Aspecten van culturele transfer

Het boek Doing Double Dutch is het product voortkomend uit het project codl (Circulation of Dutch Literature) gefinancierd door nwo. Het project heeft als doel de circulatie van dertien canonieke Nederlandstalige teksten uit de Middeleeuwen tot het heden binnen en buiten het Nederlandse taalgebied te analyseren. Er wordt gekeken naar de vertalingen en de adaptaties van deze teksten in brede zin in het kader van cultural transfer research.

Het boek bestaat uit 17 hoofdstukken geschreven door verschillende internationale onderzoekers verbonden aan het codl-project. Het boek is in twee delen ingedeeld, waarbij in het eerste deel theoretische en methodologische aspecten van het onderzoek naar de verspreiding van Nederlandstalige literatuur aan bod komen en het tweede deel de case studies van specifieke literaire werken behandelt. Het eerste gedeelte is bedoeld als achtergrond voor de daaropvolgende case studies in het tweede gedeelte. De case studies behandelen de volgende literaire werken: teksten van Hadewijch in het Franstalige gebied, Elckerlijc in Hongarije, Vondels Lucifer in Duitsland, Indonesië en Zuid-Afrika respectievelijk Polen, Wolff & Dekens De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart, Consciences De Leeuw van Vlaanderen in het Duitstalige gebied, Couperus’ De stille kracht in het Engelstalige gebied, Elsschots Kaas in het Engels, Russisch respectievelijk in het Tsjechisch, Hermans’ De donkere kamer van Damokles in Duitsland, Noorwegen en Zweden, Verhulsts De helaasheid der dingen onder andere in het Japans, Koreaans en Italiaans. In het laatste hoofdstuk (soms ook in andere bijdragen van het boek) worden meerdere teksten besproken zoals Max Havelaar en De stille kracht.

Het eerste deel van het boek begint met het hoofdstuk ‘Studying the circulation of Dutch Literature’. Hierin worden de belangrijkste theoretische aspecten van culturele transfer helder behandeld. De in deze bijdrage behandelde aspecten spelen vervolgens een doorslaggevende rol bij de analyses in de case studies, die soms minder theoretisch van aard zijn. Bij onderzoek naar circulatie van cultuur, in dit geval van literatuur naar andere taalgebieden, moeten meerdere factoren in beschouwing worden genomen, zoals de verschillende bemiddelaars die hierbij een invloedrijke functie hebben, bijvoorbeeld vertalers, critici, uitgeverijen, literair agenten, letterenfondsen etc. die onderling ook contact hebben. Hoe deze netwerken gekoppeld kunnen worden aan macht, globalisatie maar ook aan nationale instellingen wordt goed beschreven in het eerste hoofdstuk. Het is soms echter niet duidelijk waarom bepaalde hoofdstukken in het gedeelte over theoretische en methodologische aspecten geplaatst zijn en niet bij de case studies. Het hoofdstuk ‘Cultural Mediators in Cultural History’ geeft een interessant perspectief op de rol van Franstalige en Nederlandstalige bemiddelaars van literatuur in België, maar tegelijkertijd is het een case study die niet wezenlijk verschilt van het hoofdstuk bij de case studies over bemiddelaars van Nederlandstalige literatuur in het Tsjechische taalgebied.

In de case studies komen spannende aspecten van culturele transfer naar boven waarbij duidelijk is dat culturele producten of literatuur niet slechts van land A naar land B worden verspreid. Het is een proces dat bi-directioneel of multi-directioneel kan zijn, zoals bijvoorbeeld blijkt in het hoofdstuk over Elckerlijc in Hongarije waar de lange reis van deze tekst wordt beschreven. De geschiedenis van Elckerlijc in Hongarije begint met de opvoering van het toneelstuk Jedermann in het Duits in Boedapest in het begin van de vorige eeuw, gebaseerd op de Engelse Everyman die in het verleden werd gezien als de originele tekst maar een brontekstgerichte vertaling is van de Middelnederlandse Elckerlijc. Nu uit onderzoek blijkt dat Elckerlijc de originele tekst is, is de cirkel rond als er een rechtstreekse vertaling van de Middelnederlandse Elckerlijc naar het Hongaars komt. In andere bijdragen in het boek wordt de receptie van Nederlandstalige literatuur behandeld en de vraag hoe contextuele factoren de receptie beïnvloeden, zoals in het geval van De donkere kamer van Damokles, waarbij critici in Duitsland, Noorwegen en Zweden het thema in de roman van Hermans verschillend interpreteren vanwege het uiteenlopende perspectief op de Tweede Wereldoorlog in deze drie landen. In de case studies wordt niet alleen de verspreiding van literatuur in de vorm van romans besproken maar ook culturele producten zoals toneelstukken en films, wat een sterke kant is van het boek. Het laatste hoofdstuk ‘Unexpectedly moving’, over ‘nieuwe’ bemiddelaars – vergeleken met de traditionele, gerenommeerde critici – die op literatuurblogs op internet naar voren zijn getreden en een aanvullende rol vervullen naast de traditionele critici, is een mooie studie over veranderingen en ontwikkelingen op het gebied van culturele transfer uit de laatste jaren. 

