouwd met een reeks historische en (moraal)filosofische argumenten; een refutatio (weerlegging van mogelijke tegenwerpingen) ontbreekt niet. In de peroratio worden bestuur, burgers en jeugd van Amsterdam tenslotte opgeroepen om de nieuw gestichte Illustere School in ere te houden. Maar dus niet omdat ze wijze kooplieden zijn, maar omdat ze het moeten worden.

De kooplieden in het gehoor hadden dus weinig reden zich te koesteren in de lof van de geleerde man. Ze worden niet geprezen, maar onderricht. Alle mooie woorden ten spijt staat er niets anders dan dat hun culturele vorming nog zeer te wensen overlaat (52). Wie Barlaeus precies leest (zoals hier gebeurt) moet zelfs concluderen dat hij ‘de wijze’ sowieso ver boven ‘de koopman’ verheft. Met Pythagoras onderscheidt hij drie mensentypes op een markt: kopers, verkopers en toeschouwers. De laatsten – de filosofen, die onthecht naar de wereld kijken – schat hij het hoogst in (81). En zulke mensen zou de Illustere School moeten opleiden? Men had zich kunnen afvragen hoe het dan verder had gemoeten met Amsterdam.

Zo’n vraag is destijds en ook later niet gesteld, en dat laat alleen maar zien hoe knap Barlaeus zijn boodschap (en zijn publiek) heeft verpakt (en ingepakt). Dat neemt niet weg dat een goede verstaander een ietwat dubbel gevoel kan hebben gehad, ook al door de houding die de nieuwe professor aannam ten opzichte van de godsdienst. De ene na de andere klassieke autoriteit haalt hij aan, maar de Schrift wordt hooguit in bepaalde zinswendingen bekend verondersteld. Natuurlijk, Barlaeus sprak als filosoof en niet als theoloog. Maar ging het niet toch heel ver als hij, vanachter de brede rug van Erasmus, Cicero aanhaalt als hoogste autoriteit op moreel gebied (101)? En nadrukkelijk roept hij zijn Amsterdamse kooplieden op om toch vooral geen acht te slaan op wat een viertal beroemde (en ook in de protestantse traditie hooggeschatte) kerkvaders over de koophandel hebben gezegd, maar om liever te luisteren naar Solon, Thales, Plato (115-117). Nota bene: de enige christelijke auteurs die hij (behalve Erasmus) aanhaalt, noemt hij dus enkel om ze als irrelevant af te serveren. We kunnen Barlaeus met zijn 48 jaar misschien moeilijk een ‘jonge hond’ noemen, zoals nieuw aantredende hoogleraren in Amsterdam nog wel eens heten, maar naast de meer bezadigde Vossius zette hij in 1632 toch een mooi voorbeeld neer.

Het is een plezier om de deze zo ‘vaak geciteerde maar zelden gelezen’ tekst (citaat van Anthony Grafton op het achterplat) zo gepresenteerd en uitgelegd te krijgen als hier gebeurt. Er valt (in de paragraaf over de historische context) een vraagteken te zetten bij de voorstelling van de Dordtse synode als een plaats waar ‘both parties tried to settle the [religious] controversy’ (9), maar dat is in dit verband maar een heel klein detail. Belangrijker en weer volkomen overtuigend is de bespreking van de vraag of Barlaeus, zoals Howard Cook heeft gesuggereerd, zich in deze oratie een aanhanger toont van de ‘new philosophy’ (43, 51). Jonge hond of niet, daar blijkt niets van. Wetenschap was voor Barlaeus nagenoeg synoniem met studie van de klassieke literatuur; dat gold voor de moraalfilosofie, maar ook voor de meer praktische wetenschappen waar de koopman in thuis moest zijn, zoals de sociale en fysische geografie. Voor alle vragen op die gebieden kon de koopman terecht bij de beste auteurs uit de Oudheid, die nu (eindelijk) in Amsterdam een podium hadden gekregen.

Ton van Strien

Caspar Barlaeus, The Wise Merchant. Edited by Anna Luna Post; critical text and translation by Corinna Vermeulen. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2019. 134 pp. ISBN: 978 94 6298 800 2. € 29,95. Open access download: https://www.aup.nl/nl/book/9789048540020/the-wise-merchant.

Beschouwing van een Wijze Draak

Met een titel als Verhalen van de Drakendochter is een eerste aanname dat het hier om een fantasy-verhaal zou gaan niet geheel ongepast. Maar: de ‘Drakendochter’ in kwestie is de letterkundige en keltoloog Maartje Draak (1907-1995). De ‘verhalen’ vormen haar biografie, opgetekend door Willem Gerritsen (1935-2019), haar leerling en later collega. Het is ter nagedachtenis van diens overlijden dat de redactie mij, als jonge wetenschapper, gevraagd heeft dit boek te recenseren. Nu ik het boek gelezen heb, kan ik stellen dat die eerste indruk toch dichter bij de waarheid zat dan wellicht lijkt.

In zijn inleiding stelt Gerritsen zichzelf een nobel doel. Draaks wetenschappelijke oeuvre wordt nog steeds gelezen, maar het aantal mensen dat haar persoonlijk gekend heeft wordt steeds kleiner. Om te zorgen dat Draak als persoon niet uit ons collectieve geheugen verdwijnt, heeft Gerritsen de rol van biograaf op zich genomen. In de voetsporen van Draak stelt hij zichzelf daarnaast nog een tweede doel: ‘[r]echt echt te doen aan haar streven om bij een breed publiek interesse te wekken voor boeiende verhalen uit het verleden’ (11).

Gerritsen biedt ons een uitgebreide blik op de belangrijkste gebeurtenissen in het leven van zijn leermeesteres, van haar geboorte in Venlo tot aan haar overlijden in haar ‘Drakenhuis’ te Amsterdam, omgeven door vrienden en, zoals het een draak betaamt, de vele schatten die ze in haar leven verzameld heeft. De lezer volgt haar tijdens haar opleiding in de jaren twintig, kijkt mee naar de ook toen al lastige aanpassingsperiode na de studie, woont haar promotie bij in 1936 en loopt uiteindelijk mee met een uitzonderlijk succesvolle carrière.

Dit alles wordt met oog voor detail gepresenteerd. Gerritsen had een enorm uitgebreide verzameling bronnen die Draak achtergelaten heeft tot zijn beschikking: brieven, dagboeken, notitieschriften, kladversies van publicaties, reisverslagen, en veel meer. Een bijzonder voorbeeld: een verlanglijstje voor ‘Sintniekoolaas’, geschreven door een zes- of zevenjarige Maartje Draak (16).

Hoewel Draak uiteraard de focus van het boek is, krijgt de lezer vanuit haar oogpunt ook veel informatie over een verscheidenheid aan andere zaken. Zo wordt er beschreven hoe het geweest moet zijn om als vrouw te studeren in de jaren twintig – al heeft Draak hier zelf weinig over geschreven en ontbreekt dus juist hier haar persoonlijke ervaring (32). Net zo interessant is de blik die Draaks nalatenschap biedt op het leven als keltoloog tijdens de Tweede Wereldoorlog (119-121). Gedurende de oorlog had ze namelijk geen enkel middel tot contact met Ierland en het Verenigd Koninkrijk. Van de moderne luxes die het internet nu verschaft, was toen natuurlijk ook nog geen sprake. Gelukkig was niet alles zo duister: persoonlijk vond ik het mooi om ook te zien hoe het leven gewoon doorging, ondanks de bezetting, en hoe na de oorlog alles weer tot bloei kwam. Onderdrukte wetenschappelijke organisaties zoals de Philologische Kring kwamen weer bijeen en dierbare vrienden uit het buitenland namen weer contact op om voorzichtig ervaringen te delen (133).

Het moge duidelijk zijn dat Gerritsen oog had voor meer dan enkel de carrière van zijn leermeesteres. Hij staat niet alleen stil bij de historische context, maar ook bij belangrijke individuen die invloed op haar leven hebben gehad. Zo krijgen onder andere Theo Goten en Maartjes eigen leermeester, de keltoloog A.G. van Hamel, een minibiografie van enkele pagina’s. Gerritsens aandacht voor de historische en sociale context van zijn onderwerp, de zoektocht naar een zo volledig mogelijk beeld, geeft blijk van kwaliteiten die hem zowel als biograaf en als wetenschapper sieren. Wel vraagt zijn indrukwekkende oog voor detail om het nodige geduld van de lezer.

