Literaire klimaatverandering

Als mijn recensie, net als de artikelen in DWB’s uitgave ‘Het literaire klimaat 2010-2019’ mag beginnen met een toonaangevend moment, dan doe ik daarvoor graag een suggestie: 2020 – DWB’s ‘Het literaire klimaat 2010-2019’ wordt verplichte kost voor letterkundigen. Uit dit fictieve scenario blijkt mijn enthousiasme over dit nummer van DWB (september 2019), waarin de auteurs trachten de ontwikkelingen in de Nederlandse literatuur van het afgelopen decennium in kaart te brengen. Dat doen ze in tien essays, elk gecentreerd rond een bepalend moment in het literaire veld van de afgelopen tien jaar. Maar het gaat niet alleen om die momenten, en samenstellers Laurens Ham en Sven Vitse willen wel verder komen dan ‘pure casuïstiek: de fenomenen die we beschrijven, illustreren wel degelijk een aantal bredere veranderingen in de literaire wereld van vandaag’ (6). Een gedurfd streven, waar zij heel aardig in slagen.

Natuurlijk hadden er ook andere momenten of andere casussen gekozen kunnen worden, maar ik ben het met de auteurs eens dat je van een tijdschriftuitgave geen ‘uitputtende beschrijving’ kunt verwachten. Met dat in het achterhoofd vind ik de aanleidingen in deze behapbare, hedendaagse literatuurgeschiedenis, zoals ik het noem, overwegend begrijpelijk gekozen en inderdaad exemplarisch te noemen. In hun inleiding ontwaren Ham en Vitse drie terugkerende thema’s in de essays: (literaire) infrastructuur, verbinding en activisme, en diversiteit en openheid. In het eerste essay contextualiseert Laurens Ham de ontwikkeling van de literatuur in die van de gehele cultuursector in Nederland, die vanaf 2010 zowel met een economische kaalslag als met een cultuuromslag te maken kreeg. Langs de Schreeuw om Cultuur naar de Mars der Beschaving maakt Ham een verschuiving in het discours van kunstenaars in het cultuurdebat zichtbaar en zet in scherpe, spitsvondige bewoordingen overtuigend uiteen hoe ‘klasse’ als (vaak over het hoofd geziene) rode draad door dit debat loopt. In het essay dat hierop volgt vertrekt Sven Vitse vanuit de publicatie van het eerste nummer van literair tijdschrift Das Magazin, dat een nieuwe generatie lezers aan wist te spreken en uitgroeide tot een uitgeverij die, zo citeert hij letterkundige Anne Sluijs, ‘een hoeveelheid kritische aandacht [genereert] die doorgaans enkel voor uitgeverijen met een veel groter fonds is weggelegd’ (30). Aan de hand van de casus Das Mag brengt Vitse de spanning tussen stijl (‘hipheid’) en inhoud naar voren die vaker terug blijkt te komen bij de nieuwe generatie in de Nederlandse letteren. De inleiding en de twee essays van de samenstellers schetsen het klimaat waarin de literatuur anno nu moet opereren, want ook in de andere artikelen klinkt door hoe ‘de veranderende markt- en medialogica’ het literaire veld steeds meer uitdagen.

De essays illustreren aan de ene kant de diversiteit en toenemende openheid van het literaire veld. Kila van der Starre ontrafelt de aantrekkingskracht van Instagramdichters en laat overtuigend zien hoe de online component van poëzie voor een opleving zorgde. Jeroen Dera tekent, aan de hand van de beloning van een debutante met de VSB Poëzieprijs, uit hoe dichters Hannah van Binsbergen en Ellen Deckwitz elk een eigen dans met de markt opvoeren. Anne Sluijs beschrijft de positie van de Nederlandse literatuur in internationaal opzicht in een origineel essay waartoe het Nederlandse en Belgische gastlandschap op de Buchmesse als vertrekpunt dient. Maar de diversiteit en openheid maken volgens Ham en Vitse ook ‘dat de literatuur voor weinigen nog als een écht comfortabel thuis aanvoelt. Daarvoor zijn de stemmen te uiteenlopend, daarvoor is de deur te wijd opengezet’ (10). Aan de andere kant zijn er daarom essays die op vlijmscherpe wijze signaleren hoe het veld soms toch nog bar conservatief uit de hoek komt, zoals dat van Geert Buelens over de canonisering van Jef Geeraerts of dat van Saskia Pieterse over het thema van de Boekenweek in 2018. Anders dan de CPNB grijpt Pieterse de kans om de vrouwelijke stemmen in de literatuur op het thema ‘De moeder de vrouw’ te laten reflecteren. Haar zorgvuldige analyse maakt een tweestrijd van vrouwen in de literatuur zichtbaar, waar zij zich door maatschappelijke normen én hun eigen overwegingen in bevinden. Dit essay over romanpersonages uit het werk van Nina Polak en Niña Weijers wordt verrijkt doordat je daaraan voorafgaand al Esther op de Beeks en Yra van Dijks uitgebreide analyse kunt lezen over deze nieuwe generatie auteurs, hun engagement, en de vloeibaarheid van identiteiten in hun werk. In het gehele nummer van DWB werken stijl en inhoud bovendien uitstekend samen, want de artikelen zijn zeer leesbaar – met speelse metaforiek over ‘hoosbuien en overstromingen’ in het ‘literaire klimaat’ (59) en pakkende verwoordingen van confronterende observaties door bijvoorbeeld Ham en Buelens.

Bovenal maken de bijdragen duidelijk hoe we tussen ‘twee definities van literatuur’ (50) in zitten, zoals Sander Bax het verwoordt, of zelfs, in de bewoording van Van der Starre, tussen ‘twee werelden’ in (44). Om die verschillende werelden en hun onderlinge relaties goed te kunnen begrijpen, verlang ik als lezer echter nog naar meer overkoepelende reflectie. In de essays van Bax, Dera, Ham, Sluijs, Van der Starre en Vitse zien we bijvoorbeeld de eeuwige spagaat tussen literaire erkenning en publieke waardering, tussen commercialiteit en artisticiteit, steeds in andere gedaanten terugkomen. In de literaire wereld zien we wantrouwen richting de markt, treffend verwoord door Sluijs: ‘zelfpromotie, het blijft een vies economisch woord in letterenland’ (81). Maar wanneer Sander Bax, naar aanleiding van een uiting van de CPNB over de keuze voor Griet Op de Beeck als schrijver van het Boekenweekgeschenk (waarin zij aangeven dat zij proberen lezers aan te spreken die niet of nauwelijks lezen), concludeert dat ‘er in de literaire wereld én in het gesprek over literatuur in de massamedia een “business ontology” werkzaam [is], die tot gevolg heeft dat literaire teksten steeds meer als gewone producten worden beschouwd die in de markt kunnen worden gezet’ (52), stoort het mij dat die houding ten opzichte van commercie haast kritiekloos wordt overgenomen. Natuurlijk hoeven we de literatuur niet in de uitverkoop te doen, maar het boek als ‘gewoon product’ zien is wel het minste wat we kunnen doen in een periode waarin de boekenmarkt nu niet bepaald storm loopt. Vanuit de hoek van de nieuwe literaire supersterren uit Van der Starres artikel blijkt overigens dat het gevoel van twee werelden niet van één kant komt. Succesvolle ‘Instadichters’ als Niels Kalkman en Lars van der Werf willen hun gedichten namelijk geen poëzie noemen, sterker nog: ze willen zelfs ‘niet met het woord “poëzie” geassocieerd worden’ (43). De vraag waarom blijft onbeantwoord, maar ik stel me zo voor dat het iets te maken heeft met die eerdere, twintigste-eeuwse, niet commerciële, niet sexy, autonome literatuuropvatting.

Dat de massa, en daar horen ook mensen bij die tot voor kort nog wel veellezers waren, wel wíl lezen, tonen Van der Starre, Bax en Vitse aan. Deze groep betaalt in het huidige literaire veld echter alleen nog voor wat haar echt aanspreekt, en blijkbaar zijn dat de Griet Op de Beecks en Tim Hofmans. Het gaat er dus niet alleen om of mensen ‘hun theaterkaartje’ (lees hier: boek) kunnen betalen, zoals Ham zich afvraagt, maar ook wanneer ze dat überhaupt nog willen. Deze lezers lijken vanuit de literaire kritiek, dat snap ik ook wel, ‘de toppers boven Gustav Mahler’ te verkiezen, maar dat maakt hen – zoals Ham met betrekking tot andere cultuurconsumenten terecht aangeeft – nog geen barbaren. Misschien zijn ze gewoon naar iets anders op zoek. De auteurs benaderen deze nieuwe literaire voorkeuren over het algemeen heel open, wat ik zeer waardeer. Wanneer Ham en Vitse concluderen dat we ‘ruimte [moeten] geven aan elkaar’, hoop ik dan ook dat we daarbij onze eigen aannames kritisch tegen het licht blijven houden.

Voor een adequate bestudering van een literatuur in die verschillende werelden blijken de gehanteerde benaderingen in de artikelen, waarbij ook de ontwikkelingen buiten het literatuurinterne poëticale debat een plaats krijgen in de analyses, verder zeer vruchtbaar. Deze benaderingen leggen ook iets bloot van de mindset die de huidige academische traditie in Nederland in zijn algemeen domineert. De wetenschap bevindt zich naar mijn idee, door de toenemende vraag naar maatschappelijke inbedding, relevantie en valorisatie, namelijk in eenzelfde spagaat tussen het wetenschappelijke en het maatschappelijke (‘de markt, de politiek of de samenleving’ (6)) als de literatuur. Ook wetenschappers kunnen in dit nieuwe klimaat eigenlijk maar één ding doen, zoals Ham en Vitse het in de inleiding formuleren voor kunstenaars: ‘zich aanpassen aan de nieuwe wereld’, ‘en zich verzetten tegen de structuur waarin ze zich gedwongen voelen’ (6). Kijk, zo daagt dit nummer uit tot doordenken, en vraagt het om de verbinding met andere verhalen waar Ham in zijn essay toe oproept (23). Door zijn thematiek en brede benadering voorziet dit nummer niet alleen in een tijdsbeeld waarvan elke letterkundige kennis zou moeten nemen, maar maakt het ook zichtbaar dat dezelfde vragen die momenteel in de literatuur leven, ook aan de (literatuur)wetenschap van 2010-2019 gesteld worden. Ik raad het om al deze redenen dan ook van harte aan (jonge) letterkundigen en neerlandici aan.

Aafje de Roest

Laurens Ham & Sven Vitse (red.), Het literaire klimaat 2010-2019. Themanummer Dietsche Warande & Belfort 164 (2019) 3 (september). ISBN: 9789460018374. € 15.

De visie uit de marge

‘Tribadisme’, ik kende het woord niet. Het is een in onbruik geraakte wetenschappelijke term voor seks tussen vrouwen, en de etymologie ervan gaat terug tot op het Griekse ‘tribein’, wat ‘wrijven’ betekent. Het is zo’n feitje waarachter een wereldbeeld schuilgaat, in dit geval dat van mannen die zich bij lesbische seks blijkbaar niet zoveel kunnen voorstellen. De negentiende-eeuwse arts A. Parent-Duchâtelet schreef erover in een boek waarin hij het verband legt tussen zedendelicten, prostitutie en lesbische seks: ‘de ergste vorm van zedeloosheid die een vrouw kon bedrijven, dat was duidelijk’ (97), zo vat Mary Kemperink de bevindingen samen van deze medische moraalridder.

In haar artikel ‘“Lesbos-sur-seine”. Het literaire en medische beeld van de lesbienne (1830-1900)’ gaat Kemperink op zoek naar het verband tussen literaire en wetenschappelijke visies op lesbische liefde. Waar de arts die als zedelijk dieptepunt beschouwde, was de suggestie van seks tussen vrouwen een romantisch motief in Romantische kunst: de lesbische vrouw was een onbereikbare femme fatale, een gevaarlijke vrouw. Kemperink keek niet alleen naar gecanoniseerde literaire werken, maar ook naar populaire romans in die tijd. Daar was de fantasie over de mogelijkheden van vrouwelijke seksualiteit heel wat groter dan in de wetenschap – al was de veroordeling er niet minder om. Een roman van Alfred de Musset beschrijft bijvoorbeeld ‘cunnilingus, frotteren, het hanteren van een levensgrote neppenis, tot seks met een hond’ (98). De seksuele experimenteerdrift wordt de hoofdpersonen fataal; de moraal blijft dus hetzelfde: seksualiteit die zich niet beperkt tot ‘man-en-vrouw’ is zondig.