Een paar case studies passen minder goed in het boek omdat ze vooral een analyse zijn van een literaire tekst en niet over culturele transfer gaan. Het hoofdstuk ‘What do we learn from the characters of the novel Sara Burgerhart’ bevat op zich een belangwekkende studie maar een verband met de rode draad of het overkoepelende thema van het boek, circulatie van Nederlandstalige literatuur binnen en buiten het taalgebied, ontbreekt. 

In de inleiding wordt vermeld dat in het codl-project dertien canonieke Nederlandstalige literaire teksten worden onderzocht. Helaas wordt nergens vermeld welke teksten dit zijn. Uit de inhoud van het boek valt natuurlijk op te maken dat het onder andere om de bovengenoemde teksten gaat, maar er zijn ook andere literaire werken opgenomen in het codl-project zoals Minoes van Annie M.G. Schmidt, waarvan een verslag verscheen in het boek Minoes, Minnie, Minu en andere katse streken. De internationale receptie van Annie M.G. Schmidts Minoes in de reeks Lage Landen Studies 8 in 2017. De vraag waarom juist deze dertien teksten zijn gekozen en andere canonieke teksten niet hangt hiermee samen. Als lezer verwacht je een discussie rond de selectie van deze teksten die evenwel in het boek ontbreekt.

Het boek Doing Double Dutch biedt nog meer interessante perspectieven op het fenomeen van circulatie van Nederlandstalige literatuur binnen en buiten het taalgebied dan hier wordt vermeld. Vooral het perspectief op de Nederlandstalige literatuur van buitenaf is verrijkend. Hoe wordt deze literatuur in een andere cultuur gelezen en waarop richt zich vervolgens de aandacht? Sommige boeken worden lang na hun totstandkoming vertaald. Hoe worden die boeken dan decennia later in een bepaalde doelcultuur ontvangen? Het antwoord op dergelijke vragen wordt in het boek boeiend belicht. Ten slotte is er klaarblijkelijk meer onderzoek nodig naar de receptie van literatuur door niet-professionele lezers buiten het Nederlandse taalgebied, wat in het laatste hoofdstuk van het boek aan de hand van persoonlijke literatuurblogs uiteen wordt gezet. Het resultaat van dergelijk onderzoek zou voor onder andere letterenfondsen en literair agenten als leidraad kunnen dienen bij het uitpluizen van de factoren die een rol spelen bij een succesvolle verspreiding van Nederlandstalige literatuur in het buitenland. 

Annika Johansson

Elke Brems, Orsolya Réthelyi & Ton van Kalmthout (red.), Doing Double Dutch. The international circulation of literature from the low countries. Leuven: Leuven University Press, 2017. 336 pp. isbn: 9789461662248. €44,50.

Een hoogstaande publieke man?

Wie kende hem niet in het interbellum? Dr. P.H. Ritter jr. (1882-1962) was een van die mannen met een onuitputtelijke activiteitendrang op het grensgebied van literatuur, journalistiek en publiciteit. Tegenwoordig zou je zo iemand een Bekende Nederlander noemen, omdat hij overal in de publiciteit opdook om zijn immer parate en pittig geformuleerde mening over van alles en nog wat te ventileren. Niets was Ritter te gek. Hij schreef niet alleen vrijwel dagelijks over boeken en schrijvers, hij gaf er ook duizenden lezingen over aan de volksuniversiteiten en bij bijeenkomsten van ’t Nut of andere lezingenclubs, maar vooral ook via de avro-radio.