De lezer krijgt dus een gedetailleerd beeld van het leven en denken van Maartje Draak, maar is het ook een betrouwbaar beeld? Er mag aangenomen worden van wel, maar veel reflectie op de bronnen is er niet. Een groot deel van de informatie die gebruikt wordt, komt uit correspondentie met vader en moeder Draak en ook bij de vele dagboekfragmenten is het aannemelijk dat er sprake is van een zekere mate van performance – Draak presenteert zichzelf op een bepaalde manier aan haar beoogde publiek. Uiteraard was Gerritsen zich hier ook van bewust. Mogelijk is juist het feit dat je als onderzoeker niet om dit gegeven heen kunt de reden dat hij er weinig aandacht aan besteedt. Het maakt zijn bespreking in ieder geval niet minder indrukwekkend. Wel leidt het tot een conclusie die de lezer moet trekken, zeker in combinatie met het volgende: hier en daar bespreekt Gerritsen de ontvangst van Draaks verscheidene publicaties. Het merendeel is lovend, maar wanneer een enkeling kritiek uit, wordt het onderwerp steeds afgesloten met een paar woorden ter verdediging van Draak. Gerritsen positioneert zichzelf als trouwe leerling en de lezer moet concluderen dat dit werk niet alléén een wetenschappelijke biografie is, maar ook een eerbetoon aan een gewaardeerde vriend.

Dan resteert nog de vraag of de doelstelling gehaald is: krijgt de lezer een beeld van Draak als persoon en, ten tweede, draagt dit werk bij aan het populariseren van de oude verhalen die Draak zo fascineerden? Wat zijn secundaire doel betreft, kan ik alleen een indicatie geven. Gerritsen bespreekt de verhalen op een toegankelijke manier die blijk geeft van zijn eigen enthousiasme over het onderwerp. In de editie die nu in mijn boekenkast staat, zitten flink wat gele plakbriefjes, bijvoorbeeld bij een verwijzing naar een paar voor mij nieuwe verhalen uit het middeleeuwse Ierland. Ook andere recensenten zijn lovend, maar dat zijn vrijwel allemaal professionals. Op publieksplatformen waar ‘de gewone lezer’ zich kan uiten zijn nog weinig reacties te vinden en dus kan deze vraag alleen met een voorzichtig instemmend geluid beantwoord worden.

Over het hoofddoel van de biografie kan ik concreter zijn. Krijgen we een beeld van Maartje Draak als mens? In zijn laatste hoofdstuk laat Gerritsen de literatuur los en staat hij uitgebreid stil bij Draaks persoonlijkheid (die uiteraard ook in de eerdere hoofdstukken al doorsijpelde). Dankzij de vele foto’s is er sprake van beeldvorming op verschillende niveaus. Doordat er niet alleen aandacht is voor haar werk, maar ook voor de worstelingen op de achtergrond, het opbloeien van vriendschappen, het ontdekken en najagen van interesses zoals sprookjes en Aziatische kunst zowel in haar professionele leven als daarbuiten, staat de menselijkheid van Maartje Draak vast. En ook al hebben zij en ik slechts één jaar onder dezelfde zon bestaan, toch waren er passages waarin ik iets van mezelf herkende in deze indrukwekkende Draak – het willen delen van al het moois dat we vinden in eeuwenoude literatuur, maar ook het grote ‘wat nu’-gevoel na de studie en het botsen met de starre vooroordelen die aan de termen ‘Keltisch’ en ‘middeleeuws’ hangen, om maar een paar voorbeelden te noemen. Gerritsen weet de lezer zo te verbinden aan het leven van zijn leermeesteres, dat het poëtische slot van het boek een zeker gevoel van ontroering oproept. Wat dat betreft is Gerritsen zeker in zijn opzet geslaagd.

Ik begon deze recensie met de opmerking dat de titel van dit werk me meteen de indruk gaf met een fantasy-boek te maken te hebben. Hoewel dat niet het geval was, speelde het fantastische wel een enorm grote rol in het leven van Maarte Draak. De biografie schetst een bewogen leven, diep beïnvloed door verbeelding, van sprookjes uit het verre oosten tot de oudste Ierse verhalen.

Luke Schouwenaars

Willem Gerritsen, Verhalen van de Drakendochter. Leven en werk van Maartje Draak (1907-1995). Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2019. 304 pp. ISBN: 978 90 8704 769 6. €29,-.

Literaire klimaatverandering

Als mijn recensie, net als de artikelen in DWB’s uitgave ‘Het literaire klimaat 2010-2019’ mag beginnen met een toonaangevend moment, dan doe ik daarvoor graag een suggestie: 2020 – DWB’s ‘Het literaire klimaat 2010-2019’ wordt verplichte kost voor letterkundigen. Uit dit fictieve scenario blijkt mijn enthousiasme over dit nummer van DWB (september 2019), waarin de auteurs trachten de ontwikkelingen in de Nederlandse literatuur van het afgelopen decennium in kaart te brengen. Dat doen ze in tien essays, elk gecentreerd rond een bepalend moment in het literaire veld van de afgelopen tien jaar. Maar het gaat niet alleen om die momenten, en samenstellers Laurens Ham en Sven Vitse willen wel verder komen dan ‘pure casuïstiek: de fenomenen die we beschrijven, illustreren wel degelijk een aantal bredere veranderingen in de literaire wereld van vandaag’ (6). Een gedurfd streven, waar zij heel aardig in slagen.

Natuurlijk hadden er ook andere momenten of andere casussen gekozen kunnen worden, maar ik ben het met de auteurs eens dat je van een tijdschriftuitgave geen ‘uitputtende beschrijving’ kunt verwachten. Met dat in het achterhoofd vind ik de aanleidingen in deze behapbare, hedendaagse literatuurgeschiedenis, zoals ik het noem, overwegend begrijpelijk gekozen en inderdaad exemplarisch te noemen. In hun inleiding ontwaren Ham en Vitse drie terugkerende thema’s in de essays: (literaire) infrastructuur, verbinding en activisme, en diversiteit en openheid. In het eerste essay contextualiseert Laurens Ham de ontwikkeling van de literatuur in die van de gehele cultuursector in Nederland, die vanaf 2010 zowel met een economische kaalslag als met een cultuuromslag te maken kreeg. Langs de Schreeuw om Cultuur naar de Mars der Beschaving maakt Ham een verschuiving in het discours van kunstenaars in het cultuurdebat zichtbaar en zet in scherpe, spitsvondige bewoordingen overtuigend uiteen hoe ‘klasse’ als (vaak over het hoofd geziene) rode draad door dit debat loopt. In het essay dat hierop volgt vertrekt Sven Vitse vanuit de publicatie van het eerste nummer van literair tijdschrift Das Magazin, dat een nieuwe generatie lezers aan wist te spreken en uitgroeide tot een uitgeverij die, zo citeert hij letterkundige Anne Sluijs, ‘een hoeveelheid kritische aandacht [genereert] die doorgaans enkel voor uitgeverijen met een veel groter fonds is weggelegd’ (30). Aan de hand van de casus Das Mag brengt Vitse de spanning tussen stijl (‘hipheid’) en inhoud naar voren die vaker terug blijkt te komen bij de nieuwe generatie in de Nederlandse letteren. De inleiding en de twee essays van de samenstellers schetsen het klimaat waarin de literatuur anno nu moet opereren, want ook in de andere artikelen klinkt door hoe ‘de veranderende markt- en medialogica’ het literaire veld steeds meer uitdagen.

De essays illustreren aan de ene kant de diversiteit en toenemende openheid van het literaire veld. Kila van der Starre ontrafelt de aantrekkingskracht van Instagramdichters en laat overtuigend zien hoe de online component van poëzie voor een opleving zorgde. Jeroen Dera tekent, aan de hand van de beloning van een debutante met de VSB Poëzieprijs, uit hoe dichters Hannah van Binsbergen en Ellen Deckwitz elk een eigen dans met de markt opvoeren. Anne Sluijs beschrijft de positie van de Nederlandse literatuur in internationaal opzicht in een origineel essay waartoe het Nederlandse en Belgische gastlandschap op de Buchmesse als vertrekpunt dient. Maar de diversiteit en openheid maken volgens Ham en Vitse ook ‘dat de literatuur voor weinigen nog als een écht comfortabel thuis aanvoelt. Daarvoor zijn de stemmen te uiteenlopend, daarvoor is de deur te wijd opengezet’ (10). Aan de andere kant zijn er daarom essays die op vlijmscherpe wijze signaleren hoe het veld soms toch nog bar conservatief uit de hoek komt, zoals dat van Geert Buelens over de canonisering van Jef Geeraerts of dat van Saskia Pieterse over het thema van de Boekenweek in 2018. Anders dan de CPNB grijpt Pieterse de kans om de vrouwelijke stemmen in de literatuur op het thema ‘De moeder de vrouw’ te laten reflecteren. Haar zorgvuldige analyse maakt een tweestrijd van vrouwen in de literatuur zichtbaar, waar zij zich door maatschappelijke normen én hun eigen overwegingen in bevinden. Dit essay over romanpersonages uit het werk van Nina Polak en Niña Weijers wordt verrijkt doordat je daaraan voorafgaand al Esther op de Beeks en Yra van Dijks uitgebreide analyse kunt lezen over deze nieuwe generatie auteurs, hun engagement, en de vloeibaarheid van identiteiten in hun werk. In het gehele nummer van DWB werken stijl en inhoud bovendien uitstekend samen, want de artikelen zijn zeer leesbaar – met speelse metaforiek over ‘hoosbuien en overstromingen’ in het ‘literaire klimaat’ (59) en pakkende verwoordingen van confronterende observaties door bijvoorbeeld Ham en Buelens.