Literair zijn het geen hoogtepunten, maar Kemperink heeft er veel interessants in weten te vinden. Dit zijn de werken waaraan in de literatuurwetenschap meestal niet zoveel aandacht besteed wordt: achterhaalde lectuur met een achterhaalde moraal; maar het zijn juist deze literaire stiefkindjes die centraal staan in Uit de marge. Kanttekeningen bij de cultuurhistorische canon (onder redactie van Lizet Duyvendak en Jan Oosterholt). Het is een bundel met artikelen die geschreven zijn naar aanleiding van het vertrek van Erica van Boven als hoogleraar letterkunde aan de Open Universiteit. Ter ere van haar, dus, die aandacht voor de betekenis van vergeten romans, want Van Boven is bij uitstek iemand die in haar onderzoek altijd oog heeft voor de culturele marge. Om haar werk eer te bewijzen, schreven een kleine dertig vakgenoten over bijvoorbeeld de tv-serie The Walking Dead (een ‘guilty pleasure’ van Gemma Blok), het bloemleesbeleid van uitgeverijen Polak & Van Gennep (Matthijs Sanders & Marieke Winkler) en Bert Bakker (Gilles Dorleijn & Sandra van Voorst schrijven over Paul Rodenko en de Ooievaar-reeks). Er wordt geschreven over sport, over sinterklaasgedichten, en over de Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek (CPNB) – een vereniging met een gedeeltelijk ongewild canoniserend karakter.

Jan Hein Furnée verdiept zich in een soort leesclub-voor-gevorderden: het negentiende-eeuwse gezelschap ‘Ons Genoegen’, dat hun eigen gezelligheid blijkbaar als een ‘guilty pleasure’ beschouwde, getuige een defensieve beginselverklaring: ‘Het verkeer in den gezelligen vriendenkring [is] een waar zout des levens, dat de plant doortrekken en versterken moet, om de inwendige kiem bloei en leven te doen verkrijgen’ (64).

Uit de marge is een afscheidsbundel, een soort liber amicorum voor Van Boven dus – en dat soort boeken heeft vaak iets willekeurigs. Dat geldt zeker ook voor dit boek, dat met zijn 29 meestal vrij korte bijdragen alle kanten op waaiert, maar wel steeds met oog voor het gemarginaliseerde perspectief. Het effect is daarbij meestal niet dat iets ‘uit de marge’ wordt gehaald, maar juist dat de lezer de marge in getrokken wordt, om te zien wat cultuur in de alledaagse werkelijkheid kon en kan betekenen. Leesclubs, feuilletons, bloemlezingen, geloofsgemeenschappen, de krant, de school: literatuur is in deze stukken iets dat een rol speelt in de wereld, en dat leeft. Het boek kan een gebruiksvoorwerp zijn dat ook zo weer verdwenen is, wat niet betekent dat het daarmee zonder culturele waarde is.

En dat is in de geest van Erica van Boven, die wordt geciteerd in een mooi stuk van Petra Boudewijn over Jo Manders. Haar roman De bandeloozen (1929) werd afgekraakt door de strenge mannen van de literaire kritiek, maar had wel een groot lezerspubliek. ‘In het literaire veld lijkt veelal te gelden dat hoe meer leesplezier een boek oproept en hoe meer exemplaren ervan verkocht worden, hoe minder literaire kwaliteit het volgens de culturele voorhoede heeft’ (29), vat Boudewijn samen. Het omgekeerde geldt ook, wanneer Menno ter Braak een oproep doet aan Madelon Székely-Lulofs om nu eens een boek te schrijven ‘waaraan de uitgever een dikke strop heeft’ (81). Die ‘culturele voorhoede’, daar gaat het Van Boven niet om, de Menno ter Braaks laat ze graag links liggen. Van Boven is geïnteresseerd in die talrijke lezers die hun wereldbeeld mede aan dit soort boeken ontleenden.

Dergelijke boeken zijn vergeten, want ‘het proces van canonisering kent weinig winnaars en veel verliezers: van de vele romanciers uit de twintigste eeuw heeft maar een gering percentage de eindstreep gehaald’ (135), aldus Jan Oosterholt in een stuk over de schrijver Jan Willem Hofstra. Diens Engelen van mensen (1952) is een katholieke roman die via omwegen de bekering presenteert als remedie tegen uiteenlopende vormen van seksuele begeerte.

Dergelijke artikelen laten mooi zien waarom het zinnig is om je te verdiepen in boeken die de canon heeft overgeslagen. Het zou goed geweest zijn om de bundel met zo’n artikel te openen maar de hoofdstukken staan in alfabetische volgorde op achternaam van auteur. Dat is sympathiek, in elk geval neutraal: er is geen artikel belangrijker dan een ander. Toch werkt het niet helemaal: een stuk over de gemeentepolitiek in Ede is geen ideale opener, tussen alle marginale onderwerpen is dit wel erg marginaal. En in een artikel over de grote tiendelige door de Taalunie geïnitieerde literatuurgeschiedenis komen veel onderwerpen samen. Dat was wellicht iets geweest voor het slot, maar het staat ongeveer halverwege het boek (want de auteur heet Laros). En direct daarna staat een mooi stuk van Marijke Meijer Drees over de pogingen van de vroeg negentiende-eeuwse uitgever Marten Westerman om een gezaghebbende en goedkope bloemlezing van de belangrijkste Nederlandstalige poëzie voor een groot publiek (‘de gewone lezer’) uit te geven. De belangstelling voor een van deze vroegste pogingen tot canonisering bleef beperkt en Westerman ging verder met het uitgeven van, bijvoorbeeld, ‘Gedichtjes, met plaatjes’. Het was zinnig geweest dat stuk vóór de theoretische overwegingen over literatuurgeschiedenis te lezen. Maar bezwaren tegen de volgorde van de hoofdstukken zijn natuurlijk relatief marginaal. Wat er staat is inspirerend genoeg, los van de volgorde.

Bertram Mourits

Lizet Duyvendak & Jan Oosterholt (red.), Uit de marge. Kanttekeningen bij de cultuurhistorische canon. Hilversum: Uitgeverij Verloren/Literatoren, 2018. 243 pp. ISBN: 9789087047412. € 25,-.

Op speurtocht naar Bredero

In 2018 verscheen De hartenjager, een studie van René van Stipriaan over het leven, werk en roem van Gerbrandt Adriaensz. Bredero. Niet toevallig kwam dit boek in 2018 op de markt, 400 jaar na het onverwachte overlijden van de jonge, veelbelovende kunstenaar. Daarmee plaatst het werk zich in wat Van Stipriaan als de ‘geoliede herdenkingscultuur in Nederland’ (9) aanduidt, die kon ontstaan dankzij de precieze gegevens over het geboortejaar (1585) en sterfjaar (1618) van deze beroemde maar tegelijk ook onbekende auteur. Opzet en invulling van Van Stipriaans nieuwe boek zorgen er echter voor dat het uitstijgt boven het klassieke herdenkingswerk dat vaak enkele jaren na uitgave samen met de gelauwerde jubilaris de vergetelheid induikt.

Van Stipriaan richt zich in de eerste plaats op het werk van Bredero, niet in het minst omdat er zo weinig andere gegevens over hem bekend zijn: ‘Zijn werk zal het móéten getuigen, we hebben niet veel anders. Om een beeld op te bouwen van Bredero’s ideeën, ontwikkeling en betekenis zullen we in de eerste plaats bij zijn werk te rade gaan, en bij zijn omgeving’ (11). De auteur wil niet in dezelfde val trappen waar zovele van zijn voorgangers-Brederokenners inliepen. In hoofdstuk vijf over de interpretatie van Bredero bij latere generaties laat Van Stipriaan zien hoe heel wat generaties onderzoekers zich hebben laten verleiden om vanuit Bredero’s werk allerlei uitspraken te kunnen doen over zijn leven. En dat met wisselende klemtonen: Bredero als eeuwig verliefde, gekwelde ziel, als zuipschuit die zijn chronische liefdesverdriet in de kroegen ging verdrinken, als platvloerse grappenmaker. Van Stipriaan heeft andere ambities, hoewel een titel als De hartenjager in combinatie met het feestende gezelschap op de omslagillustratie (een detail uit een schilderij van Frans Hals) Bredero’s reputatie als losbol en drinkebroer ogenschijnlijk lijken te bevestigen.

Ook Van Stipriaan probeert zicht te krijgen op de mens Bredero maar hij is een behoedzame lezer die zich niet laat meeslepen door speculaties. Door een nauwkeurige lectuur van Bredero’s werk te combineren met wat we wel weten over diens omgeving en kennissenkring slaagt Van Stipriaan er wel degelijk in om een en ander af te leiden over de persoonlijke besognes van de zeventiende-eeuwse schrijver. Vooral in het gedeelte over Bredero’s levenseinde levert deze werkwijze verrassende resultaten op. Hoewel het niet echt kan worden bewezen, maakt Van Stipriaans speurwerk het toch bijzonder aannemelijk dat Bredero zelf zijn leven zou beëindigd hebben. Bredero’s weinig bestudeerde laatste en onafgewerkte toneelstuk Angeniet, dat werd voltooid door de jonge en veelbelovende dichter Jan Jansz. Starter, speelt bij Van Stipriaans deducties een sleutelrol.

De globale structuur van het boek volgt Bredero’s levensloop vanaf ‘diens leerjaren’ tot ‘het laatste jaar’, maar het is allesbehalve een rechttoe-rechtaan verhaal geworden. Van Stipriaan combineert een chronologische aanpak met een meer thematische benadering die hem in de gelegenheid stelt om dieper in te gaan op de diverse literaire genres die Bredero beoefende, op de maatschappelijke en literair-culturele ontwikkelingen in de zeventiende eeuw en op de snelle ontwikkeling van de stad Amsterdam die tijdens Bredero’s leven uitgroeide tot een metropool. Het levert een veelzijdig portret op van een kunstenaar in de snel veranderende wereld waar hij deel van uitmaakte en die hij ook mee vorm gaf.

De lezer krijgt zicht op de nieuwe literaire ontwikkelingen die ontstonden vanuit de rederijkerskamers en tegelijk ook kritiek leverden op de gangbare (en vaak vastgeroeste) rederijkerspraktijken. Het publicatieklimaat veranderde, er werden initiatieven genomen ter waardering van de moedertaal, in het theater moesten de allegorische personages wijken voor echte individuen met een complexe identiteit.

Van Stipriaan plaatst Bredero’s werk ook in een breder, internationaal perspectief en dit levert interessante inzichten op. De auteur trekt vooral parallellen met Shakespeare en dat zeker niet alleen omdat over beide kunstenaars zo weinig is geweten. In het hoofdstuk ‘Theater van de hartstochten’ gaat Van Stipriaan dieper in op gelijkenissen in hun beider werk en laat hij zien hoe Bredero en Shakespeare in hun toneelwerk eenzelfde kijk bieden op de veranderlijke en menselijke geest, overgeleverd aan zijn hartstochten en een onbetrouwbare wereld. Om het in Van Stipriaans eigen woorden te zeggen: ‘Bredero en Shakespeare putten […] uit dezelfde verkleedkist’ (22 – over Moortje en Othello) of ook nog ‘net als Shakespeare strooit Bredero de psychologie waaraan zijn personages onderworpen zijn met kleine handjes door het stuk’ (227 – over Rodderick en Alphonsus en Romeo and Juliet). Beide auteurs waren meesters in de observatie van de werkelijkheid in al haar aspecten en legden deze vast in een bijzonder soepele taal. Ondanks de vele gelijkenissen kan het niveau van Bredero’s werk niet tippen aan dat van zijn Engelse tijdgenoot, maar Van Stipriaan merkt ook op dat Shakespeare op zijn drieëndertigste – de leeftijd die Bredero bereikte – weliswaar al een aantal belangrijke werken had geschreven maar dat zijn grote meesterwerken pas nadien tot stand kwamen. Allemaal interessante observaties die heel wat onderzoekspistes kunnen openen.