Menno ter Braak, die – als hij al over Ritter wenste te spreken – weinig naliet om aan diens populaire (en in zijn ogen dus licht triviale) productie te herinneren, schreef in 1937 in zijn krant Het Vaderland dat hij ‘alleen kon voorstellen, dat hij [Ritter] ’s morgens, voor het opstaan in bed het boek van de week leest, tijdens het ontbijt reeds critiseert, aan de koffie zijn democratische speech concipieert en in het bad zijn romans dicteert’. En dan schreef Ritter ook nog romans en novellen plus artikelen en essays over uiteenlopende zaken zoals politiek, persvrijheid, bioscoopfilms, welsprekendheid, het roken van goede sigaren, het genot van reizen en het belang van de huwelijksmoraal. Plus nog duizend andere kwesties. En dat alles terwijl hij ook nog lange tijd hoofdredacteur was (van het Utrechtsch Dagblad) en redacteur van vele literaire en politieke bladen. Waar de man de energie en inspiratie vandaan haalde om ook nog met tientallen schrijvers en critici een intensieve correspondentie op te zetten die in duizenden (vrijwel alle bewaard gebleven) brieven resulteerde, is een raadsel.

Maar los van die vraag: hoe krijgt een biograaf van Ritter greep op dit immense oeuvre? Gesteld dat je dit alles kan nalezen, is er nog een touw aan vast te knopen en kan die veelheid aan activiteit ergens in algemene patronen gepast worden? Dat was het manco van de eerdere biografische pogingen van Jan J. van Herpen, waarin de grondigheid van onderzoek helaas niet opwoog tegen de encyclopedische, weinig analytische aard van de teksten.

Maar Alex Rutten bewijst dat met een meer wetenschappelijke benadering voortreffelijke resultaten kunnen worden geboekt. In juni promoveerde hij bij de Open Universiteit op een redelijk gecomprimeerd gebleven biografische studie van Ritter jr. En dat komt niet alleen doordat Rutten zich heeft beperkt tot het interbellum, ongetwijfeld de meest interessante periode uit Ritters leven. Het komt bovenal door de concentratie op vier hoofdactiviteiten: literatuurcriticus in het Utrechtsch Dagblad, docent aan de volksuniversiteiten, boekbespreker voor de radio en filminleider. En het komt door de methodische positionering in de ‘middlebrow studies’, de literair-historische benadering die literatuur niet vanuit een vastgestelde canon van ‘hoog’ en ‘laag’ bekijkt, maar vanuit het functioneren van literatuur in brede cultuurhistorische context. Die benadering maakt sinds de jaren negentig echt school en het opent de ogen voor onontgonnen dimensies in de literatuurgeschiedenis. Zoals het feit dat journalistiek, een volksuniversiteit of de film ook relevante velden voor literatuur en cultuur waren en zijn.

Ruttens studie werpt bijzonder licht op de toch wel bijzondere figuur Ritter jr., die na de oorlog snel aan betekenis verloor en na zijn dood snel vergeten zou worden. Misschien is er zelfs sprake van eerherstel want Ritter heeft tijdens zijn leven veel strijd moeten leveren om erkenning van zijn kwaliteiten te krijgen. Wie de studie van Rutten leest kan niet om Ritters grote kwaliteiten heen, maar hij loopt heen om de vraag of dat een eerherstel betekent. Door de zeer uitvoerige schetsen van Ritters werk en activiteit laat Rutten als het ware zien dat we hier te maken hebben met een universele en schier onfeilbare allesweter, die met een ongehoord productieve werkkracht probeerde de literaire, journalistieke en wetenschappelijke wereld te imponeren vanuit de nieuwste media van zijn tijd. Daar resulteert een tamelijk positief beeld uit, dat haaks staat op de kritiek die Ritter tijdens zijn leven heeft gekregen.