Bovenal maken de bijdragen duidelijk hoe we tussen ‘twee definities van literatuur’ (50) in zitten, zoals Sander Bax het verwoordt, of zelfs, in de bewoording van Van der Starre, tussen ‘twee werelden’ in (44). Om die verschillende werelden en hun onderlinge relaties goed te kunnen begrijpen, verlang ik als lezer echter nog naar meer overkoepelende reflectie. In de essays van Bax, Dera, Ham, Sluijs, Van der Starre en Vitse zien we bijvoorbeeld de eeuwige spagaat tussen literaire erkenning en publieke waardering, tussen commercialiteit en artisticiteit, steeds in andere gedaanten terugkomen. In de literaire wereld zien we wantrouwen richting de markt, treffend verwoord door Sluijs: ‘zelfpromotie, het blijft een vies economisch woord in letterenland’ (81). Maar wanneer Sander Bax, naar aanleiding van een uiting van de CPNB over de keuze voor Griet Op de Beeck als schrijver van het Boekenweekgeschenk (waarin zij aangeven dat zij proberen lezers aan te spreken die niet of nauwelijks lezen), concludeert dat ‘er in de literaire wereld én in het gesprek over literatuur in de massamedia een “business ontology” werkzaam [is], die tot gevolg heeft dat literaire teksten steeds meer als gewone producten worden beschouwd die in de markt kunnen worden gezet’ (52), stoort het mij dat die houding ten opzichte van commercie haast kritiekloos wordt overgenomen. Natuurlijk hoeven we de literatuur niet in de uitverkoop te doen, maar het boek als ‘gewoon product’ zien is wel het minste wat we kunnen doen in een periode waarin de boekenmarkt nu niet bepaald storm loopt. Vanuit de hoek van de nieuwe literaire supersterren uit Van der Starres artikel blijkt overigens dat het gevoel van twee werelden niet van één kant komt. Succesvolle ‘Instadichters’ als Niels Kalkman en Lars van der Werf willen hun gedichten namelijk geen poëzie noemen, sterker nog: ze willen zelfs ‘niet met het woord “poëzie” geassocieerd worden’ (43). De vraag waarom blijft onbeantwoord, maar ik stel me zo voor dat het iets te maken heeft met die eerdere, twintigste-eeuwse, niet commerciële, niet sexy, autonome literatuuropvatting.

Dat de massa, en daar horen ook mensen bij die tot voor kort nog wel veellezers waren, wel wíl lezen, tonen Van der Starre, Bax en Vitse aan. Deze groep betaalt in het huidige literaire veld echter alleen nog voor wat haar echt aanspreekt, en blijkbaar zijn dat de Griet Op de Beecks en Tim Hofmans. Het gaat er dus niet alleen om of mensen ‘hun theaterkaartje’ (lees hier: boek) kunnen betalen, zoals Ham zich afvraagt, maar ook wanneer ze dat überhaupt nog willen. Deze lezers lijken vanuit de literaire kritiek, dat snap ik ook wel, ‘de toppers boven Gustav Mahler’ te verkiezen, maar dat maakt hen – zoals Ham met betrekking tot andere cultuurconsumenten terecht aangeeft – nog geen barbaren. Misschien zijn ze gewoon naar iets anders op zoek. De auteurs benaderen deze nieuwe literaire voorkeuren over het algemeen heel open, wat ik zeer waardeer. Wanneer Ham en Vitse concluderen dat we ‘ruimte [moeten] geven aan elkaar’, hoop ik dan ook dat we daarbij onze eigen aannames kritisch tegen het licht blijven houden.

Voor een adequate bestudering van een literatuur in die verschillende werelden blijken de gehanteerde benaderingen in de artikelen, waarbij ook de ontwikkelingen buiten het literatuurinterne poëticale debat een plaats krijgen in de analyses, verder zeer vruchtbaar. Deze benaderingen leggen ook iets bloot van de mindset die de huidige academische traditie in Nederland in zijn algemeen domineert. De wetenschap bevindt zich naar mijn idee, door de toenemende vraag naar maatschappelijke inbedding, relevantie en valorisatie, namelijk in eenzelfde spagaat tussen het wetenschappelijke en het maatschappelijke (‘de markt, de politiek of de samenleving’ (6)) als de literatuur. Ook wetenschappers kunnen in dit nieuwe klimaat eigenlijk maar één ding doen, zoals Ham en Vitse het in de inleiding formuleren voor kunstenaars: ‘zich aanpassen aan de nieuwe wereld’, ‘en zich verzetten tegen de structuur waarin ze zich gedwongen voelen’ (6). Kijk, zo daagt dit nummer uit tot doordenken, en vraagt het om de verbinding met andere verhalen waar Ham in zijn essay toe oproept (23). Door zijn thematiek en brede benadering voorziet dit nummer niet alleen in een tijdsbeeld waarvan elke letterkundige kennis zou moeten nemen, maar maakt het ook zichtbaar dat dezelfde vragen die momenteel in de literatuur leven, ook aan de (literatuur)wetenschap van 2010-2019 gesteld worden. Ik raad het om al deze redenen dan ook van harte aan (jonge) letterkundigen en neerlandici aan.

Aafje de Roest

Laurens Ham & Sven Vitse (red.), Het literaire klimaat 2010-2019. Themanummer Dietsche Warande & Belfort 164 (2019) 3 (september). ISBN: 9789460018374. € 15.

De visie uit de marge

‘Tribadisme’, ik kende het woord niet. Het is een in onbruik geraakte wetenschappelijke term voor seks tussen vrouwen, en de etymologie ervan gaat terug tot op het Griekse ‘tribein’, wat ‘wrijven’ betekent. Het is zo’n feitje waarachter een wereldbeeld schuilgaat, in dit geval dat van mannen die zich bij lesbische seks blijkbaar niet zoveel kunnen voorstellen. De negentiende-eeuwse arts A. Parent-Duchâtelet schreef erover in een boek waarin hij het verband legt tussen zedendelicten, prostitutie en lesbische seks: ‘de ergste vorm van zedeloosheid die een vrouw kon bedrijven, dat was duidelijk’ (97), zo vat Mary Kemperink de bevindingen samen van deze medische moraalridder.

In haar artikel ‘“Lesbos-sur-seine”. Het literaire en medische beeld van de lesbienne (1830-1900)’ gaat Kemperink op zoek naar het verband tussen literaire en wetenschappelijke visies op lesbische liefde. Waar de arts die als zedelijk dieptepunt beschouwde, was de suggestie van seks tussen vrouwen een romantisch motief in Romantische kunst: de lesbische vrouw was een onbereikbare femme fatale, een gevaarlijke vrouw. Kemperink keek niet alleen naar gecanoniseerde literaire werken, maar ook naar populaire romans in die tijd. Daar was de fantasie over de mogelijkheden van vrouwelijke seksualiteit heel wat groter dan in de wetenschap – al was de veroordeling er niet minder om. Een roman van Alfred de Musset beschrijft bijvoorbeeld ‘cunnilingus, frotteren, het hanteren van een levensgrote neppenis, tot seks met een hond’ (98). De seksuele experimenteerdrift wordt de hoofdpersonen fataal; de moraal blijft dus hetzelfde: seksualiteit die zich niet beperkt tot ‘man-en-vrouw’ is zondig.

Literair zijn het geen hoogtepunten, maar Kemperink heeft er veel interessants in weten te vinden. Dit zijn de werken waaraan in de literatuurwetenschap meestal niet zoveel aandacht besteed wordt: achterhaalde lectuur met een achterhaalde moraal; maar het zijn juist deze literaire stiefkindjes die centraal staan in Uit de marge. Kanttekeningen bij de cultuurhistorische canon (onder redactie van Lizet Duyvendak en Jan Oosterholt). Het is een bundel met artikelen die geschreven zijn naar aanleiding van het vertrek van Erica van Boven als hoogleraar letterkunde aan de Open Universiteit. Ter ere van haar, dus, die aandacht voor de betekenis van vergeten romans, want Van Boven is bij uitstek iemand die in haar onderzoek altijd oog heeft voor de culturele marge. Om haar werk eer te bewijzen, schreven een kleine dertig vakgenoten over bijvoorbeeld de tv-serie The Walking Dead (een ‘guilty pleasure’ van Gemma Blok), het bloemleesbeleid van uitgeverijen Polak & Van Gennep (Matthijs Sanders & Marieke Winkler) en Bert Bakker (Gilles Dorleijn & Sandra van Voorst schrijven over Paul Rodenko en de Ooievaar-reeks). Er wordt geschreven over sport, over sinterklaasgedichten, en over de Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek (CPNB) – een vereniging met een gedeeltelijk ongewild canoniserend karakter.