Net als Bredero hanteert Van Stripriaan een vlotte pen die garant staat voor een aangename leeservaring. Omdat hij daarbij ook aandacht heeft voor het anekdotische komt de wereld van Bredero nog meer tot leven. Ik denk bijvoorbeeld aan de passage over de herkomst van de naam ‘Bredero’ of aan de sfeerschets over de loterij voor de bouw van een nieuw ‘dolhuis’ (een tehuis voor krankzinnigen).

De hartenjager werd een verzorgde uitgave in een prettig formaat. De luchtige bladspiegel met ruimte in de marge voor woordverklaringen bij de fragmenten uit Bredero’s teksten maken het lezen comfortabel. Een minpuntje aangaande het gebruik is misschien wel het notenapparaat dat zich helemaal aan het eind van het boek bevindt en per hoofdstuk een nieuwe nummering krijgt. Vanuit esthetisch oogpunt is dit een logische keuze maar de nieuwsgierige lezer moet wel voortdurend heen en weer navigeren. Met het oog op gebruiksvriendelijkheid had ook het register uitgebreider gekund. Alle eigennamen uit de lopende tekst en de grote werken van Bredero werden daar in ondergebracht maar een uitgebreider begrippenapparaat ontbreekt. Nochtans geeft Van Stipriaan heel wat interessante informatie over de ontwikkelingen in het zeventiende-eeuwse literaire veld die een betere ontsluiting verdienen. Dit is echter detailkritiek bij een prachtige studie over een boeiende kunstenaar uit een bruisende eeuw, een studie die geheel waarmaakt wat de ondertitel aankondigt: Leven, werk en roem van Gerbandt Adreaensz. Bredero.

Veerle Uyttersprot

René van Stipriaan, De hartenjager. Leven, werk en roem van Gerbrandt Adriaensz. Bredero. Amsterdam/Antwerpen: Querido, 2018. ISBN: 9789021409528. €26,99.

Van Merken onder het stof vandaan

Moderne edities van historische literaire werken worden langzaam maar zeker een zeldzaamheid. De afgelopen tien jaar zijn de financieringskanalen hiervoor opgedroogd en aan bekende reeksen als de Deltareeks kwam een einde. Editiewerk is een zaak van het internet geworden en de enkele papieren uitgave die nu nog tot stand komt, is vaak het resultaat van een persoonlijke betrokkenheid bij een bepaald werk of een bepaalde auteur. Voor de heruitgave van Jacob Simonszoon de Ryk (1774), een toneelstuk van de achttiende-eeuwse succesauteur Lucretia van Merken, is dit zeker het geval. De editeurs steken hun bewondering voor Van Merken niet onder stoelen of banken. De editie van het toneelstuk zien zij – naar analogie van Kloos – als een ‘daad van eenvoudige rechtvaardigheid’, een literair-historische rechtzetting ten aanzien van een onterecht vergeten toneelauteur die op de achterflap omschreven wordt als een ‘achttiende-eeuwse Vondel’.

Hoewel Van Merken de vergelijking met Vondel naar mijn mening niet nodig heeft om lezers voor haar werk te winnen, is de heruitgave van het stuk zeker in haar opzet geslaagd. Via een toegankelijke (licht herspelde) en zorgvuldig geannoteerde editie maakt het een sleutelwerk uit Van Merkens oeuvre toegankelijk voor een hedendaags leespubliek. De inleiding is goed geschreven en geeft de lezer de nodige achtergrond bij het toneelstuk, op het vlak van de receptie- en opvoeringsgeschiedenis, de stofkeuze, het Frans-classicisme en Lucretia van Merken zelf als gevierd auteur van de achttiende eeuw. In combinatie met deze informatie komt aan de hand van het toneelstuk een onderbelichte toneeltraditie opnieuw tot leven, namelijk die van de Amsterdamse Schouwburg in het laatste kwart van de achttiende eeuw. Zo leert de lezer dat Van Merkens treurspel benut werd om de heropening van de schouwburg in 1774 historisch te verbinden met het oprichtingsjaar 1638 toen Vondels Gijsbreght van Aemstel werd opgevoerd. Jakob Simonszoon de Ryk is volgens de editeurs een achttiende-eeuwse Gijsbreght, vooral op het vlak van de lokaal-patriottische en programmatische pretenties van beide treurspelen.

Ondanks de parallellen zijn er ook heel wat verschillen tussen de twee toneelstukken. Zo is de titelheld bij Van Merken een watergeus die veel standvastiger handelt dan Vondels Heer van Aemstel. Zij lijken wel weer op elkaar waar het de moeizame relatie met hun eega betreft: Badeloch bij Vondel, Margareta bij Van Merken. De editeurs laten zien dat De Rijk weliswaar een echte deugdheld is die door zijn edelmoedigheid standvastig blijft, tot het einde toe bereid om zijn leven te offeren voor de vrijheid, maar dat de vrouwelijke personages – Margareta en Elvire – voor de eigenlijke dynamiek binnen de handeling zorgen. Margareta is in het stuk wanhopig over het lot van haar man, die in Gent gevangen wordt gehouden, wachtend op zijn vrijlating bij een uitruil van gevangen tussen Oranje en Requesens, Spaans legeraanvoerder en landvoogd. Requesens komt zijn beloften echter niet na en De Rijk blijft in gevangenschap. Het aanbod om in Spaanse dienst te komen in ruil voor zijn vrijlating slaat hij edelmoedig af.

Elvire is de vrouw van Mondragon, een Spaanse bevelhebber die door Oranje gevangen gehouden wordt. Evenals de vrouw van De Rijk heeft zij baat bij een eerlijke uitruil van de gevangen. Terecht wijzen de editeurs erop dat Elvire een heel wat interessanter personage is dan De Rijk. Zij speelt een sleutelrol en munt evenals De Rijk uit in dapperheid en standvastigheid. Zij plaatst zichzelf aan het hoofd van een groep muiters die het bewind van Requesens ter discussie stellen. Een aspect dat de editeurs niet of nauwelijks benoemen zijn de door Kloos geroemde ‘psychologische schilderingen’ van de personages en het feit dat hun emoties niet enkel negatief gekarakteriseerd worden. Ook op dit punt is Elvire als personage heel wat interessanter dan De Rijk. Zij maakt in het stuk een emotionele ontwikkeling door en wordt zo het toonbeeld van medelijden en menselijke verbondenheid, los van persoonlijke belangen. Als haar man in vrijheid gesteld wordt, heeft Elvire geen belang meer bij de vrijlating van De Rijk. Toch blijft zij pleiten voor diens vrijheid, afgaande op haar sterke gevoel voor rechtvaardigheid, maar ook op basis van haar medelijden met De Rijk en diens echtgenote. In het eerste bedrijf komt die medemenselijkheid van het personage al aan de orde, als Elvire door het lot van Margareta bewogen wordt en zij zich als het ware oefent in medelijden, waarbij tranen (vs. 204) een uiting zijn van haar ‘eedle ziel’ (vs. 147), waarna ook Margareta en haar begeleider Hooft beginnen in te zien dat het ‘deernis’ (vs. 260) is die Elvira en Augulo (een Spaans hopman) voor hen doen opkomen.

De sentimentele aspecten van het treurspel zijn minder duidelijk uitgewerkt dan in Van Merkens bekende heldendichten of in een treurspel als Maria van Bourgondiën (1782), maar helemaal afwezig zijn zij zeker niet. Een beheersing van de hartstochten wordt in het stuk weliswaar positief geduid, maar sommige emoties hoeven niet het veld te ruimen en krijgen wel degelijk de ruimte om in het hart van de personages te woekeren. Door de sterke nadruk op empathie en medelijden zouden we het stuk kunnen beschouwen in het licht van de Duitse en Franse toneeltraditie van het burgerlijk treurspel. Voor iemand als Lessing was de menselijke vaardigheid tot meevoelen en compassie (Mitleid) belangrijker dan de stoïsche controle van de emoties die we zo vaak aantreffen bij tragische deugdhelden. Acteurs moesten dan ook in staat zijn om dergelijke ‘gewaarwordingen’ op een zo natuurlijk mogelijke wijze aan het publiek te tonen. Het invloedrijke Duitse handboek over toneelmimiek van Johann Jacob Engel schrijft bij verdrietige zwaarmoedigheid een geheel verslapt lichaam voor. Van Merken lijkt aansluiting te zoeken bij dit soort opvattingen over een meer ‘natuurlijke’ speelstijl als ze in de regieaanwijzingen bij de dramatische openingsscène van het vierde bedrijf een wanhopige Margareta beschrijft ‘zittend aan een tafel, met het hoofd rustend op een neusdoek, die zij in de linkerhand heeft, en die haar aangezicht bedekt; latend de rechterhand achteloos bij het lichaam nederhangen’ (115).

Het valt de editeurs niet kwalijk te nemen dat zij deze sentimentele kanten van het stuk onbesproken hebben gelaten. Een inleiding moet immers beknopt blijven. De geplaatste kanttekening laat wel iets zien van de veelzijdigheid van dit stuk en de aantrekkelijkheid van een auteur die, om nog eens met Kloos te spreken, zeker onze ‘meevoelende waardering’ verdient.

Kornee van der Haven

Lucretia van Merken, Jacob Simonszoon de Rijk. Ingeleid en bezorgd door Lotte Jensen & Tommie van Wanrooij. Nijmegen: Vantilt, 2019. ISBN: 9789460044373. € 16,95.

Romantisch en revolutionair, maar met mate

Sinds T.S. Eliot zijn essay ‘Tradition and the Individual Talent’ in 1919 publiceerde hebben literatuurwetenschappers zich steeds meer en soms zelfs uitsluitend op de literaire tekst geconcentreerd. In de voorbije decennia is daar heel wat context bij gekomen, maar de auteur was niet langer dé autoriteit. In Romantici en revolutionairen plaatsen Rick Honings en Lotte Jensen expliciet wél het auteurschap centraal, want ‘de auteur heeft zich de laatste decennia enigszins in de coulissen van de literatuurgeschiedenis opgehouden’ (10). Dit betekent echter geen terugkeer naar lezingen waarin de tekst gezien wordt als een illustratie van het leven van de auteur: Honings en Jensen benaderen de Nederlandse literatuur van de periode 1750 tot 1900 vanuit de positie die de schrijver ervan inneemt tegenover de maatschappij.

Hun handboek wordt gepresenteerd als een alternatief voor de literatuurgeschiedenis van de Taalunie, met name de delen over de achttiende en negentiende eeuw. Die lijvige werken worden vooral als naslagwerken beschouwd, terwijl Romantici en revolutionairen voorgesteld wordt als een ‘handzaam, toegankelijk, vlot leesbaar en rijk geïllustreerd overzicht […] van de geschiedenis van de Nederlandse literatuur van de tweede helft van de achttiende en de hele negentiende eeuw’ (8).

Daarin slaagt dit boek. Het is inderdaad handzaam: de opdeling in relatief korte hoofdstukken, met duidelijke onderverdelingen, bijpassende illustraties (logischerwijs hoofdzakelijk auteursportretten), en kleine uitstapjes in aparte gekleurde kaders nodigt onmiskenbaar uit om het boek te gaan gebruiken als lesmateriaal. Er zijn geen wijdlopige voetnoten en de bibliografische verwijzingen worden achteraan in het boek per hoofdstuk kort toegelicht. Dat maakt het geheel inderdaad toegankelijk en vlot leesbaar. Het enthousiasme van Honings en Jensen werkt aanstekelijk en nodigt de lezer uit tot verder onderzoek.