Nu kunnen die reacties (Bourdieu’s smaak- en veldentheorie indachtig) het gevolg zijn van de defensieve reacties van een gevestigd veld op nieuwkomers die er andere opvattingen en populaire podia op nahouden. Ook kan sprake zijn geweest van jaloezie op en afgunst over Ritters talenten en succes bij een breed publiek. Maar het zou ook denkbaar zijn dat die kritiek wortelt in Ritters schaduwzijden. En die zijn er vele, ook al besteedt Rutten daaraan slechts zijdelings of soms zelfs geen aandacht. Het bekendste voorbeeld was de beschuldiging van corruptie en geldwolverij die hardnekkig rondom Ritter is blijven hangen en die ook de studie van Rutten niet echt wegneemt.

Maar er is meer. Ritter stelde zich op als een man met een goede smaak en een hoog ethisch besef, die strijd voerde tegen de verloederingen van de populaire cultuur en journalistiek. Maar zijn gedragingen wijzen soms op het tegendeel, zoals zijn omstreden opvattingen over diefstal als legitieme journalistieke methode voor het verkrijgen van nieuwswaardig materiaal. Uiterst omstreden was tevens het voeren van een meedogenloos eenzijdige perscampagne tegen het kanaal-tractaat met België in 1927 en het in zijn krant publiceren van vervalste diplomatieke documenten twee jaar later. Het was een kwestie waarbij de man die zich veel en vaak als ethisch hoogstaand positioneerde er maar niet toe kon komen om er ooit ruiterlijk schuld voor te bekennen.

Ethisch hoogstaand waren bepaald ook niet Ritters verslonzing van het duurbetaalde hoofdredacteurschap in Utrecht door vele lucratieve nevenactiviteiten. En zijn pogingen om door middel van vriendjespolitiek hoogleraar in Leiden of Amsterdam te worden, en zijn vriendendiensten voor het verkrijgen van toegang tot de radiomicrofoon. Zoals het zogenaamde interview dat Ritter in oktober 1933 voor de avro-radio afnam aan zijn vriend, collega-journalist en middlebrow-icoon Doe Hans, dat resulteerde in een uitbundige lofrede op de journalistiek en op de voortreffelijkheid van zowel de interviewer als de geïnterviewde.

Het waren alle zaken die ook in Ritters tijd niet als erg ethisch hoogstaand werden gezien, hetgeen mede het toenemend isolement van Ritter in literaire en journalistieke kring kan verklaren. Helaas treedt Rutten niet met een interpretatie in dit mijnenveld, terwijl hij daar toch wel ruim het gezag voor heeft opgebouwd. Maar dat is slecht een kanttekening bij een verder voortreffelijk uitgevoerd onderzoek dat de middlebrow studies in Nederland een belangrijke impuls kan en zal geven.

Huub Wijfjes

Alex Rutten, De publieke man. Dr. P.H. Ritter Jr. als cultuurbemiddelaar in het interbellum. Groningen: Uitgeverij Verloren, 2018. 281 pp. isbn: 9789087047306. € 29,-.

De ijdele façade van Harry Mulisch

In teksten en tijdens openbare optredens presenteerde Harry Mulisch zichzelf graag als een man met uitzonderlijke kwaliteiten. De muur die hij daarmee in het communicatieproces optrok, noemde hij ‘de ijdele façade’. Hij beschouwde zijn zelfvergroting als een vorm van rebellie tegen de in Nederland verplichte soberheid, eenvoud en zelfverkleining. In discussies bestempelde hij zijn zelfvergroting als ironie.

In De ijdele façade. Over de ironische zelfvergroting van Harry Mulisch, de handelseditie van het proefschrift dat hij in 2015 in Brussel verdedigde, onderzoekt Marc van Zoggel hoe die zelfvergroting van Mulisch en de eventuele ironisering in zijn werk vorm krijgen. Hij hanteert de terminologie van Bourdieu. Edwin Praat en Sander Bax zijn verwante onderzoekers. Praat neemt in Verrek, het is geen kunstenaar. Gerard Reve en het schrijverschap (2014) een uitvoerige beschrijving van de theorie van Bourdieu op. In De Mulisch Mythe. Harry Mulisch: schrijver, intellectueel, icoon (2015) analyseert Bax de beeldvorming van Mulisch met het instrumentarium van Bourdieu. Kennelijk veronderstelt Van Zoggel diens theorie bekend. De enige studie die hij van Bourdieu in zijn bibliografie vermeldt, is Le Sens pratique (1980). Daarin staat theorievorming niet centraal. Bourdieu spoort onderzoekers aan tot kritische reflectie op de eigen preoccupaties. Praat en Bax richten in hun analyses van de relatie tussen auteur en lezer het vizier vooral op de schrijver. Bij Van Zoggel zijn auteur en lezer vaak samen in beeld. Hun samenspel is noodzakelijk voor ironie.