Jan Hein Furnée verdiept zich in een soort leesclub-voor-gevorderden: het negentiende-eeuwse gezelschap ‘Ons Genoegen’, dat hun eigen gezelligheid blijkbaar als een ‘guilty pleasure’ beschouwde, getuige een defensieve beginselverklaring: ‘Het verkeer in den gezelligen vriendenkring [is] een waar zout des levens, dat de plant doortrekken en versterken moet, om de inwendige kiem bloei en leven te doen verkrijgen’ (64).

Uit de marge is een afscheidsbundel, een soort liber amicorum voor Van Boven dus – en dat soort boeken heeft vaak iets willekeurigs. Dat geldt zeker ook voor dit boek, dat met zijn 29 meestal vrij korte bijdragen alle kanten op waaiert, maar wel steeds met oog voor het gemarginaliseerde perspectief. Het effect is daarbij meestal niet dat iets ‘uit de marge’ wordt gehaald, maar juist dat de lezer de marge in getrokken wordt, om te zien wat cultuur in de alledaagse werkelijkheid kon en kan betekenen. Leesclubs, feuilletons, bloemlezingen, geloofsgemeenschappen, de krant, de school: literatuur is in deze stukken iets dat een rol speelt in de wereld, en dat leeft. Het boek kan een gebruiksvoorwerp zijn dat ook zo weer verdwenen is, wat niet betekent dat het daarmee zonder culturele waarde is.

En dat is in de geest van Erica van Boven, die wordt geciteerd in een mooi stuk van Petra Boudewijn over Jo Manders. Haar roman De bandeloozen (1929) werd afgekraakt door de strenge mannen van de literaire kritiek, maar had wel een groot lezerspubliek. ‘In het literaire veld lijkt veelal te gelden dat hoe meer leesplezier een boek oproept en hoe meer exemplaren ervan verkocht worden, hoe minder literaire kwaliteit het volgens de culturele voorhoede heeft’ (29), vat Boudewijn samen. Het omgekeerde geldt ook, wanneer Menno ter Braak een oproep doet aan Madelon Székely-Lulofs om nu eens een boek te schrijven ‘waaraan de uitgever een dikke strop heeft’ (81). Die ‘culturele voorhoede’, daar gaat het Van Boven niet om, de Menno ter Braaks laat ze graag links liggen. Van Boven is geïnteresseerd in die talrijke lezers die hun wereldbeeld mede aan dit soort boeken ontleenden.

Dergelijke boeken zijn vergeten, want ‘het proces van canonisering kent weinig winnaars en veel verliezers: van de vele romanciers uit de twintigste eeuw heeft maar een gering percentage de eindstreep gehaald’ (135), aldus Jan Oosterholt in een stuk over de schrijver Jan Willem Hofstra. Diens Engelen van mensen (1952) is een katholieke roman die via omwegen de bekering presenteert als remedie tegen uiteenlopende vormen van seksuele begeerte.

Dergelijke artikelen laten mooi zien waarom het zinnig is om je te verdiepen in boeken die de canon heeft overgeslagen. Het zou goed geweest zijn om de bundel met zo’n artikel te openen maar de hoofdstukken staan in alfabetische volgorde op achternaam van auteur. Dat is sympathiek, in elk geval neutraal: er is geen artikel belangrijker dan een ander. Toch werkt het niet helemaal: een stuk over de gemeentepolitiek in Ede is geen ideale opener, tussen alle marginale onderwerpen is dit wel erg marginaal. En in een artikel over de grote tiendelige door de Taalunie geïnitieerde literatuurgeschiedenis komen veel onderwerpen samen. Dat was wellicht iets geweest voor het slot, maar het staat ongeveer halverwege het boek (want de auteur heet Laros). En direct daarna staat een mooi stuk van Marijke Meijer Drees over de pogingen van de vroeg negentiende-eeuwse uitgever Marten Westerman om een gezaghebbende en goedkope bloemlezing van de belangrijkste Nederlandstalige poëzie voor een groot publiek (‘de gewone lezer’) uit te geven. De belangstelling voor een van deze vroegste pogingen tot canonisering bleef beperkt en Westerman ging verder met het uitgeven van, bijvoorbeeld, ‘Gedichtjes, met plaatjes’. Het was zinnig geweest dat stuk vóór de theoretische overwegingen over literatuurgeschiedenis te lezen. Maar bezwaren tegen de volgorde van de hoofdstukken zijn natuurlijk relatief marginaal. Wat er staat is inspirerend genoeg, los van de volgorde.

Bertram Mourits

Lizet Duyvendak & Jan Oosterholt (red.), Uit de marge. Kanttekeningen bij de cultuurhistorische canon. Hilversum: Uitgeverij Verloren/Literatoren, 2018. 243 pp. ISBN: 9789087047412. € 25,-.

Op speurtocht naar Bredero

In 2018 verscheen De hartenjager, een studie van René van Stipriaan over het leven, werk en roem van Gerbrandt Adriaensz. Bredero. Niet toevallig kwam dit boek in 2018 op de markt, 400 jaar na het onverwachte overlijden van de jonge, veelbelovende kunstenaar. Daarmee plaatst het werk zich in wat Van Stipriaan als de ‘geoliede herdenkingscultuur in Nederland’ (9) aanduidt, die kon ontstaan dankzij de precieze gegevens over het geboortejaar (1585) en sterfjaar (1618) van deze beroemde maar tegelijk ook onbekende auteur. Opzet en invulling van Van Stipriaans nieuwe boek zorgen er echter voor dat het uitstijgt boven het klassieke herdenkingswerk dat vaak enkele jaren na uitgave samen met de gelauwerde jubilaris de vergetelheid induikt.

Van Stipriaan richt zich in de eerste plaats op het werk van Bredero, niet in het minst omdat er zo weinig andere gegevens over hem bekend zijn: ‘Zijn werk zal het móéten getuigen, we hebben niet veel anders. Om een beeld op te bouwen van Bredero’s ideeën, ontwikkeling en betekenis zullen we in de eerste plaats bij zijn werk te rade gaan, en bij zijn omgeving’ (11). De auteur wil niet in dezelfde val trappen waar zovele van zijn voorgangers-Brederokenners inliepen. In hoofdstuk vijf over de interpretatie van Bredero bij latere generaties laat Van Stipriaan zien hoe heel wat generaties onderzoekers zich hebben laten verleiden om vanuit Bredero’s werk allerlei uitspraken te kunnen doen over zijn leven. En dat met wisselende klemtonen: Bredero als eeuwig verliefde, gekwelde ziel, als zuipschuit die zijn chronische liefdesverdriet in de kroegen ging verdrinken, als platvloerse grappenmaker. Van Stipriaan heeft andere ambities, hoewel een titel als De hartenjager in combinatie met het feestende gezelschap op de omslagillustratie (een detail uit een schilderij van Frans Hals) Bredero’s reputatie als losbol en drinkebroer ogenschijnlijk lijken te bevestigen.

Ook Van Stipriaan probeert zicht te krijgen op de mens Bredero maar hij is een behoedzame lezer die zich niet laat meeslepen door speculaties. Door een nauwkeurige lectuur van Bredero’s werk te combineren met wat we wel weten over diens omgeving en kennissenkring slaagt Van Stipriaan er wel degelijk in om een en ander af te leiden over de persoonlijke besognes van de zeventiende-eeuwse schrijver. Vooral in het gedeelte over Bredero’s levenseinde levert deze werkwijze verrassende resultaten op. Hoewel het niet echt kan worden bewezen, maakt Van Stipriaans speurwerk het toch bijzonder aannemelijk dat Bredero zelf zijn leven zou beëindigd hebben. Bredero’s weinig bestudeerde laatste en onafgewerkte toneelstuk Angeniet, dat werd voltooid door de jonge en veelbelovende dichter Jan Jansz. Starter, speelt bij Van Stipriaans deducties een sleutelrol.