De titel van het boek is enigszins verrassend, vooral omdat romantici en revolutionairen als twee polen gepresenteerd worden. Revolutionairen zouden maatschappelijke idealen nastreven, terwijl romantici de blik naar binnen keren en gehoor geven aan hun ‘romantische vrijheidsdrang’ (8). Zo wordt de ‘verzetsdichter’ tegenover de ‘romanticus’ Willem Bilderdijk gesteld. Vaderlandsliefde en nationalisme zijn internationaal gezien echter nauw verbonden met de romantiek, en menig ‘romantisch’ dichter was behoorlijk revolutionair en maatschappelijk bewogen: de burgerlijke goegemeente werd danig op de korrel genomen door bij voorbeeld Shelley en Byron. Bovendien is het romantische gehalte van Willem Bilderdijk voer voor discussie: Honings en Jensen lijken zich aan te sluiten bij Het metafysisch grondpatroon van het romantische literaire denken, de klassieke studie van Cornelis de Deugd uit 1966, maar gaan daarbij grotendeels voorbij aan de kritische kanttekeningen van onder anderen Gert-Jan Johannes en Jan Oosterholt. Bilderdijks reactionaire politieke gedachtegoed kan overigens enkel beschouwd worden als zijn vorm van maatschappelijke betrokkenheid.

De titel Romantici en revolutionairen doet tegelijkertijd vermoeden dat Nederland in de late achttiende en de negentiende eeuw een broeihaard van maatschappelijk en cultureel-artistiek verzet was, terwijl Honings en Jensen al vroeg in het boek ruiterlijk bekennen dat Nederland ‘conservatief en burgerlijk’ was (9). Of de gemiddelde Nederlander daarin zo veel afweek van de Engelse, Franse, of Duitse bourgeois of Biedermeier valt te betwijfelen, maar de rebellie van de student-auteurs in Leiden in de jaren 1830 was wel maar een flauwe afspiegeling van hun voornamelijk Engelse voorbeelden: ze ‘konden nog geen afstand nemen van de burgerlijke samenleving en het geloof’ (9).

Het boek is onderverdeeld in drie chronologisch opgevatte delen van telkens vijf decennia, ieder deel ingeleid door een cultuurhistorische schets van de periode. In elk deel worden zeven auteurstypes in aparte hoofdstukken gepresenteerd. De nummering van deze hoofdstukken loopt echter door, over de delen heen, waardoor continuïteit gesuggereerd wordt.

Het eerste besproken type is ‘de Spectator’. De bloei van tijdschriften in de achttiende eeuw is al vaker bestudeerd, en de keuze voor de Spectator als centraal type daarin is voor de hand liggend. Opmerkelijk is wel dat het hoofdstuk niet opent met Justus van Effen (die het genre al vrij vroeg in de achttiende eeuw in Nederland introduceerde), maar wel met Petronella Moens (die pas op het eind van de eeuw actief was). De aandacht voor vrouwelijke auteurs in dit boek is opvallend, en wordt ook expliciet aangehaald en beklemtoond door Honings en Jensen. Bij elk type auteur duiken ook vrouwelijke auteurs op. Het laatste auteurstype van het boek is ‘de femininist’: zo begint het boek met de (half) brave Vriendin van ’t Vaderland Petronella Moens en eindigt het met de militante maar vrijwel vergeten roman Hilda van Suylenburg (1897) van Cécile de Jong van Beek en Donk.

Na de Spectator volgen besprekingen van de toneelschrijver, de genootschapsdichter, de politieke auteur, de romanschrijver. Hierbij lijkt het echter eerder om literaire genres dan om auteurstypes te gaan. Het deel over de tweede helft van de achttiende eeuw – waarom er een breuk zou zijn rond 1750 wordt overigens niet verduidelijkt – wordt afgesloten met ‘de sentimentalist’ en ‘de kindervriend’, twee hypes van de late achttiende eeuw.

Terwijl Rhijnvis Feith en Hieronymus van Alphen een daadwerkelijke impact op de Nederlandse literaire wereld lijken te hebben gehad, met een eigen invulling van respectievelijk het internationale sentimentalisme en kinderliteratuur, lijken de besprekingen van ‘de byroniaan’ en ‘de Nederlandse Walter Scott’ te suggereren dat de ‘romantische’ generatie van de jaren 1830 niet veel meer was dan een groep epigonen van Byron en Scott. Het is moeilijk om in de byroniaanse pose van bij voorbeeld de jonge Nicolaas Beets veel meer te lezen dan een late opstoot van puberale, maar al bij al onschuldige rebellie: hij was, in tegenstelling tot zijn grote voorbeeld, niet ‘mad, bad, and dangerous to know.’ Niet veel later zou Beets wereldberoemd in Nederland worden, maar dan als realist: in 1892 was het meest geliefde Nederlandse boek nog steeds zijn Camera Obscura (1839). Beets had ondertussen zijn byroniaanse donkere pak ingewisseld voor een dickensiaanse overjas, en het pseudoniem Hildebrand aangenomen.

In het laatste deel van Romantici en revolutionairen komt de spanning tussen maatschappelijke betrokkenheid en literaire autonomie tot haar hoogtepunt. Het deel opent met ‘de koloniale idealist’, met als ultieme exponent uiteraard Multatuli. Honings en Jensen wijzen er terecht op dat Max Havelaar geen anti-koloniaal werk is: Multatuli wijst niet het koloniale systeem af, maar wel de corruptie en de uitwassen van het systeem. Max Havelaar had een enorme impact, en Multatuli werd een celebrity avant-la-lettre. Daar hebben Honings en Jensen (terecht) veel aandacht voor. Helaas nemen ze Multatuli’s claim dat het er hem niet om te doen was ‘om goed of mooi te schrijven’ voetstoots aan (278). Daardoor blijft onderbelicht waarom Max Havelaar een belangrijk werk is voor de Nederlandse literatuur. Honings en Jensen vermelden terloops dat het boek verscheen door bemiddeling van Jacob van Lennep, omwille van ‘de grote literaire waarde van het boek (hij vond het “bliksems mooi”)’, ook al was hij bevreesd voor de politieke gevolgen (281-282). Honings en Jensen hebben meer aandacht voor die politieke gevolgen dan voor de literaire vorm, en missen zo de kans om aan te tonen wat Max Havelaar zo bliksems mooi maakt.

Veel saaier maar in de negentiende eeuw wel heel populair waren de zogenaamde dominee-dichters. Commercieel succes is echter geen garantie voor literaire kwaliteit: Honings en Jensen haasten zich dan ook eraan toe te voegen dat deze dichters ‘wel degelijk getalenteerd waren’ (298). Toch werden ze meedogenloos aangevallen door de Tachtigers, die door Honings en Jensen worden beschouwd als de meest ‘romantische’ auteurs van de hele periode. De Tachtiger bij uitstek, Willem Kloos presenteerde zichzelf als poète maudit, maar de gelijkschakeling van ‘de auteur als antimaatschappelijke outcast’ met ‘de romantische visie op het  kunstenaarschap’ (331-332) kan enkel in de nauwe visie op romantiek die Honings en Jensen naar voren schuiven en lijkt vooral een constructie te zijn om het contrast met ‘de naturalist’ aan te geven.

De auteurstypes van Honings en Jensen zijn gebaseerd op genres, literaire stromingen, en maatschappelijke thema’s, waarbij telkens vertrokken wordt vanuit de rol die de auteur zichzelf toedicht. Het gaat in Romantici en revolutionairen expliciet om de Nederlandse literatuur van deze periode: de Vlaamse letteren worden als een afzonderlijke  wereld beschouwd. Toch worden Hendrik Conscience, Guido Gezelle, Cyriel Buysse, en de gezusters Loveling kort vermeld, zij het in uitstapjes die gescheiden zijn van de hoofdtekst, waardoor zij min of meer ingepast worden in het besproken auteurstype (waarbij met name de typering van priester-dichter Gezelle als een soort katholieke variant op de protestantse dominee-dichter wat kort door de bocht is).

Het lijkt mij dat de academische lezer-onderzoeker toch vooral naar de literatuurgeschiedenis van de Taalunie zal grijpen, terwijl de handzame aanpak van Honings en Jensen eerder geknipt lijkt voor het onderwijs. Dat is immers de kracht van dit handboek: de types worden duidelijk neergezet, en openen de weg naar (vaak vergeten) schrijvers en schrijfsters, en hun werk. Op die manier wordt Romantici en revolutionairen meteen ook een pleidooi voor de bredere herwaardering van de literatuur van de achttiende en negentiende eeuw.

Christophe Madelein

Rick Honings & Lotte Jensen, Romantici en revolutionairen. Literatuur en schrijverschap in Nederland in de 18de en 19de eeuw. Amsterdam: Prometheus, 2019. ISBN: 978-90-446-3077-0. € 39,99.

Beter laat

Het is, helaas, volstrekt symptomatisch voor de verlate en gemankeerde Belgische verwerking van het kolonialisme dat het tot 2019 heeft geduurd voor er een substantiële studie verscheen over de omgang van Vlaamse literatoren met Congo. Dat ze van de hand van Luc Renders (1948) kwam, zal niet verbazen: jarenlang waren hij en Julien Vermeulen, op congressen en in tijdschriften en bundels, zowat de enigen die systematisch onderzoek presenteerden op dit gebied. Dat Renders dat deed als docent zakelijke communicatie aan de Universiteit Hasselt was al even pijnlijk symptomatisch: net als zijn onderwerp zat hij in de marge van de neerlandistiek. In Zuid-Afrika was en is zijn positie een hele andere; waar de eertijdse metropolen in sommige academische kringen tot vandaag van krommenaas gebaren waar het institutioneel racisme en blindheid betreft, is die houding in het zuiden van Afrika samen met het einde van Apartheid ontmaskerd.

Koloniseren om te beschaven. Het Nederlandstalige Congoproza van 1596 tot 1960 is deel 1 van wat een tweeluik belooft te worden. Dit deel loopt tot de Congolese onafhankelijkheid in 1960. Wie vooral geïnteresseerd is in hoe van Jef Geeraerts over Lieve Joris tot Elvis en Koen Peeters over dit onderwerp is geschreven zal dus nog even geduld moeten hebben. Koen Peeters duikt overigens al wel op; een citaat uit De mensengenezer (2017) functioneert als motto:

‘De Congoroman, dat onbenullige genre, met avonturen van paters, jagers en ambtenaren, soms kinderlijk geïllustreerd, vol koloniale daadkracht en de hooggestemde roeping. Ik vond die Congoromans vooral stereotiep en gênant fout: de vet aangezette dromen van jacht en zwarte vrouwen, in een werelddeel waar mensen en dieren nog gelukkig en wild zijn, en ja, vandaar de noodzaak van zweep, jachtkarabijn en beschaving.’

Elk goedgekozen motto zet de toon voor een boek, maar dit motto doet meer dan dat: het vat eigenlijk het hele boek samen. En het doet dat zelfs in die mate, dat veel van de bladzijden die volgen redundant gaan voelen. Renders is het dusdanig eens met de stem in Peeters’ roman dat hij die negatieve (literaire, maar vooral ook ethische) boodschap vrijwel op elke pagina herhaalt. In zijn inleiding verwijt Renders niet zonder grond zijn voorgangers Arthur Verté en Bernard Henry in hun monografie over de Vlaams-Afrikaanse letterkunde (1962) door hun kolonialistische vooringenomenheid ‘niet tot evenwichtige en consequente analyses en beoordelingen’ te zijn gekomen (15). In veel opzichten lijkt Renders’ boek een (ideologische) omkering van die oude studie. Wanneer hij negatieve contemporaine recensies vermeldt over De Nikkers (1959) van Piet van Aken – een van de zeldzame kolonialisme-kritische momenten uit zijn gigantische corpus – dan noteert hij dat er ‘[g]elukkig’ ook positieve waren (425).