Als corpus voor zijn onderzoek heeft Van Zoggel vier teksten gekozen uit het latere deel van het oeuvre: De pupil (1987), Het beeld en de klok (1989), De ontdekking van de hemel (1992) en Siegfried (2001). Begrijpelijk. Ook in het vroege werk zijn er overeenkomsten tussen personages en auteur, maar op een enigszins abstract niveau. Zo worstelt de hoofdpersoon uit Archibald Strohalm (1952) evenals zijn schepper met literaire materie, maar concrete overeenkomsten tussen personage en auteur zijn er nauwelijks. Latere personages hebben wel veel met de auteur gemeen. Die lenen zich dus beter voor een onderzoek naar zelfvergroting van de auteur.

Aan de analyse gaan twee uiteenzettingen vooraf: over de ironie en het schrijverschap van Mulisch. Een grondig historisch overzicht maakt duidelijk hoe lastig wetenschappelijk onderzoek naar ironie kan zijn. Bijvoorbeeld door de enorme reikwijdte van het begrip, met als polen een eenvoudige vorm van taalspel en de basis van een levenshouding of filosofie. Daarnaast kan het begrip meerdere, soms tegengestelde betekenissen hebben. Zo noemen we in Nederland zowel de zelfvergroting als de zelfverkleining ironie. Aristoteles gebruikte ironie (eironeia) alleen als aanduiding van de zelfverkleining. Voor de zelfvergroting hanteerde hij alazoneia. Een wezenlijker probleem is dat mogelijk ironische communicatie een complex proces is met veel niet altijd volledig in kaart te brengen variabelen, zoals de intentie van de schrijver/spreker, mogelijke ironiesignalen in de tekst en de instelling en kennis die de lezer/luisteraar nodig heeft om ironie te herkennen.

In het overzicht van Mulisch’ oeuvre signaleert Van Zoggel vaak zelfvergroting en ironie. Vier keer onderbreekt hij dat overzicht voor ‘dieptepeilingen’. Die betreffen: het culturele leven in Haarlem, waarin de jonge Mulisch actief was; de bewonderde Thomas Mann, ironicus bij uitstek; aartsrivaal Gerard Reve, aangevallen vanwege zijn gebruik van de ironie; het idool Goethe, geniaal, niet blufferig, wel ironisch.

Een uitvergroting van Mulisch met een snufje ironie zou een reus van de geest opleveren, meestal pochend op zijn superioriteit, soms licht relativerend. De personages uit het corpus die eigenschappen en ervaringen met de auteur gemeen hebben, passen echter niet in dit sjabloon. De jonge hoofdpersoon uit De pupil bijvoorbeeld is geen alter ego, maar een alternatief ego van Mulisch. Terwijl de jonge Mulisch in kommervolle omstandigheden weerbarstige literaire materie kneedde, leefde deze pupil in rijkdom en kreeg hij de kern van zijn oeuvre, een reeks personages, cadeau. Hij bezondigde zich wel aan grootspraak. Bovendien komt de kern van zijn oeuvre met dat van Mulisch overeen. Een gecompliceerde relatie dus tussen auteur en hoofdpersoon. Passend bij een schrijver die raadselachtig wil zijn. In De ontdekking van de hemel is het niet anders. Gangbaar is de visie dat Delius Mulisch representeert en Quist Donner. Maar Quist schuwt grootspraak niet. Zou Mulisch zijn belangstelling voor literatuur, natuurwetenschappen en politiek hebben verdeeld over Delius, astronoom, en Quist, oudheidkundige en politicus? Vormen die personages samen één mens, zoals Mulisch al in 1953 in een essay beweerde over Laurel en Hardy? Zo ja, hoe werkt dan de zelfvergroting? Als de beroemde schrijver zich in Het beeld en de klok superieur toont aan de man die de boekdrukkunst niet heeft uitgevonden, hoe fors is dan de zelfvergroting? En is er tussen Rudolf Herter uit Siegfried en Harry Mulisch, bijna kopieën, voldoende ruimte voor zelfvergroting?