De globale structuur van het boek volgt Bredero’s levensloop vanaf ‘diens leerjaren’ tot ‘het laatste jaar’, maar het is allesbehalve een rechttoe-rechtaan verhaal geworden. Van Stipriaan combineert een chronologische aanpak met een meer thematische benadering die hem in de gelegenheid stelt om dieper in te gaan op de diverse literaire genres die Bredero beoefende, op de maatschappelijke en literair-culturele ontwikkelingen in de zeventiende eeuw en op de snelle ontwikkeling van de stad Amsterdam die tijdens Bredero’s leven uitgroeide tot een metropool. Het levert een veelzijdig portret op van een kunstenaar in de snel veranderende wereld waar hij deel van uitmaakte en die hij ook mee vorm gaf.

De lezer krijgt zicht op de nieuwe literaire ontwikkelingen die ontstonden vanuit de rederijkerskamers en tegelijk ook kritiek leverden op de gangbare (en vaak vastgeroeste) rederijkerspraktijken. Het publicatieklimaat veranderde, er werden initiatieven genomen ter waardering van de moedertaal, in het theater moesten de allegorische personages wijken voor echte individuen met een complexe identiteit.

Van Stipriaan plaatst Bredero’s werk ook in een breder, internationaal perspectief en dit levert interessante inzichten op. De auteur trekt vooral parallellen met Shakespeare en dat zeker niet alleen omdat over beide kunstenaars zo weinig is geweten. In het hoofdstuk ‘Theater van de hartstochten’ gaat Van Stipriaan dieper in op gelijkenissen in hun beider werk en laat hij zien hoe Bredero en Shakespeare in hun toneelwerk eenzelfde kijk bieden op de veranderlijke en menselijke geest, overgeleverd aan zijn hartstochten en een onbetrouwbare wereld. Om het in Van Stipriaans eigen woorden te zeggen: ‘Bredero en Shakespeare putten […] uit dezelfde verkleedkist’ (22 – over Moortje en Othello) of ook nog ‘net als Shakespeare strooit Bredero de psychologie waaraan zijn personages onderworpen zijn met kleine handjes door het stuk’ (227 – over Rodderick en Alphonsus en Romeo and Juliet). Beide auteurs waren meesters in de observatie van de werkelijkheid in al haar aspecten en legden deze vast in een bijzonder soepele taal. Ondanks de vele gelijkenissen kan het niveau van Bredero’s werk niet tippen aan dat van zijn Engelse tijdgenoot, maar Van Stipriaan merkt ook op dat Shakespeare op zijn drieëndertigste – de leeftijd die Bredero bereikte – weliswaar al een aantal belangrijke werken had geschreven maar dat zijn grote meesterwerken pas nadien tot stand kwamen. Allemaal interessante observaties die heel wat onderzoekspistes kunnen openen.

Net als Bredero hanteert Van Stripriaan een vlotte pen die garant staat voor een aangename leeservaring. Omdat hij daarbij ook aandacht heeft voor het anekdotische komt de wereld van Bredero nog meer tot leven. Ik denk bijvoorbeeld aan de passage over de herkomst van de naam ‘Bredero’ of aan de sfeerschets over de loterij voor de bouw van een nieuw ‘dolhuis’ (een tehuis voor krankzinnigen).

De hartenjager werd een verzorgde uitgave in een prettig formaat. De luchtige bladspiegel met ruimte in de marge voor woordverklaringen bij de fragmenten uit Bredero’s teksten maken het lezen comfortabel. Een minpuntje aangaande het gebruik is misschien wel het notenapparaat dat zich helemaal aan het eind van het boek bevindt en per hoofdstuk een nieuwe nummering krijgt. Vanuit esthetisch oogpunt is dit een logische keuze maar de nieuwsgierige lezer moet wel voortdurend heen en weer navigeren. Met het oog op gebruiksvriendelijkheid had ook het register uitgebreider gekund. Alle eigennamen uit de lopende tekst en de grote werken van Bredero werden daar in ondergebracht maar een uitgebreider begrippenapparaat ontbreekt. Nochtans geeft Van Stipriaan heel wat interessante informatie over de ontwikkelingen in het zeventiende-eeuwse literaire veld die een betere ontsluiting verdienen. Dit is echter detailkritiek bij een prachtige studie over een boeiende kunstenaar uit een bruisende eeuw, een studie die geheel waarmaakt wat de ondertitel aankondigt: Leven, werk en roem van Gerbandt Adreaensz. Bredero.

Veerle Uyttersprot

René van Stipriaan, De hartenjager. Leven, werk en roem van Gerbrandt Adriaensz. Bredero. Amsterdam/Antwerpen: Querido, 2018. ISBN: 9789021409528. €26,99.

Van Merken onder het stof vandaan

Moderne edities van historische literaire werken worden langzaam maar zeker een zeldzaamheid. De afgelopen tien jaar zijn de financieringskanalen hiervoor opgedroogd en aan bekende reeksen als de Deltareeks kwam een einde. Editiewerk is een zaak van het internet geworden en de enkele papieren uitgave die nu nog tot stand komt, is vaak het resultaat van een persoonlijke betrokkenheid bij een bepaald werk of een bepaalde auteur. Voor de heruitgave van Jacob Simonszoon de Ryk (1774), een toneelstuk van de achttiende-eeuwse succesauteur Lucretia van Merken, is dit zeker het geval. De editeurs steken hun bewondering voor Van Merken niet onder stoelen of banken. De editie van het toneelstuk zien zij – naar analogie van Kloos – als een ‘daad van eenvoudige rechtvaardigheid’, een literair-historische rechtzetting ten aanzien van een onterecht vergeten toneelauteur die op de achterflap omschreven wordt als een ‘achttiende-eeuwse Vondel’.

Hoewel Van Merken de vergelijking met Vondel naar mijn mening niet nodig heeft om lezers voor haar werk te winnen, is de heruitgave van het stuk zeker in haar opzet geslaagd. Via een toegankelijke (licht herspelde) en zorgvuldig geannoteerde editie maakt het een sleutelwerk uit Van Merkens oeuvre toegankelijk voor een hedendaags leespubliek. De inleiding is goed geschreven en geeft de lezer de nodige achtergrond bij het toneelstuk, op het vlak van de receptie- en opvoeringsgeschiedenis, de stofkeuze, het Frans-classicisme en Lucretia van Merken zelf als gevierd auteur van de achttiende eeuw. In combinatie met deze informatie komt aan de hand van het toneelstuk een onderbelichte toneeltraditie opnieuw tot leven, namelijk die van de Amsterdamse Schouwburg in het laatste kwart van de achttiende eeuw. Zo leert de lezer dat Van Merkens treurspel benut werd om de heropening van de schouwburg in 1774 historisch te verbinden met het oprichtingsjaar 1638 toen Vondels Gijsbreght van Aemstel werd opgevoerd. Jakob Simonszoon de Ryk is volgens de editeurs een achttiende-eeuwse Gijsbreght, vooral op het vlak van de lokaal-patriottische en programmatische pretenties van beide treurspelen.

Ondanks de parallellen zijn er ook heel wat verschillen tussen de twee toneelstukken. Zo is de titelheld bij Van Merken een watergeus die veel standvastiger handelt dan Vondels Heer van Aemstel. Zij lijken wel weer op elkaar waar het de moeizame relatie met hun eega betreft: Badeloch bij Vondel, Margareta bij Van Merken. De editeurs laten zien dat De Rijk weliswaar een echte deugdheld is die door zijn edelmoedigheid standvastig blijft, tot het einde toe bereid om zijn leven te offeren voor de vrijheid, maar dat de vrouwelijke personages – Margareta en Elvire – voor de eigenlijke dynamiek binnen de handeling zorgen. Margareta is in het stuk wanhopig over het lot van haar man, die in Gent gevangen wordt gehouden, wachtend op zijn vrijlating bij een uitruil van gevangen tussen Oranje en Requesens, Spaans legeraanvoerder en landvoogd. Requesens komt zijn beloften echter niet na en De Rijk blijft in gevangenschap. Het aanbod om in Spaanse dienst te komen in ruil voor zijn vrijlating slaat hij edelmoedig af.

Elvire is de vrouw van Mondragon, een Spaanse bevelhebber die door Oranje gevangen gehouden wordt. Evenals de vrouw van De Rijk heeft zij baat bij een eerlijke uitruil van de gevangen. Terecht wijzen de editeurs erop dat Elvire een heel wat interessanter personage is dan De Rijk. Zij speelt een sleutelrol en munt evenals De Rijk uit in dapperheid en standvastigheid. Zij plaatst zichzelf aan het hoofd van een groep muiters die het bewind van Requesens ter discussie stellen. Een aspect dat de editeurs niet of nauwelijks benoemen zijn de door Kloos geroemde ‘psychologische schilderingen’ van de personages en het feit dat hun emoties niet enkel negatief gekarakteriseerd worden. Ook op dit punt is Elvire als personage heel wat interessanter dan De Rijk. Zij maakt in het stuk een emotionele ontwikkeling door en wordt zo het toonbeeld van medelijden en menselijke verbondenheid, los van persoonlijke belangen. Als haar man in vrijheid gesteld wordt, heeft Elvire geen belang meer bij de vrijlating van De Rijk. Toch blijft zij pleiten voor diens vrijheid, afgaande op haar sterke gevoel voor rechtvaardigheid, maar ook op basis van haar medelijden met De Rijk en diens echtgenote. In het eerste bedrijf komt die medemenselijkheid van het personage al aan de orde, als Elvire door het lot van Margareta bewogen wordt en zij zich als het ware oefent in medelijden, waarbij tranen (vs. 204) een uiting zijn van haar ‘eedle ziel’ (vs. 147), waarna ook Margareta en haar begeleider Hooft beginnen in te zien dat het ‘deernis’ (vs. 260) is die Elvira en Augulo (een Spaans hopman) voor hen doen opkomen.