Ruim een decennium geleden al plaatste Matthijs de Ridder kanttekeningen bij onderzoek dat ‘het er vooral om lijkt te gaan de “nobele” beschavingsuitgangspunten van het kolonialisme te ontmaskeren en de literaire werken in te delen op basis van de graad van kritiek die er in die boeken op het kolonialisme wordt geuit’ (De Ridder 2009: 204). Veel interessanter leek het hem om ‘een gedegen analyse te maken van het historisch-ideologische en maatschappelijke vertoog in de Congo-literatuur’ en dus bijvoorbeeld ook oog te hebben voor het functioneren van ‘de kolonie in de binnenlandse debatten’ (De Ridder 2009: 205). De Ridders artikel komt niet voor in Renders’ forse literatuurlijst. Ook een paradigmatische postkolonialismestudie als Culture and Imperialism (1993) van Edward Said ontbreekt. Dat is uitermate jammer, want Renders heeft een ongekende hoeveelheid teksten gelezen en geanalyseerd en zou dus als geen ander in staat moeten zijn om te peilen of Saids onder meer op Conrads Heart of Darkness (1902) gebaseerde these over de verwevenheid van het koloniale denken en de roman als genre ook door de Vlaamse Congoliteratuur wordt ondersteund. En indien niet: waarom niet? (Het door Renders bestudeerde corpus overschouwend valt overigens op hoe weinig ‘echte’ romans het bevat. Het gros betreft reisverhalen, memoires, brieven of nauwelijks gecamoufleerde autobiografieën.)

Voor dit type systemische vragen heeft Renders slechts in beperkte mate aandacht. Hij wijst wel op een spanning tussen het idealistische missionarisdiscours en de vragen die deze katholieke kolonisatoren hadden bij de kapitalistische exploitatie van Congo, die volgens hen bijdroeg aan de ontworteling van de lokale bevolking. Wie zich echter afvraagt hoe de Vlamingen, die zich in Congo structureel door hun Franstalige landgenoten miskend en misdeeld voelden, die ervaring wisten te rijmen met hun eigen bijdrage aan de exploitatie van een ander volk, is bij Renders aan het verkeerde adres. Meer dan een handvol verspreide zinnetjes en twee wat langere voetnoten besteedt hij niet aan de Vlaamse kwestie. Door zich, zoals de ondertitel luidt, te richten op het Nederlandstalige Congoproza van 1596 tot 1960 geeft Renders te kennen dat hij zijn net veel wijder wil uitgooien dan de louter Vlaamse literatuur, maar sluit hij dus ook ‘Vlaanderen’ en ‘België’ als centrale analytische categorieën uit, waardoor zijn boek vaak eerder als een opsomming van moraliserende boekbesprekingen leest dan als een diepgravende studie.

Niet dat die aanpak alleen maar nadelen heeft. Zijn Groot-Nederlandse focus stelt Renders in staat om het vaak als meesterwerk gekenschetste Tropenwee (1904) van Henri van Booven te bespreken, om aandacht te besteden aan een Nederlands reisverslag van Pieter van den Broecke uit 1634, de voor Congo Vrijstaat erg kritische brieven van handelsagent Anton Greshoff (oom van Jan) en de nauwelijks bekende Congoromans van Alfons Vermeulen. Dat had hij echter ook kunnen doen als zijn onderzoeksfocus wel de Vlaamse literatuur was geweest. Nu veroorlooft hij zich immers evenzeer uitstapjes naar Hergé en vooral naar de Engelstalige literatuur over Congo (Heart of Darkness en Britse en Amerikaanse teksten die een belangrijke rol hebben gespeeld in de campagne die Leopold II zou dwingen in 1908 zijn kolonie over te dragen aan België); volgens diezelfde logica had hij dus ook Van Booven c.s. kunnen behandelen en toch een scherper analytisch kader kunnen hanteren.

Want dat is dus het niveau waarop dit loodzware boek ontgoochelt. Als naslagwerk doet het dat volstrekt niet. Iedereen die met koloniale literatuur bezig is in ons taalgebied zal Koloniseren om te beschaven in de kast willen hebben. Alleen iemand die, als Renders, zijn halve leven (en misschien zelfs meer) met zulke toewijding op een onderwerp heeft gewerkt, is in staat om zo’n encyclopedische collectie en kennis op te bouwen.

Renders heeft niet alleen elke min of meer literaire prozatekst, brieveneditie of (auto)biografie met betrekking tot Congo gelezen (niet álles, overigens; onder meer een revelerend opstel van Cyriel Verschaeve en opmerkelijke journalistieke stukken van Karel van de Woestijne en Ernest Claes laat hij onvermeld), maar ook een indrukwekkende hoeveelheid academische studies waaruit hij veelal treffende en steevast naar het Nederlands vertaalde citaten presenteert. Des te opvallender is het dat sleutelpublicaties van onder meer Marc Quaghebeur en Pierre Halen over de Franstalige Congoliteratuur ontbreken. De vraag of en hoe de Vlaamse literatoren de kolonisatie anders ervaren dan hun Franstalige landgenoten blijft dus evenzeer onbeantwoord.

Overigens verwijst Renders ook slechts in geringe mate naar andere onderzoekers die op Nederlandstalig Congomateriaal werk(t)en; Frank Joostens boeklange discoursanalyse van het tijdschrift Band (1991) staat niet eens in de bibliografie, van Sarah De Mul gebruikt hij maar een van haar vele studies. De omvangrijke monografieën van Bogers & Wymeersch (1987) en Bambi Ceuppens (2003) worden een enkele keer aangehaald. Dit maakt – hoe bovengemiddeld groot Renders’ eigen verdiensten op dit vlak ook zijn – een weinig collegiale indruk.

Dat de auteur ook de dichtkunst buiten beschouwing laat is uiteraard geheel verdedigbaar. Deze beslissing past echter in zijn opmerkelijk a-literaire aanpak. Zijn bestudeerde teksten hebben veel inhoud, maar op enkele opmerkingen over vertelperspectieven na blijkbaar geen aandachtwaardige vorm. Of een tekst een jeugdroman is of een collectie missionarisbrieven lijkt niet wezenlijk uit te maken. Het gaat Renders, zoals gezegd, om de houding van de auteurs tegenover het koloniale project.

En in dat opzicht mist de redundante uitwerking van dat uitgangsput zijn effect niet: mocht het nog nodig zijn, dan bewijst de waslijst aan namen en oeuvres die Renders presenteert voor eens en voor altijd hoezeer deze literatoren doordesemd waren van het koloniale en racistische denken. Zoals hij het zelf treffend samenvat: ‘De kolonialistische literatuur vertrekt van de noodzaak tot beschaven maar bakent meteen de grenzen af waarbinnen de Congolezen zich kunnen ontplooien: de beschavingsinspanningen mogen de koloniale machtsverhoudingen niet verstoren.’ (275) Uitzonderingen op die regel als de nobele onbekenden J. Esra en René Poortmans zijn alleen al omdát ze zo uitzonderlijk zijn waard om genoemd te worden. Verdere studie naar deze auteurs is meer dan welkom. In een intellectueel klimaat waarin steeds weer wordt gezegd dat we het verleden niet mogen evalueren met hedendaagse normen lijkt het extra nuttig om een dieper inzicht te verwerven in de achtergrond en de motivaties van die schrijvers die blijkbaar honderd jaar geleden al dachten volgens ‘onze huidige morele maatstaven’ (Piet Emmer, geciteerd in: Paijmans 2018).

Geert Buelens

Luc Renders, Koloniseren om te beschaven. Het Nederlandstalige Congoproza van 1596 tot 1960. Hasselt: Gramadoelas, 2019, 495 pp. ISBN: 9789463886666. € 34.95.

Bogers & Wymeersch 1987 – K. Bogers & P. Wymeersch, De Kongo in de Vlaamse fiktie- en reisverhalen. Brussel, 1987.

Ceuppens 2003 – B. Ceuppens, Congo Made in Flanders. Koloniale Vlaamse visies op ‘blank’ en ‘zwart’ in Belgisch Congo. Gent, 2003.

Joostens 1991 – F. Joostens: ‘Schaven aan de zwarte ziel. Belgisch-Kongo gezien door het koloniale maandblad BAND (1942-1960)’. In: Restant 19 (1991) 4, p. 1-262.

Paijmans 2018 – M. Paijmans, ‘Ook in de zeventiende eeuw werd het debat over kolonialisme gesmoord’. In: overdemuur.org, 4 mei 2018.

De Ridder 2009 – M. de Ridder, ‘“Een Congoleesche werpspeer en een brok rubber, die onder ’s konings neus neergelegd waren”. Koloniale bedenkingen bij Willem Elsschot en Gaston Burssens’. In: V. Viaene, D. Van Reybrouck & B. Ceuppens (red.), Congo in België. Koloniale cultuur in de metropool. Leuven, 2009, p. 203-214.

Verthé & Henry 1962 – A. Verthé & B. Henry, Geschiedenis van de Vlaams-Afrikaanse letterkunde. Leuven, 1962.

Het grensgebied tussen de literatuur en de documentaire

De verhouding tussen fictie en werkelijkheid wordt door schrijvers en wetenschappers voortdurend onderzocht, bediscussieerd en op de proef gesteld. In sommige periodes treedt de interactie tussen beide meer op de voorgrond dan in andere. Dat geldt bijvoorbeeld voor de eerste decennia van de twintigste eeuw, waarin literaire werken nadrukkelijk in dialoog gaan met documenten uit andere genres: met oorlogsdagboeken bijvoorbeeld, en met kranten of archiefmateriaal. De literatuur raakt daardoor in die tijd niet alleen sterk verweven met de disciplines van de geschiedschrijving, de biografie of de journalistiek, zoals blijkt uit het werk van Erich Maria Remarque of George Orwell. Ook niet-tekstuele documenten komen veel prominenter naar voren dan eerder het geval was: Bertolt Brecht en Alfred Döblin spelen in hun literaire werk met genres als fotografie en film, de laatste deed dat bijvoorbeeld in zijn bekende werk Berlin Alexanderplatz (1929), waaraan in de voorliggende bundel een hoofdstuk gewijd is. De literatuur uit de periode van de avant-garde en het modernisme is dan ook bekend geworden vanwege de veelgebruikte montage- en collagetechnieken en de typografische experimenten.

De bundel Literature as document verscheen in 2019 en is een weerslag van een internationaal congres dat in 2012 plaatsvond aan de KU Leuven, waarbij ook een tentoonstelling werd ingericht over visuele cultuur in de jaren 1930. Deze twee activiteiten vormden tevens het startpunt van een vijfjarig onderzoeksproject, dat met de publicatie van deze bundel is afgesloten. De bundel bestaat uit een paar inleidende en conceptualiserende hoofdstukken en vervolgens acht gevalstudies, waarin de auteurs de relatie onderzoeken tussen één of meerdere literaire werken en de ‘documenten’ die de schrijvers van het bestudeerde werk hebben geïnspireerd. De literaire tekst geldt hierbij dus telkens als uitgangspunt, methodologisch richt deze bundel zich overwegend op tekstanalyse, waarbij de auteurs op zoek gaan naar intertekstuele en intermediale verbanden.