Ironie is een diffuus fenomeen. Mulisch’ streven was het raadsel te vergroten. Die twee factoren maken het irreëel te veronderstellen dat een onderzoek naar ironische zelfvergroting bij Mulisch spijkerharde en messcherpe conclusies zal opleveren. Van Zoggel concentreert zich dan ook vooral op de reis, het verkennen, en minder op de plaats van aankomst. In De pupil kijkt hij vooral naar ironiesignalen. In Het beeld en de klok naar indicaties voor de intentie van de auteur. In De ontdekking van de hemel belicht hij onder andere ironie die ontstaat doordat iemand een uitspraak van vroeger herhaalt, in gewijzigde omstandigheden, wat afstand veroorzaakt. In Siegfried probeert hij enige distantie te vinden tussen Herter en Mulisch, naast alle overeenkomsten. De verkenningen leveren veel aansprekende gegevens op en bieden de schrijver bovendien de kans de eerder gepresenteerde theorie te verfijnen.

Die inspirerende verkenningen bieden veel aanknopingspunten voor vervolgonderzoek, met een belangrijke rol voor lezers. Dat is niet de enige verdienste van Marc van Zoggel. Hij verplicht de lezer ook aan zich door zijn gedegen behandeling van de ironie en zijn nauwkeurige beschrijvingen van het oeuvre en het Mulisch-onderzoek. Bovendien heeft hij zijn exposé gekruid met wetenswaardigheden, waarvan sommige ook doorgewinterde Mulisch-adepten kunnen verrassen. Een rijk boek.

Jos Buurlage

Marc van Zoggel, De ijdele façade. Over de ironische zelfvergroting van Harry Mulisch. Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2018. 400 pp. isbn: 9789087047245. € 39,-

Benaderingen van poëzie in het nieuwe millennium

Recentelijk zijn er enkele boeken verschenen die poëzie propageren. Olijven moet je leren lezen en woorden temmen zijn bedoeld om nieuwe lezers voor de poëzie te winnen. Bundels van het nieuwe millennium, de opvolger van Dichters van het nieuwe millennium, is voor gevorderde poëzielezers. Ondertussen kwam ook een dik nummer van Spiegel der Letteren uit met als thema Buiten het boek waarin (onder meer) poëzie juist buiten de bundels wordt onderzocht. Deze publicaties vertonen elk een heel verschillende aanpak en stimuleren stil te staan bij de vraag hoe poëzie, in een academische setting en daarbuiten, het best benaderd kan worden.

Bundels van het nieuwe millennium heeft de pretentie het landschap van de recente poëzie in beeld te brengen. Samen met Dichters is ze ‘een staalkaart van de Nederlandstalige poëzie in de 21e eeuw’, aldus de blurb. Deze verzameling essays (nu dus niet over oeuvres, maar over bundels) van de hand van nadrukkelijk als ‘academische poëziespecialisten’ voorgestelde auteurs, heeft dan ook dezelfde kwaliteiten als zijn oudere ‘broertje of zusje’ (10). Kortheidshalve verwijs ik naar de eerder in dit tijdschrift verschenen recensie hierover (133, nr. 2 (3 april 2017) https://www.tntl.nl/boekbeoordelingen/?cat=78) en herhaal slechts: mooie vormgeving, informatief, encyclopedisch, dicht op de huid blijvend. Wat weer goed werkt is dat elke bijdrage opent met een gedicht, dat meestal ook in de beschouwingen wordt betrokken.

Ook de nadelen van de aanpak die Dichters aankleefden vindt men in Bundels terug: niet werkend uit probleemgerichte vraagstellingen (wat je toch van academische publicaties mag verwachten), enigszins aanvechtbare selectie en, in samenhang daarmee, binnen het heersende spreken over poëzie blijvend. Voor de bijdrage van Sander Bax geldt dat eerste nadeel overigens niet. Zijn stuk is in feite opgezet rond de vraag in hoeverre Dirk van Bastelaere (in ieder geval als dichter van Hartswedervaren) als ‘verstokte postmodernist’ moet worden gelezen, zoals het ‘heersende spreken’ over de recente poëzie het wil (17). Het betoogt vervolgens dat de dichter veeleer aansluiting zoekt bij de ‘taalgerichte of de experimentele’ traditie die indertijd door Redbad Fokkema in zijn geschiedenis van de naoorlogse poëzie is onderscheiden (25).