De sentimentele aspecten van het treurspel zijn minder duidelijk uitgewerkt dan in Van Merkens bekende heldendichten of in een treurspel als Maria van Bourgondiën (1782), maar helemaal afwezig zijn zij zeker niet. Een beheersing van de hartstochten wordt in het stuk weliswaar positief geduid, maar sommige emoties hoeven niet het veld te ruimen en krijgen wel degelijk de ruimte om in het hart van de personages te woekeren. Door de sterke nadruk op empathie en medelijden zouden we het stuk kunnen beschouwen in het licht van de Duitse en Franse toneeltraditie van het burgerlijk treurspel. Voor iemand als Lessing was de menselijke vaardigheid tot meevoelen en compassie (Mitleid) belangrijker dan de stoïsche controle van de emoties die we zo vaak aantreffen bij tragische deugdhelden. Acteurs moesten dan ook in staat zijn om dergelijke ‘gewaarwordingen’ op een zo natuurlijk mogelijke wijze aan het publiek te tonen. Het invloedrijke Duitse handboek over toneelmimiek van Johann Jacob Engel schrijft bij verdrietige zwaarmoedigheid een geheel verslapt lichaam voor. Van Merken lijkt aansluiting te zoeken bij dit soort opvattingen over een meer ‘natuurlijke’ speelstijl als ze in de regieaanwijzingen bij de dramatische openingsscène van het vierde bedrijf een wanhopige Margareta beschrijft ‘zittend aan een tafel, met het hoofd rustend op een neusdoek, die zij in de linkerhand heeft, en die haar aangezicht bedekt; latend de rechterhand achteloos bij het lichaam nederhangen’ (115).

Het valt de editeurs niet kwalijk te nemen dat zij deze sentimentele kanten van het stuk onbesproken hebben gelaten. Een inleiding moet immers beknopt blijven. De geplaatste kanttekening laat wel iets zien van de veelzijdigheid van dit stuk en de aantrekkelijkheid van een auteur die, om nog eens met Kloos te spreken, zeker onze ‘meevoelende waardering’ verdient.

Kornee van der Haven

Lucretia van Merken, Jacob Simonszoon de Rijk. Ingeleid en bezorgd door Lotte Jensen & Tommie van Wanrooij. Nijmegen: Vantilt, 2019. ISBN: 9789460044373. € 16,95.

Romantisch en revolutionair, maar met mate

Sinds T.S. Eliot zijn essay ‘Tradition and the Individual Talent’ in 1919 publiceerde hebben literatuurwetenschappers zich steeds meer en soms zelfs uitsluitend op de literaire tekst geconcentreerd. In de voorbije decennia is daar heel wat context bij gekomen, maar de auteur was niet langer dé autoriteit. In Romantici en revolutionairen plaatsen Rick Honings en Lotte Jensen expliciet wél het auteurschap centraal, want ‘de auteur heeft zich de laatste decennia enigszins in de coulissen van de literatuurgeschiedenis opgehouden’ (10). Dit betekent echter geen terugkeer naar lezingen waarin de tekst gezien wordt als een illustratie van het leven van de auteur: Honings en Jensen benaderen de Nederlandse literatuur van de periode 1750 tot 1900 vanuit de positie die de schrijver ervan inneemt tegenover de maatschappij.

Hun handboek wordt gepresenteerd als een alternatief voor de literatuurgeschiedenis van de Taalunie, met name de delen over de achttiende en negentiende eeuw. Die lijvige werken worden vooral als naslagwerken beschouwd, terwijl Romantici en revolutionairen voorgesteld wordt als een ‘handzaam, toegankelijk, vlot leesbaar en rijk geïllustreerd overzicht […] van de geschiedenis van de Nederlandse literatuur van de tweede helft van de achttiende en de hele negentiende eeuw’ (8).

Daarin slaagt dit boek. Het is inderdaad handzaam: de opdeling in relatief korte hoofdstukken, met duidelijke onderverdelingen, bijpassende illustraties (logischerwijs hoofdzakelijk auteursportretten), en kleine uitstapjes in aparte gekleurde kaders nodigt onmiskenbaar uit om het boek te gaan gebruiken als lesmateriaal. Er zijn geen wijdlopige voetnoten en de bibliografische verwijzingen worden achteraan in het boek per hoofdstuk kort toegelicht. Dat maakt het geheel inderdaad toegankelijk en vlot leesbaar. Het enthousiasme van Honings en Jensen werkt aanstekelijk en nodigt de lezer uit tot verder onderzoek.

De titel van het boek is enigszins verrassend, vooral omdat romantici en revolutionairen als twee polen gepresenteerd worden. Revolutionairen zouden maatschappelijke idealen nastreven, terwijl romantici de blik naar binnen keren en gehoor geven aan hun ‘romantische vrijheidsdrang’ (8). Zo wordt de ‘verzetsdichter’ tegenover de ‘romanticus’ Willem Bilderdijk gesteld. Vaderlandsliefde en nationalisme zijn internationaal gezien echter nauw verbonden met de romantiek, en menig ‘romantisch’ dichter was behoorlijk revolutionair en maatschappelijk bewogen: de burgerlijke goegemeente werd danig op de korrel genomen door bij voorbeeld Shelley en Byron. Bovendien is het romantische gehalte van Willem Bilderdijk voer voor discussie: Honings en Jensen lijken zich aan te sluiten bij Het metafysisch grondpatroon van het romantische literaire denken, de klassieke studie van Cornelis de Deugd uit 1966, maar gaan daarbij grotendeels voorbij aan de kritische kanttekeningen van onder anderen Gert-Jan Johannes en Jan Oosterholt. Bilderdijks reactionaire politieke gedachtegoed kan overigens enkel beschouwd worden als zijn vorm van maatschappelijke betrokkenheid.

De titel Romantici en revolutionairen doet tegelijkertijd vermoeden dat Nederland in de late achttiende en de negentiende eeuw een broeihaard van maatschappelijk en cultureel-artistiek verzet was, terwijl Honings en Jensen al vroeg in het boek ruiterlijk bekennen dat Nederland ‘conservatief en burgerlijk’ was (9). Of de gemiddelde Nederlander daarin zo veel afweek van de Engelse, Franse, of Duitse bourgeois of Biedermeier valt te betwijfelen, maar de rebellie van de student-auteurs in Leiden in de jaren 1830 was wel maar een flauwe afspiegeling van hun voornamelijk Engelse voorbeelden: ze ‘konden nog geen afstand nemen van de burgerlijke samenleving en het geloof’ (9).

Het boek is onderverdeeld in drie chronologisch opgevatte delen van telkens vijf decennia, ieder deel ingeleid door een cultuurhistorische schets van de periode. In elk deel worden zeven auteurstypes in aparte hoofdstukken gepresenteerd. De nummering van deze hoofdstukken loopt echter door, over de delen heen, waardoor continuïteit gesuggereerd wordt.

Het eerste besproken type is ‘de Spectator’. De bloei van tijdschriften in de achttiende eeuw is al vaker bestudeerd, en de keuze voor de Spectator als centraal type daarin is voor de hand liggend. Opmerkelijk is wel dat het hoofdstuk niet opent met Justus van Effen (die het genre al vrij vroeg in de achttiende eeuw in Nederland introduceerde), maar wel met Petronella Moens (die pas op het eind van de eeuw actief was). De aandacht voor vrouwelijke auteurs in dit boek is opvallend, en wordt ook expliciet aangehaald en beklemtoond door Honings en Jensen. Bij elk type auteur duiken ook vrouwelijke auteurs op. Het laatste auteurstype van het boek is ‘de femininist’: zo begint het boek met de (half) brave Vriendin van ’t Vaderland Petronella Moens en eindigt het met de militante maar vrijwel vergeten roman Hilda van Suylenburg (1897) van Cécile de Jong van Beek en Donk.