Het begrip ‘document’ wordt in deze bundel zeer ruim opgevat en kan op van alles betrekking hebben, zelfs op geluiden (‘soundscapes’, p. 45) en personages (‘characters as social documents’, p. 54). Die brede scope vraagt wel om de nodige theoretische reflectie en inkadering. In de inleiding onderzoeken de auteurs Carmen Van den Bergh, Sarah Bonciarelli en Anne Reverseau welke mogelijke relaties teksten en documenten met elkaar aangaan en verkennen ze het grensgebied tussen literatuur en de documentaire. Literaire teksten gelden als historische bron, schrijven ze, maar tegelijkertijd vormen fictie en werkelijkheid elkaars tegengestelde. Dat spanningsveld vormt de leidraad van de bundel. De interessante bijdrage van Remo Ceserani (‘The difference between “Document” and “Monument”’) behandelt vervolgens de historische verhouding tussen de begrippen ‘document’ en ‘monument’. Aan de hand van teksten van onder anderen Hippolyte Taine, Michel Foucault, René Wellek, Pierre Bourdieu en ook hedendaagse onderzoekers als Raffaele Donnarumma onderzoekt hij hoe de relatie tussen fictie en werkelijkheid zich in de ogen van filosofen, historici en literatuurwetenschappers ontwikkeld heeft. Ceserani stelt vast dat er in de twintigste eeuw – om met de Franse historicus Jacques Le Goff te spreken – een ‘documentarian revolution’ (p. 16) heeft plaatsgevonden, die ervoor zorgde dat non-fictie de voorkeur kreeg boven werken die aan de verbeelding waren ontsproten. Paradoxaal genoeg hebben de canoniseringsprocessen die in de negentiende eeuw waren ingezet, hieraan bijgedragen. Door constant nieuwe lijstjes te maken van (literair) erfgoed, heeft de canon gaandeweg zijn universele waarde verloren. Dit werkte het onderscheid tussen documenten en fictie, tussen werkelijkheid en verbeelding in de hand. Tegelijkertijd kan waarheidsvinding niet alleen leunen op documenten, al zijn het er honderden, zo schrijft Ceserani, want daar zijn toch altijd zowel historische bronnen als interpretatoren voor nodig. Zo houden literaire teksten en documenten elkaar voortdurend in een ijzeren greep, laat zijn hoofdstuk zien.

Verrassend is de bijdrage van Gunther Martens en Thijs Festjens, die de ‘acoustic turn’ als uitgangspunt nemen voor hun onderzoek. Ook al zijn geluiden veel minder goed gedocumenteerd in de geschiedenis, dat betekent niet dat ze in de literatuur niet terug te vinden zijn, zo schrijven de onderzoekers. De ‘acoustic turn’ had betrekking op het verwerken van (uitgeschreven) geluidseffecten in romans en was erop gericht een meer waarheidsgetrouwe weergave van de werkelijkheid te kunnen geven. Op basis van twee teksten van Ernst Jünger (Storm of steel, 1920) en Irmgard Keun (The artificial silk girl, 1932) laten Martens en Festjens zien dat de auteurs het gebruik van akoestische en literaire strategieën in hun werk combineren. In het geval van Ernst Jünger gaat het over geluiden die tijdens de Eerste Wereldoorlog te horen waren op het slagveld, waarbij tussen de regels doorlopend het besef meespeelt dat het hebben van een goed gehoor een kwestie was van leven of dood. Geeft Jüngers roman een ‘soundscape’ van oorlog, Keuns roman geeft die van de metropool Berlijn. Dit werk is volgens de onderzoekers ‘a vivid archive of anything to be heard and seen at the time’ en wordt dan ook gezien als een voorbode van de Duitse popliteratuur van de jaren 1960 en 1990.

Deze bundel lijkt op het eerste gezicht een vrijblijvend samenraapsel van bijdragen over de Westerse literatuur uit de jaren 1920 en 1930, maar dat is zeker niet het geval. Doordat alle auteurs in deze bundel een vergelijkbare methodologie hanteren, namelijk tekstanalyse, krijgt de lezer gaandeweg oog voor allerlei dwarsverbanden tussen literaire teksten en documenten die eerder verborgen bleven. Het zijn allemaal doorwrochte, intelligent geschreven studies die het spectrum van onderzoek over deze periode op een zinvolle wijze verbreden en verdiepen door aandacht te besteden aan de verhouding tussen fictie en werkelijkheid. De studies werpen bovendien een nieuwe blik op de periode van het modernisme, omdat de gekende technieken van collage en montage in deze bundel ook met andere informatiedragers dan tekst worden verbonden, zoals met beeld en geluid. De grootste winst van deze bundel is wel dat deze verrassende invalshoeken aanzetten tot het lezen en herlezen van de besproken werken.

Janneke Weijermars

Carmen Van den Bergh, Sarah Bonciarelli & Anne Reverseau (eds.), Literature as document. Generic boundaries in 1930’s Western Literature. Textxet. Studies in comparative literature, volume 90. Leiden/Boston: Brill/Rodopi, 2019. 204 p.

Nog maar weer eens over porno

In een opiniebijdrage aan het tijdschrift Internationale Neerlandistiek uit 2015 wijzen Feike Dietz en Laurens Ham op het de laatste jaren veelvuldige uitkomen van ‘publieksboeken waarin de aanstootgevende kant van de (historische) Nederlandse letterkunde werd belicht’ (Dietz & Ham 2015: 213). Als voorbeelden noemen ze onder meer Venus in minirok van Piet Calis (2010) en de bundels Pornografie in de Nederlandse literatuur (Van Driel & Honings 2012) en Schokkende boeken! (Honings, Jensen & Van Marion 2014). Dietz en Ham zien deze trend als symptomatisch voor de wijze waarop (historisch-)letterkundigen anno nu geneigd zijn hun vak te ‘verkopen’ aan een breder publiek, namelijk door een voorondersteld onjuist beeld van de Nederlandse literatuur dat dit publiek zou hebben bij te stellen, waarbij het er vooral om gaat ‘een onvermoede kant van de (oudere) letterkunde’ te laten zien (Dietz & Ham 2015: 219).

Bij het lezen van de bundel Gewaagde geschriften. Interacties tussen pornografie en literatuur in Vlaanderen en Nederland (2019), uitgekomen in de reeks ‘Studies over experimentele literatuur’ van het gelijknamige Gents-Brusselse onderzoekscentrum, moest ik regelmatig aan het artikel van Dietz en Ham denken. Ook deze uitgave, onder redactie van Karen Van Hove en Bart Vervaeck, lijkt zich namelijk te plaatsen binnen bovengenoemde trend ‘om een breed publiek te laten zien hoe “schokkend” en pikant Nederlandse literatuur kan zijn’ (Dietz & Ham 2015: 213), al is dat brede hier misschien minder evident, gezien de relatief sterke focus op de close reading van literaire teksten en het algehele karakter van de reeks waar Gewaagde geschriften deel van uitmaakt. Niettemin is de premisse van deze studie wel degelijk dat pornografie en (hoge) literatuur in beginsel onverenigbaar zijn en dat het bespreken van die twee in combinatie met elkaar derhalve vernieuwend, misschien zelfs gewaagd is. Dit blijkt uit de titel van de bundel en uit het feit dat Van Hove en Vervaeck in hun inleiding stellen dat ‘de nevenschikking van “literatuur” en “pornografie” geenszins voor de hand [ligt]. […] Geschreven pornografie wordt doorgaans beschouwd als een vorm van pulp- of sensatieliteratuur, en wordt dus tot de “lage” pool van de culturele productie gerekend.’ (4)

Met die laatste beweringen is op zichzelf weinig mis, natuurlijk. Toch riep dat benadrukken van zowel het ‘onliteraire’ als het gewaagde van pornografie bij mij enige wrevel op. Wordt de tegenstelling tussen hoge en lage cultuur, ‘echte’ literatuur en pulp, niet al sinds de jaren tachtig driftig bevraagd en gedeconstrueerd door onderzoekers? En bestaat er bijgevolg inmiddels geen eerbiedwaardige traditie van studies naar die vermeende pulp, waaronder pornografie? Is het, met andere woorden, nu niet eens tijd om afscheid te nemen van sleetse labels als ‘gewaagd’, ‘schokkend’ en ‘pikant’? Wat mij betreft zijn die net iets te vaak gebruikt om ons vak op een wat geforceerde manier spannend te doen overkomen. Bovendien wordt hierdoor, ironisch genoeg, het al heersende Calimero-complex van de neerlandistiek alleen maar versterkt. Alsof we slechts bestaansrecht hebben zolang we het publiek weten te choqueren of verrassen. Alsof het veelvuldige voorkomen van seks of andere ‘gewaagdheden’ het enige is dat de Nederlandse literatuur het bestuderen waard maakt.

Ik wil met dit alles geenszins beweren dat een bundel over pornografische literatuur binnen het huidige onderzoekslandschap per definitie overbodig of oninteressant is. In Gewaagde geschriften staat de twintigste-eeuwse pornografische en semi-pornografische literatuur binnen het Nederlandse taalgebied centraal. Daarmee onderscheidt de bundel zich van de meeste andere titels in dit genre, die het accent eerder op de periode vóór 1900 leggen. Een tweede, eveneens onderscheidende focus is die op experimentele literatuur, verklaarbaar vanuit de reeks waarbinnen deze uitgave is verschenen en de expertise van de redacteurs. Er valt, kortom, nog voldoende nieuws te leren.

Vooral de Vlaamse auteur C.C. Krijgelmans krijgt veel aandacht. Hij is, in de woorden van Van Hove en Vervaeck, ‘in de kwestie van pornografie en literatuur een schakel- en scharnierfiguur […] hij is tegelijk een experimenteel, neo-avant-gardistisch auteur en een pornograaf.’ (7) Twee artikelen, van Evelien Neven en Karen Van Hove, zijn aan hem gewijd. In beide staat de spanning tussen Krijgelmans als vormvernieuwer en als producent van plat vermaak centraal. Daarnaast bevat Gewaagde geschriften ook nog een voorpublicatie van een nooit-uitgegeven tekst van Krijgelmans die binnenkort bij uitgeverij Het balanseer zal verschijnen, met een inleiding van uitgever Kris Latoir. Deze vier bijdragen vormen zowel inhoudelijk als structureel het hart van de bundel.

Hieromheen vinden we enkele meer cultuurhistorisch getinte bijdragen aan de voorzijde, en een aantal close readings van individuele literaire teksten aan de achterkant. Globaal wordt daarbij een chronologische lijn gevolgd, te beginnen met een nogal beschrijvend artikel van Bert Sliggers, over Tweede Wereldoorlog-porno in een aantal romans en strips uit de jaren vijftig en zestig – compleet met kampbeulen als sm-meesters – en eindigend met een fraaie diepteanalyse van de rol van het pornografische in de ‘roman in verhalen’ Als op de eerste dag (2001) van Stefan Hertmans, van de hand van Bart Vervaeck.

De kwaliteit van de artikelen is wisselend. Sommige, zoals dat van Vervaeck, maar bijvoorbeeld ook de bijdrage van Siebe Bluijs en Bram Ieven over de betekenis van pornografie in het befaamde gedicht N30 (2011) van Jeroen Mettes, bieden relevante nieuwe inzichten aangaande de functie en doorwerking van het pornografische in de hedendaagse Nederlandse literatuur en vormen zo een bruikbaar referentiepunt voor toekomstig onderzoek. Andere teksten missen scherpte. Dat geldt voor het artikel van Sliggers, maar sterker nog voor dat van Gert Hekma. Diens bijdrage neigt teveel naar het verongelijkte en pamflettistische om echt te overtuigen, hoewel hij een relevante kwestie op tafel legt, namelijk dat het label ‘pornografisch’ in de recente geschiedenis maar al te vaak is ingezet om afwijkende vormen van seksualiteit, zoals homofilie, te onderdrukken.

Voorts bevat Gewaagde geschriften een viertal artikelen dat geschreven is door jonge onderzoekers van de Katholieke Universiteit Leuven. Naast de al genoemde Karen Van Hove en Evelien Neven leverden ook Bram Lambrecht en Thomas Pierrart een bijdrage. Hun teksten zijn stuk voor stuk helder en degelijk, al ogen ze soms ook wel wat schools. Tenslotte is er dan nog een tamelijk vrijblijvend relaas van de voormalige ‘pornokoning’ Peter J. Muller, die herinneringen ophaalt aan zijn tijd als uitgever van het pornoblad Candy.

Al met al leidt deze bundel aan een euvel waaraan wel meer wetenschappelijke bundels leiden: een gebrek aan samenhang. Als geheel ontbeert Gewaagde geschriften een conceptuele rode draad die stevig genoeg is om de losse bijdragen samen te binden en als overkoepelend programma te dienen. Wat rest zijn een aantal goede artikelen, met regelmatig prikkelende interpretaties van bekende en minder bekende primaire werken, die een relevante aanvulling vormen op wat we al wisten over de rol en betekenis van pornografie binnen de Nederlandse letteren.

Ivo Nieuwenhuis

Karen Van Hove en Bart Vervaeck (red.), Gewaagde geschriften. Interacties tussen pornografie en literatuur in Vlaanderen en Nederland. Gent: Academia Press, 2019. Studies over experimentele literatuur 12. 218 pp. ISBN: 9789401459259. € 34,99

Calis 2010 – P. Calis, Venus in minirok. Seks in de literatuur na 1945. Amsterdam: Meulenhoff, 2010.

Dietz & Ham 2015 – F. Dietz & L. Ham, ‘De verleiding van de lezer. Wetenschapscommunicatie over oudere Nederlandse letterkunde’. In: Internationale neerlandistiek 53 (2015) 3, p. 213-227.

Van Driel & Honings 2012 – J. van Driel & R. Honings (red.), Pornografie in de Nederlandse literatuur. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2012.

Honings, Jensen & Van Marion 2014 – R. Honings, L. Jensen & O. van Marion (red.), Schokkende boeken! Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2014.

 

Luceberts postume schandaal

De openbaring in de biografie van Wim Hazeu van een reeks brieven die Lucebert (toen nog Bertus Swaanswijk) in 1943-44 op negentienjarige leeftijd schreef aan jeugdvriendin Tiny Koppijn bracht in 2018 een golf van geschokte reacties teweeg in de Nederlandse literaire wereld. In de brieven gaf Swaanswijk uiting aan nazisympathie, liet hij allerhande antisemitische oprispingen de vrije loop en ondertekende hij soms met ‘Heil Hitler.’ Het leidde tot een lange reeks van artikelen, brieven en debatten in onder andere de NRC, De Groene Amsterdammer en Buitenhof, waarin de dichter gepassioneerd werd verketterd, dan wel werd verdedigd of waarin genuanceerd werd gesteld dat we werk van auteur dienen te onderscheiden. De bundel Door de schaduwen bestormd biedt zowel een reeks van reflecties op de onthullingen zelf, als ook een reactie op de controverse in de media, en vormt een getuigenis van de impact die beiden hadden op een groep jonge, bevriende literatuurwetenschappers en neerlandici uit (voornamelijk) Leiden. Centraal is de vraag, gesteld door Tommy van Avermaete (met Yi Fong Au de redacteur van de bundel), in een van de eerste brieven: wat moeten ‘wij’ – hedendaagse Lucebertlezers – nu met deze kennis doen? Hoe moeten we hem vanaf nu lezen?

Het project begon als een kettingbrief, geschreven allereerst door Andrew Ricca (de enige brief in het Engels), waarop Tommy van Avermaete en Jessie de Geus reageerden, gevolgd door onder andere Esther Edelmann, Nike van Helden en Thalia Ostendorf. Deze brieven, geschreven tussen maart 2018 en januari 2019, waren expliciet gericht aan lezers die elkaar kenden (elke volgende brief kent een langere aanhef totdat de dertiende en laatste opent met ‘Beste Andrew, Tommy, Jessie, Tessa, Frans-Willem, Esther, Marijke, Nike, Hubertus, Lieke, Bram en Thalia’). De brieven werden direct geplaatst in het online tijdschrift SKUT en worden in deze bundel integraal weergegeven en aangevuld met nieuwe essays van o.a. Sander Bax, Piet Gerbrandy, Cyrille Offermans en Elsbeth Etty, een reeks van reproducties van tekeningen van Lucebert, en een nieuw interview met Wim Hazeu waarin hij gevraagd wordt terug te kijken op de affaire.

Het meest levendige gedeelte van de bundel is de 103 pagina’s tellende kettingbrief, die, zoals het een brief die circuleert onder vrienden betaamt, vooral zoekend, vragend en aftastend is. Elke brief begint bijna verontschuldigend met de vraag naar de juiste toon waarop dit debat gevoerd kan worden en een expliciet verlangen om, zoals Jessie de Geus het stelt, te ontkomen aan de beperkte keuzemogelijkheden die de media-discussie steeds weer lijkt te presenteren. Lucebert wordt ofwel gezien als ‘halve oorlogsmisdadiger’, of zijn antisemitische uitlatingen worden gezien als het product van een ‘jeugdzonde, een vergissing waarbij hij uiteindelijk niemand echt in gevaar heeft gebracht’. (27) Daarnaast reflecteren de meeste brieven op de controverse zelf, en de huidige mediasituatie waarin deze uitgespeeld wordt. Zo neemt Frans-Willem Korsten afstand van de ‘afrekencultuur’ en de verleidelijkheid van het mediagenieke spektakel waarin een Literaire Held van zijn voetstuk wordt getrokken (37), terwijl Tessa de Zeeuw constateert dat de meningen die op twitter samenkoekten rond de hashtag #Lucebert overwegend de dichter ‘verdedigen’ tegen de ‘aanval’ van zogenaamde ‘fatsoensrakkers.’

De Zeeuw stelt daarbij de vraag of deze defensieve houding, waarbij de twitteraars zich vooral lijken te identificeren met de dichter, niet ook het product is van de mediale ruimte (Twitter) waarin de discussie gevoerd wordt, die een specifieke vorm van spreken afdwingt. ‘Misschien moeten we zoeken naar een manier om over het vraagstuk te praten zonder dat we verlangen naar antwoorden,’ stelt ze. ‘Maar de vraag is in wat voor soort ruimte, of in wat voor vorm kan zo’n gesprek plaatsvinden? In welke vorm kunnen “lezen” en “denken” naast diepgang en complexiteit ook een noodzakelijke openheid behouden?’ (34). Het schrijven van een kettingbrief, die semi-openbaar circuleert onder vrienden, zo stelt De Zeeuw, is een poging om een alternatieve ‘ruimte’ te creëren, ‘omdat die als keten per definitie de individuele auteurs ontstijgt en potentieel zonder einde of conclusie is…’ (35).

Deze brieven worden aangevuld met een reeks van essays waarin verschillende onderwerpen, aangesneden door de brieven, worden uitgediept. Sommigen daarvan (zoals die van Offermans en Beurskens) gaan op een kritische manier in op de biografie van Hazeu. Elsbeth Etty verwijt Hazeu bijvoorbeeld dat de ontoegankelijkheid van de volledige correspondentie tussen Swaanswijk en Koppijn, en Hazeu’s gebrekkige notenapparaat en onvolledige verantwoording het voor andere lezers onmogelijk heeft gemaakt om zijn uitspraken te controleren en de brieven in hun juiste context te lezen, waardoor een afgewogen oordeel onmogelijk is geworden. Dit lijkt me een vanuit wetenschappelijk oogpunt valide kritiek. In het interview reageert Hazeu (die vooraf had aangegeven niet met Etty in debat te willen) kortweg dat pragmatische overwegingen, zoals afspraken met de eigenaar van de correspondentie, een dergelijke openheid onmogelijk maakt. Ook dat lijkt me een valide punt.

Interessanter dan deze discussie vond ik de essays die het latere werk van Lucebert proberen te herlezen op een manier die programmatisch verwoord wordt door Sven Schaepkens, die oproept om de brieven van de jonge Swaanswijk te interpreteren met behulp van de gedichten van Lucebert (en andersom) waardoor ‘een wisselwerking tussen heden en verleden [ontstaat] waardoor ze elkaar wederkerig openbreken.’ (111) Een prachtig voorbeeld daarvan is het essay van Sander Bax, waarin hij de brieven van Swaanswijk leest aan de hand van Klaus Theweleits analyse van de correspondentie van de Duitse leden van de proto-fascistische Vrijkorps, die gedreven worden door angsten voor lichamelijkheid, besmettingen, en angst voor modder, slijm, stront, ‘vloeibare en smerige elementen die zich voordoen aan of in nabijheid van het eigen lichaam’ (125), en masculiene fantasieën over ‘harde’ collectieve lichamen van het leger en de geïdealiseerde natie – angsten, beelden en fantasieën die ook terug te vinden zijn in Swaanswijk’s brieven. Bax stelt daarna de vraag of het latere werk van Lucebert, en zijn fascinatie met wat Cyrille Offermans ‘de vlek’ noemt – ‘een vormloos worden, desintegreren, verpulveren, vergaan tot stof, aarde, modder, walm, lucht’ – niet begrepen moet worden als een reactie, juist op het cluster van fantasieën uit zijn jeugd (144-145).

Siebe Bluijs maakt een vergelijkbaar gebaar, als hij in het relatief obscure Lucebert-hoorspel De perfecte misdaad (1955) een specifieke reflectie ziet op zijn vrijwillige dienstneming in de Duitse wapenindustrie, terwijl Niels Molenkamp voorstelt om juist het hardnekkige latere zwijgen van Lucebert te zien als een paradoxale getuigenis van zijn oorlogsverleden. In een essay dat geïnspireerd is door de essay van Shoshana Felman over het zwijgen van literatuurwetenschapper Paul de Man over zijn oorlogsverleden uit haar boek Testimony (1992), laat Molenkamp zien dat de preoccupatie met ‘zwijgen’ en het ‘onuitspreekbare’ (centrale motieven in een aantal gedichten van Lucebert) als het ware een poëtische verklaring bieden voor de verantwoording die de dichter zelf nooit expliciet aflegde. Luceberts zwijgen wordt daardoor leesbaar als en getuigenis van het ‘onverantwoordbare’ van zijn jeugdbrieven, en een poging het veroordelende ‘geklets’ te doorbreken dat het verleden juist op afstand plaatst, en daardoor onzichtbaar maakt hoe het heden vervlochten is met het verleden.

De oproep in de kettingbrief om het oordeel op te schorten heeft in de beste gevallen (Bax, Bluijs, Molenkamp) geleid tot interpretaties die inspirerend en origineel zijn en die uitnodigen om het werk van Lucebert opnieuw te lezen. De ‘zaak’ Lucebert zal daar natuurlijk niet mee gesloten worden, en ik kan me voorstellen dat dit niet voor alle lezers bevredigend zal zijn. De essays van Shoshana Felman en Jacques Derrida over Paul de Man’s oorlogsverleden werden in de jaren negentig ook gezien weigeringen van de auteurs om zich kritisch uit te spreken over de Belgische literatuurwetenschapper, en zelfs als symptomen van de onmogelijkheid van (deconstructieve en psychoanalytische) literatuurtheorie om überhaupt politiek stelling te nemen.

En, om eerlijk te zijn, ook voor mij (bewonderaar van Lucebert maar geen fanboy) blijft na lezing van de vele citaten uit de brieven een ‘smaakje’ aan het werk Lucebert kleven dat niet geheel wordt weggespoeld door de essays. Ik ben bang dat het oproepen van de ‘Boreale’ mythologie door Thierry Baudet na zijn verkiezingsoverwinning in maart 2019 aantoonde dat de fantasieën over een zuivere Europese cultuur, waar ook Swaanswijk van droomde, helaas wat minder gedateerd zijn dan velen hoopten. Hierdoor is het misschien, anno 2019, wel degelijk nodig om wat explicieter te breken met het giftige cluster van fantasieën dat ook Swaanswijk besmette – zij het in andere ‘ruimtes’ dan die van de kettingbrief. Zoals Bram Ieven stelt in zijn brief: literatuur is een terrein van complexiteit, het ‘rukt de ene na de andere grond onder onze voeten weg’ (83), en laat ons achter zonder moreel kompas – terwijl een politiek engagement altijd roept om een beslissing, een oordeel en een uitspraak. ‘Dat is engagement volgens mij,’ schrijft Ieven, ‘doordrongen zijn van complexiteit en toch handelen.’ En ondanks de openheid van het boek, miste ik op momenten ook een oordeel, een beslissing, een geëngageerde uitspraak.