Na de Spectator volgen besprekingen van de toneelschrijver, de genootschapsdichter, de politieke auteur, de romanschrijver. Hierbij lijkt het echter eerder om literaire genres dan om auteurstypes te gaan. Het deel over de tweede helft van de achttiende eeuw – waarom er een breuk zou zijn rond 1750 wordt overigens niet verduidelijkt – wordt afgesloten met ‘de sentimentalist’ en ‘de kindervriend’, twee hypes van de late achttiende eeuw.

Terwijl Rhijnvis Feith en Hieronymus van Alphen een daadwerkelijke impact op de Nederlandse literaire wereld lijken te hebben gehad, met een eigen invulling van respectievelijk het internationale sentimentalisme en kinderliteratuur, lijken de besprekingen van ‘de byroniaan’ en ‘de Nederlandse Walter Scott’ te suggereren dat de ‘romantische’ generatie van de jaren 1830 niet veel meer was dan een groep epigonen van Byron en Scott. Het is moeilijk om in de byroniaanse pose van bij voorbeeld de jonge Nicolaas Beets veel meer te lezen dan een late opstoot van puberale, maar al bij al onschuldige rebellie: hij was, in tegenstelling tot zijn grote voorbeeld, niet ‘mad, bad, and dangerous to know.’ Niet veel later zou Beets wereldberoemd in Nederland worden, maar dan als realist: in 1892 was het meest geliefde Nederlandse boek nog steeds zijn Camera Obscura (1839). Beets had ondertussen zijn byroniaanse donkere pak ingewisseld voor een dickensiaanse overjas, en het pseudoniem Hildebrand aangenomen.

In het laatste deel van Romantici en revolutionairen komt de spanning tussen maatschappelijke betrokkenheid en literaire autonomie tot haar hoogtepunt. Het deel opent met ‘de koloniale idealist’, met als ultieme exponent uiteraard Multatuli. Honings en Jensen wijzen er terecht op dat Max Havelaar geen anti-koloniaal werk is: Multatuli wijst niet het koloniale systeem af, maar wel de corruptie en de uitwassen van het systeem. Max Havelaar had een enorme impact, en Multatuli werd een celebrity avant-la-lettre. Daar hebben Honings en Jensen (terecht) veel aandacht voor. Helaas nemen ze Multatuli’s claim dat het er hem niet om te doen was ‘om goed of mooi te schrijven’ voetstoots aan (278). Daardoor blijft onderbelicht waarom Max Havelaar een belangrijk werk is voor de Nederlandse literatuur. Honings en Jensen vermelden terloops dat het boek verscheen door bemiddeling van Jacob van Lennep, omwille van ‘de grote literaire waarde van het boek (hij vond het “bliksems mooi”)’, ook al was hij bevreesd voor de politieke gevolgen (281-282). Honings en Jensen hebben meer aandacht voor die politieke gevolgen dan voor de literaire vorm, en missen zo de kans om aan te tonen wat Max Havelaar zo bliksems mooi maakt.

Veel saaier maar in de negentiende eeuw wel heel populair waren de zogenaamde dominee-dichters. Commercieel succes is echter geen garantie voor literaire kwaliteit: Honings en Jensen haasten zich dan ook eraan toe te voegen dat deze dichters ‘wel degelijk getalenteerd waren’ (298). Toch werden ze meedogenloos aangevallen door de Tachtigers, die door Honings en Jensen worden beschouwd als de meest ‘romantische’ auteurs van de hele periode. De Tachtiger bij uitstek, Willem Kloos presenteerde zichzelf als poète maudit, maar de gelijkschakeling van ‘de auteur als antimaatschappelijke outcast’ met ‘de romantische visie op het  kunstenaarschap’ (331-332) kan enkel in de nauwe visie op romantiek die Honings en Jensen naar voren schuiven en lijkt vooral een constructie te zijn om het contrast met ‘de naturalist’ aan te geven.

De auteurstypes van Honings en Jensen zijn gebaseerd op genres, literaire stromingen, en maatschappelijke thema’s, waarbij telkens vertrokken wordt vanuit de rol die de auteur zichzelf toedicht. Het gaat in Romantici en revolutionairen expliciet om de Nederlandse literatuur van deze periode: de Vlaamse letteren worden als een afzonderlijke  wereld beschouwd. Toch worden Hendrik Conscience, Guido Gezelle, Cyriel Buysse, en de gezusters Loveling kort vermeld, zij het in uitstapjes die gescheiden zijn van de hoofdtekst, waardoor zij min of meer ingepast worden in het besproken auteurstype (waarbij met name de typering van priester-dichter Gezelle als een soort katholieke variant op de protestantse dominee-dichter wat kort door de bocht is).

Het lijkt mij dat de academische lezer-onderzoeker toch vooral naar de literatuurgeschiedenis van de Taalunie zal grijpen, terwijl de handzame aanpak van Honings en Jensen eerder geknipt lijkt voor het onderwijs. Dat is immers de kracht van dit handboek: de types worden duidelijk neergezet, en openen de weg naar (vaak vergeten) schrijvers en schrijfsters, en hun werk. Op die manier wordt Romantici en revolutionairen meteen ook een pleidooi voor de bredere herwaardering van de literatuur van de achttiende en negentiende eeuw.

Christophe Madelein

Rick Honings & Lotte Jensen, Romantici en revolutionairen. Literatuur en schrijverschap in Nederland in de 18de en 19de eeuw. Amsterdam: Prometheus, 2019. ISBN: 978-90-446-3077-0. € 39,99.

Beter laat

Het is, helaas, volstrekt symptomatisch voor de verlate en gemankeerde Belgische verwerking van het kolonialisme dat het tot 2019 heeft geduurd voor er een substantiële studie verscheen over de omgang van Vlaamse literatoren met Congo. Dat ze van de hand van Luc Renders (1948) kwam, zal niet verbazen: jarenlang waren hij en Julien Vermeulen, op congressen en in tijdschriften en bundels, zowat de enigen die systematisch onderzoek presenteerden op dit gebied. Dat Renders dat deed als docent zakelijke communicatie aan de Universiteit Hasselt was al even pijnlijk symptomatisch: net als zijn onderwerp zat hij in de marge van de neerlandistiek. In Zuid-Afrika was en is zijn positie een hele andere; waar de eertijdse metropolen in sommige academische kringen tot vandaag van krommenaas gebaren waar het institutioneel racisme en blindheid betreft, is die houding in het zuiden van Afrika samen met het einde van Apartheid ontmaskerd.

Koloniseren om te beschaven. Het Nederlandstalige Congoproza van 1596 tot 1960 is deel 1 van wat een tweeluik belooft te worden. Dit deel loopt tot de Congolese onafhankelijkheid in 1960. Wie vooral geïnteresseerd is in hoe van Jef Geeraerts over Lieve Joris tot Elvis en Koen Peeters over dit onderwerp is geschreven zal dus nog even geduld moeten hebben. Koen Peeters duikt overigens al wel op; een citaat uit De mensengenezer (2017) functioneert als motto:

‘De Congoroman, dat onbenullige genre, met avonturen van paters, jagers en ambtenaren, soms kinderlijk geïllustreerd, vol koloniale daadkracht en de hooggestemde roeping. Ik vond die Congoromans vooral stereotiep en gênant fout: de vet aangezette dromen van jacht en zwarte vrouwen, in een werelddeel waar mensen en dieren nog gelukkig en wild zijn, en ja, vandaar de noodzaak van zweep, jachtkarabijn en beschaving.’

Elk goedgekozen motto zet de toon voor een boek, maar dit motto doet meer dan dat: het vat eigenlijk het hele boek samen. En het doet dat zelfs in die mate, dat veel van de bladzijden die volgen redundant gaan voelen. Renders is het dusdanig eens met de stem in Peeters’ roman dat hij die negatieve (literaire, maar vooral ook ethische) boodschap vrijwel op elke pagina herhaalt. In zijn inleiding verwijt Renders niet zonder grond zijn voorgangers Arthur Verté en Bernard Henry in hun monografie over de Vlaams-Afrikaanse letterkunde (1962) door hun kolonialistische vooringenomenheid ‘niet tot evenwichtige en consequente analyses en beoordelingen’ te zijn gekomen (15). In veel opzichten lijkt Renders’ boek een (ideologische) omkering van die oude studie. Wanneer hij negatieve contemporaine recensies vermeldt over De Nikkers (1959) van Piet van Aken – een van de zeldzame kolonialisme-kritische momenten uit zijn gigantische corpus – dan noteert hij dat er ‘[g]elukkig’ ook positieve waren (425).