Desondanks is dit een bundel die inspireert, vragen stelt en in zijn genuanceerdheid de lezer uitnodigt om haar eigen brief over Lucebert aan deze keten toe te voegen. Het laat daardoor op voorbeeldige wijze zien dat een discussie over literatuur nog steeds de kracht heeft om een ruimte te openen waarin gezocht kan worden naar complexiteit en gesproken kan worden op een toon die afwijkt van de beperkingen die de (sociale) media opleggen. Het feit dat dit gesprek me bovendien terugbracht bij Lucebert (na lezing trok ik de bundels weer uit de kast) laat bovendien zien dat een door het heden geïnspireerde discussie nodig is om een literair werk in leven te houden. Zoals Lieke Smits stelt (op p. 79): een literair werk is het product van een historische context, maar het overstijgt deze altijd na publicatie. Elke literaire tekst is als een gevonden brief (of een online gepubliceerde kettingbrief). Het spreekt tot meer lezers dan de expliciet geadresseerden en belandt steeds (met een plof) in een nieuwe context, waardoor de golven van emoties, gedachten en reacties die het oproept het ook weer nieuw leven inblazen.  Je zou – kortom – elke dichter haar eigen postume schandaal toewensen.

Yasco Horsman

Yi Fong Au & Tommy van Avermaete, Door de schaduwen bestormd. Reflecties op de controverse rond de oorlogsjaren van Lucebert. Zaandam: Uitgeverij Oevers, 2019. 316 pp. ISBN: 978 94 920 6826 2. €19,95.

Literatuurwetenschap in het mediatijdperk

Een aloud advies uit de wereld van de mediatraining dat nog steeds zijn waarde heeft, luidt: houd het kort maar krachtig. Laat ik daarom gelijk beginnen met te zeggen dat de nieuwe studie van Sander Bax, De literatuur draait door. De schrijver in het mediatijdperk, een heel goed boek is. Het is toegankelijk geschreven, loopt over van aansprekende voorbeelden en getuigt van een breed overzicht op recente ontwikkelingen in het literatuuronderzoek. Het startpunt van De literatuur draait door is even dwars als verfrissend: Bax gaat niet ‘terug naar de tekst’, maar richt zich juist op de beeldvorming rondom literatuur op televisie. Daarmee past zijn studie in een rijtje van recente publicaties op het gebied van ‘populaire literaire cultuur’, zoals Jim Collins’ Bring on the Books for Everybody (2010) of Beth Driscolls The New Literary Middlebrow (2014).

De analyse van Bax concentreert zich op veelbesproken mediagebeurtenissen die literatuurliefhebbers bekend zullen voorkomen, zoals de discussie tussen Saskia Noort en Connie Palmen bij De Wereld Draait Door in 2009 (naar aanleiding van Palmens uitspraak dat literaire thrillerschrijvers ‘nietsnutten in het land van de literatuur’ zouden zijn), de enorme media-aandacht voor romans als A.F.Th. van der Heijdens Tonio (2011) en Abdelkader Benali’s Bad Boy (2013), of de confrontatie – weer onder toeziend oog van Matthijs van Nieuwkerk – tussen bestsellerschrijver Herman Koch en literair criticus Arnold Heumakers naar aanleiding van diens kritiek op Het diner (2009). Het is verleidelijk om zulke televisiemomenten af te doen als de waan van de dag: media-relletjes die je gezien moet hebben, maar die een week later alweer zijn vergeten. Bax tilt ze echter boven dat niveau uit: hij neemt ze serieus als publieke botsingen tussen ‘twee manieren van spreken over literatuur’ (15), namelijk enerzijds het klassieke, twintigste-eeuwse (modernistische of autonomistische) vertoog over literatuur als een belangeloze, bovenpersoonlijke, transhistorische kunstvorm, en anderzijds een hedendaags mediavertoog, waarin alles draait om succes, het persoonlijke verhaal en het nieuws van de dag.

Bax brengt de verschillende ‘discursieve regels’ van die mediaberichtgeving over literatuur helder in kaart. Hij betoogt dat er drie hoofdregels zijn. Ten eerste wordt in de mediacultuur groot belang gehecht aan succes (in termen van oplage, winst of publieke impact) (17-18). De tweede regel is dat in de mediacultuur het ‘echte’, het ‘intieme’ of ‘waargebeurde’ hoog wordt gewaardeerd: journalisten en presentatoren zijn vooral geïnteresseerd in de mens ‘achter’ de schrijver en het biografische gehalte van literaire werken (18). De derde regel stelt dat het gesprek in de media over de literatuur ook altijd over de actualiteit moet gaan (19). Bax stelt vast dat deze drie regels zich moeilijk laten rijmen met de klassiek-modernistische opvatting van literatuur.

Uit De literatuur draait door blijkt keer op keer weer hoe schrijvers van nu zich naar deze regels (moeten) voegen, maar daar ook publiekelijk mee worstelen. Zo beschrijft Bax hoe er rond Herman Koch – in lijn met de eerste mediawet – een succesmythe is gecreëerd, waaraan zowel de uitgever, de media als de schrijver zelf hebben bijgedragen. Journalisten raken maar niet uitgepraat over het enorme internationale succes van Koch; de schrijver zelf presenteert zich in interviews als een popster, die al toerend de hele wereld afreist. Ook distantieert hij zich nadrukkelijk van collega-schrijvers die succes bij het grote publiek zien als een teken van gebrekkige literaire kwaliteit. Bax wijst er fijntjes op dat Koch zich op andere momenten evengoed bedient van deze laatste logica. Wanneer critici hem indelen bij succesauteurs als Robert Vuijsje of Kluun, benadrukt Koch namelijk in interviews dat hij geen ‘leeghoofdig entertainment’ levert en dat ‘de literaire verschillen met zulke schrijvers [groter zijn] dan de overeenkomst door het bestsellerschap’ (79). De worsteling van auteurs met de tweede regel van de mediacultuur, die de aandacht doet uitgaan naar het ‘echte’ of ‘waargebeurde’, wordt treffend geïllustreerd aan de hand van Benali’s Bad Boy. Deze roman over de publieke val van een beroemde Marokkaanse kickbokser is gemodelleerd naar de in opspraak geraakte vechtsporter Badr Hari. Benali neemt dus stelling in de meningenstorm rondom Hari, maar doet dat op een literaire, fictionele manier: hij zet een alternatieve geschiedenis neer. Benali’s interventie in het publieke debat blijkt succesvol, in die zin dat de schrijver in televisieprogramma’s als ‘Hari-expert’ mag aanschuiven. Tegelijkertijd maakt Bax aannemelijk dat Benali een alternatief biedt voor het standaardbeeld van Hari als doorgeslagen vechtmonster, door van hem in zijn roman een meer gelaagde, complexere figuur te maken. Die boodschap is echter aan dovemansoren gericht: aan de talkshowtafel wordt het hoofdpersonage van Bad Boy onmiddellijk weer één-op-één gelijk gesteld aan Hari. Het zijn deze worstelingen van schrijvers met de medialogica die het fraaist laten zien hoe de mediatisering van de literatuur, inderdaad, doordraait.

Zijn er dan geen kritische kanttekeningen te plaatsen bij De literatuur draait door? Natuurlijk wel: eigen aan pionierswerk is nu eenmaal dat allerlei aspecten van het fenomeen dat centraal wordt gesteld, onbenoemd, onderbelicht en onuitgewerkt blijven. Laat ik drie van die aspecten uitlichten, als aanzet tot een nadere discussie over de aannames die we mogen doen bij het onderzoek naar de mediatisering van literatuur.

Ten eerste benadert Bax ‘de media’ als een homogene categorie. Zijn doel is immers om ‘de wetten van de mediacultuur’ (19) te beschrijven. Het gebruik van dat essentialistisch aandoende ‘de’ is meer dan alleen maar een stilistische keuze, want Bax stelt dat ‘verschillende media’, nuanceverschillen ten spijt, ‘vrijwel dezelfde discursieve regels hanteren’ (21-22). Hij zegt dan ook principieel geen onderscheid te willen maken tussen bronnen als VPRO Boeken en RTL Late Night, of tussen ‘bladen als de viva en Libelle’ aan de ene kant en ‘“highbrow”-kranten als NRC Handelsblad en de Volkskrant’ aan de andere kant. Maar in de praktijk maakt Bax toch opvallende keuzes: er is ruimschoots aandacht voor De Wereld Draait Door en Pauw & Witteman, maar niet of nauwelijks voor VPRO Boeken of Zomergasten; er wordt veel geciteerd uit de Volkskrant en NRC Handelsblad, maar nooit uit de viva. Wanneer Bax dus uitspraken doet over ‘de media’ extrapoleert hij de resultaten van zijn onderzoek naar een specifiek soort mediaboodschappen – voornamelijk landelijke kranten en populaire, (quasi)commerciële prime time-talkshows – naar allerlei andersoortige tijdschriften, televisieprogramma’s en zelfs sociale media (cf. 22). Ik betwijfel of dat zomaar kan. Daar komt bij dat Bax ‘de media’ soms in sterk normatieve bewoordingen kenmerkt. Zo stelt hij bijvoorbeeld vast dat media ‘mensen tot clichématige personages’ maken en verhaalt hij over een auteur die ‘in het web van de televisie gevangen’ (41) wordt. Door deze typeringen van de media als oppervlakkig en misleidend schemert een opvallend modernistische cultuuropvatting. Dat werpt de vraag op hoe een niet-modernistische geschiedenis van de populaire literaire cultuur, met oog voor de subversieve en emancipatoire kracht van media, eruit zou zien.

Een tweede opvallend uitgangspunt van De literatuur draait door is dat mediaboodschappen door verschillende publieken hetzelfde worden ervaren. Bax’ lezing van de discussie in De Wereld Draait Door tussen Noort en Palmen, over de vraag of literaire thrillers nu literatuur zijn of niet, is daar een goed voorbeeld van. Bax beargumenteert dat het twistgesprek kan worden geduid als een botsing tussen twee discursieve regimes en stelt vervolgens vast dat het debat uitmondt in ‘een onafwendbare medianederlaag’ voor Palmen (14). Het blijft echter onduidelijk in hoeverre die conclusie recht doet aan de complexiteit van het proces van ‘audience decoding’, zoals Stuart Hall zou zeggen. Zeker, sommige televisiekijkers zullen Palmen hebben gezien als een snobistische zeur die anderen haar persoonlijke opvattingen over literatuur wilde opleggen. Maar ik vermoed dat er ook kijkers zullen zijn geweest die het gesprek zullen hebben ervaren als een confrontatie tussen een erudiete schrijfster van ‘echte’ romans en een anti-intellectualistische televisiecultuur waarin alles dat zich niet in sound bites laat vangen wordt afgedaan als elitaire prietpraat. Voor die kijkers zal de discussie vooral hebben bevestigd dat Palmen een schrijfster is van een andere, hogere categorie dan Noort.

Een derde aanname die aanleiding geeft tot discussie is dat de mediatisering van literatuur vooral eenrichtingsverkeer zou zijn, dat wil zeggen: Bax onderzoekt voornamelijk hoe de klassiek-modernistische literaire cultuur – belichaamd door de fulltime romanschrijver (Benali, Palmen, Pfeijffer, Van der Heijden…) – zich ‘ent’ op de televisiecultuur. Maar hoe het zit met het verkeer de andere kant op, met de ‘literarisering van de mediawereld’? De mediacultuur geeft immers ook voeding aan een literaire creativiteit die ‘homegrown’ is; denk aan de romaneske aspiraties van publieke figuren zoals Arie Boomsma, Thierry Baudet, Thé Lau en Pepijn Lanen, of aan de vele televisiepersoonlijkheden of vloggers die hun memoires besluiten uit te geven in boekvorm. Willen we een goed beeld krijgen van de populaire literaire cultuur die Bax met zijn boek op de agenda heeft gezet, dan zullen we ook deze vorm van creatieve productie in beeld moeten brengen.

Maar nogmaals: dat De literatuur draait door aanleiding geeft tot deze vragen demonstreert alleen maar hoe geslaagd deze studie is. Het boek, dat niemand met interesse in hedendaagse Nederlandse literatuur ongelezen mag laten, laat zien wat de literatuurwetenschapper in het mediatijdperk vermag. Ik kijk nu al uit naar De literatuur draait door. The sequel.

Gaston Franssen

Sander Bax, De literatuur draait door. De schrijver in het mediatijdperk. Amsterdam: Prometheus, 2019. ISBN: 978 90 446 4028 1. € 25,-.