Ruim een decennium geleden al plaatste Matthijs de Ridder kanttekeningen bij onderzoek dat ‘het er vooral om lijkt te gaan de “nobele” beschavingsuitgangspunten van het kolonialisme te ontmaskeren en de literaire werken in te delen op basis van de graad van kritiek die er in die boeken op het kolonialisme wordt geuit’ (De Ridder 2009: 204). Veel interessanter leek het hem om ‘een gedegen analyse te maken van het historisch-ideologische en maatschappelijke vertoog in de Congo-literatuur’ en dus bijvoorbeeld ook oog te hebben voor het functioneren van ‘de kolonie in de binnenlandse debatten’ (De Ridder 2009: 205). De Ridders artikel komt niet voor in Renders’ forse literatuurlijst. Ook een paradigmatische postkolonialismestudie als Culture and Imperialism (1993) van Edward Said ontbreekt. Dat is uitermate jammer, want Renders heeft een ongekende hoeveelheid teksten gelezen en geanalyseerd en zou dus als geen ander in staat moeten zijn om te peilen of Saids onder meer op Conrads Heart of Darkness (1902) gebaseerde these over de verwevenheid van het koloniale denken en de roman als genre ook door de Vlaamse Congoliteratuur wordt ondersteund. En indien niet: waarom niet? (Het door Renders bestudeerde corpus overschouwend valt overigens op hoe weinig ‘echte’ romans het bevat. Het gros betreft reisverhalen, memoires, brieven of nauwelijks gecamoufleerde autobiografieën.)

Voor dit type systemische vragen heeft Renders slechts in beperkte mate aandacht. Hij wijst wel op een spanning tussen het idealistische missionarisdiscours en de vragen die deze katholieke kolonisatoren hadden bij de kapitalistische exploitatie van Congo, die volgens hen bijdroeg aan de ontworteling van de lokale bevolking. Wie zich echter afvraagt hoe de Vlamingen, die zich in Congo structureel door hun Franstalige landgenoten miskend en misdeeld voelden, die ervaring wisten te rijmen met hun eigen bijdrage aan de exploitatie van een ander volk, is bij Renders aan het verkeerde adres. Meer dan een handvol verspreide zinnetjes en twee wat langere voetnoten besteedt hij niet aan de Vlaamse kwestie. Door zich, zoals de ondertitel luidt, te richten op het Nederlandstalige Congoproza van 1596 tot 1960 geeft Renders te kennen dat hij zijn net veel wijder wil uitgooien dan de louter Vlaamse literatuur, maar sluit hij dus ook ‘Vlaanderen’ en ‘België’ als centrale analytische categorieën uit, waardoor zijn boek vaak eerder als een opsomming van moraliserende boekbesprekingen leest dan als een diepgravende studie.

Niet dat die aanpak alleen maar nadelen heeft. Zijn Groot-Nederlandse focus stelt Renders in staat om het vaak als meesterwerk gekenschetste Tropenwee (1904) van Henri van Booven te bespreken, om aandacht te besteden aan een Nederlands reisverslag van Pieter van den Broecke uit 1634, de voor Congo Vrijstaat erg kritische brieven van handelsagent Anton Greshoff (oom van Jan) en de nauwelijks bekende Congoromans van Alfons Vermeulen. Dat had hij echter ook kunnen doen als zijn onderzoeksfocus wel de Vlaamse literatuur was geweest. Nu veroorlooft hij zich immers evenzeer uitstapjes naar Hergé en vooral naar de Engelstalige literatuur over Congo (Heart of Darkness en Britse en Amerikaanse teksten die een belangrijke rol hebben gespeeld in de campagne die Leopold II zou dwingen in 1908 zijn kolonie over te dragen aan België); volgens diezelfde logica had hij dus ook Van Booven c.s. kunnen behandelen en toch een scherper analytisch kader kunnen hanteren.

Want dat is dus het niveau waarop dit loodzware boek ontgoochelt. Als naslagwerk doet het dat volstrekt niet. Iedereen die met koloniale literatuur bezig is in ons taalgebied zal Koloniseren om te beschaven in de kast willen hebben. Alleen iemand die, als Renders, zijn halve leven (en misschien zelfs meer) met zulke toewijding op een onderwerp heeft gewerkt, is in staat om zo’n encyclopedische collectie en kennis op te bouwen.

Renders heeft niet alleen elke min of meer literaire prozatekst, brieveneditie of (auto)biografie met betrekking tot Congo gelezen (niet álles, overigens; onder meer een revelerend opstel van Cyriel Verschaeve en opmerkelijke journalistieke stukken van Karel van de Woestijne en Ernest Claes laat hij onvermeld), maar ook een indrukwekkende hoeveelheid academische studies waaruit hij veelal treffende en steevast naar het Nederlands vertaalde citaten presenteert. Des te opvallender is het dat sleutelpublicaties van onder meer Marc Quaghebeur en Pierre Halen over de Franstalige Congoliteratuur ontbreken. De vraag of en hoe de Vlaamse literatoren de kolonisatie anders ervaren dan hun Franstalige landgenoten blijft dus evenzeer onbeantwoord.

Overigens verwijst Renders ook slechts in geringe mate naar andere onderzoekers die op Nederlandstalig Congomateriaal werk(t)en; Frank Joostens boeklange discoursanalyse van het tijdschrift Band (1991) staat niet eens in de bibliografie, van Sarah De Mul gebruikt hij maar een van haar vele studies. De omvangrijke monografieën van Bogers & Wymeersch (1987) en Bambi Ceuppens (2003) worden een enkele keer aangehaald. Dit maakt – hoe bovengemiddeld groot Renders’ eigen verdiensten op dit vlak ook zijn – een weinig collegiale indruk.

Dat de auteur ook de dichtkunst buiten beschouwing laat is uiteraard geheel verdedigbaar. Deze beslissing past echter in zijn opmerkelijk a-literaire aanpak. Zijn bestudeerde teksten hebben veel inhoud, maar op enkele opmerkingen over vertelperspectieven na blijkbaar geen aandachtwaardige vorm. Of een tekst een jeugdroman is of een collectie missionarisbrieven lijkt niet wezenlijk uit te maken. Het gaat Renders, zoals gezegd, om de houding van de auteurs tegenover het koloniale project.

En in dat opzicht mist de redundante uitwerking van dat uitgangsput zijn effect niet: mocht het nog nodig zijn, dan bewijst de waslijst aan namen en oeuvres die Renders presenteert voor eens en voor altijd hoezeer deze literatoren doordesemd waren van het koloniale en racistische denken. Zoals hij het zelf treffend samenvat: ‘De kolonialistische literatuur vertrekt van de noodzaak tot beschaven maar bakent meteen de grenzen af waarbinnen de Congolezen zich kunnen ontplooien: de beschavingsinspanningen mogen de koloniale machtsverhoudingen niet verstoren.’ (275) Uitzonderingen op die regel als de nobele onbekenden J. Esra en René Poortmans zijn alleen al omdát ze zo uitzonderlijk zijn waard om genoemd te worden. Verdere studie naar deze auteurs is meer dan welkom. In een intellectueel klimaat waarin steeds weer wordt gezegd dat we het verleden niet mogen evalueren met hedendaagse normen lijkt het extra nuttig om een dieper inzicht te verwerven in de achtergrond en de motivaties van die schrijvers die blijkbaar honderd jaar geleden al dachten volgens ‘onze huidige morele maatstaven’ (Piet Emmer, geciteerd in: Paijmans 2018).

Geert Buelens

Luc Renders, Koloniseren om te beschaven. Het Nederlandstalige Congoproza van 1596 tot 1960. Hasselt: Gramadoelas, 2019, 495 pp. ISBN: 9789463886666. € 34.95.

Bogers & Wymeersch 1987 – K. Bogers & P. Wymeersch, De Kongo in de Vlaamse fiktie- en reisverhalen. Brussel, 1987.

Ceuppens 2003 – B. Ceuppens, Congo Made in Flanders. Koloniale Vlaamse visies op ‘blank’ en ‘zwart’ in Belgisch Congo. Gent, 2003.

Joostens 1991 – F. Joostens: ‘Schaven aan de zwarte ziel. Belgisch-Kongo gezien door het koloniale maandblad BAND (1942-1960)’. In: Restant 19 (1991) 4, p. 1-262.

Paijmans 2018 – M. Paijmans, ‘Ook in de zeventiende eeuw werd het debat over kolonialisme gesmoord’. In: overdemuur.org, 4 mei 2018.

De Ridder 2009 – M. de Ridder, ‘“Een Congoleesche werpspeer en een brok rubber, die onder ’s konings neus neergelegd waren”. Koloniale bedenkingen bij Willem Elsschot en Gaston Burssens’. In: V. Viaene, D. Van Reybrouck & B. Ceuppens (red.), Congo in België. Koloniale cultuur in de metropool. Leuven, 2009, p. 203-214.

Verthé & Henry 1962 – A. Verthé & B. Henry, Geschiedenis van de Vlaams-Afrikaanse letterkunde. Leuven, 1962.