Het boek bevat enkele indringende beschouwingen over belangwekkende bundels. In het mooiste essay vallen die twee samen: Johan Sonnenschein over H.H. ter Balkts Anti-canto’s en De Astatica. Erudiet tekent hij een poëticale traditie uit – die van Ezra Pound – als paradoxaal interpretatiekader (in een ademteug vormt die juist een anti-traditie en, even paradoxaal, wordt daarbij internationaal materiaal in een hoeve aan de Dinkel opgetast) en weet hij de indrukwekkende in weigering gewortelde kracht van dit dichterschap voelbaar te maken in het beeld van de schavers van de schaaf: de civilisatie schaaft de scherpste randjes van de mens maar de schaaf raakt bot, de dichter probeert door zijn schurende taal het schaafinstrument scherp te houden (of misschien ook: de zogenaamde beschaving disciplineert de mens tot aan het onmenselijke toe, de dichter wil dit perverse schaafproces frustreren – de tendens van des Balkers ‘geraaskal’ is immers bestendig opponerend (82)). Dit lezend raak je enthousiast en wil je direct Ter Balkt weer ter hand nemen.

Toch bleef ik, meer dan bij Dichters, na mijn lectuur met een ambivalent gevoel achter. Want dat enthousiasmerende, dat miste ik in nogal wat bijdragen. Zij zijn, zoals gezegd, doorgaans vakkundig en informatief, maar op een of andere manier kleuren ze mij iets te braaf tussen de lijntjes. Misschien heeft dat te maken met de rol die de auteurs is opgelegd: die van académische poëziespecialist. Die zet wellicht een rem op riskante analyses, intrigerende speculatieve interpretaties en enthousiasmerende waardeoordelen. En is dat nu juist niet de bedoeling van poëziekritiek? Moet poëziekritiek niet een vorm van wartaal zijn? Is een goede poëziecriticus vaak niet bezig de eigenzinnige taalmanoeuvres van de gedichten die hij of zij bespreekt te echoën? In die galmkamer geeft hij stem aan zijn eigen pogingen een vinger te krijgen op waarom het in de poëzie hier draait. Poëziekritiek is zo ook een verlengstuk van de poëzie zelf.

Dat zien we in de bijdrage over Gerrit Kouwenaar van Wiel Kusters (een uitgebreide herdruk van een ouder stuk). Hij oordeelt onbekommerd (‘indrukwekkend’, ‘schrijnende prestatie van het leven’), stelt net zo onbekommerd poëtische en poëticale effecten vast (bijvoorbeeld dat de ‘vakmatige autonomie’ het ‘“orfische”, magische’ bewerkstelligt), construeert creatief een interpretatie (in contrast met een ouder gedicht van Kouwenaar) en associeert al even creatief voort op de poëtische tekst, zoals in de opening waar het woord ‘totaal’ onder andere totale zonsverduistering, totale oorlog, totale waanzin, totalitair en taal oproept (48, 55, 48-49, 47). Inderdaad, academisch gezien totale wartaal, maar wat mij betreft vruchtbaar ‘geraaskal’ dat de poëziekritiek past. Kusters stelt zich op als poëziecriticus en weigert zich het keurslijf van het academisme te laten aanmeten.

Het is dus de vraag wat de meerwaarde van de zichzelf opgelegde academische benadering in dit boek is. Je kan het ook anders stellen: is deze bundel überhaupt wel een verzameling academische bijdragen? Laten we even teruggaan naar de kwesties van de selectie en het ‘heersend spreken’.

Wat zijn de selectiecriteria? De inleiders noemen er vier: bundels die ‘een scharnierpunt’ in het oeuvre van een dichter vormen (wat het criterium voor ‘scharnierpunt’ is wordt echter niet uitgelegd en wordt in de bijdragen ook niet op een zelfde wijze ingevuld); bundels die ‘een gezichtsbepalende rol’ speelden in discussies (op nogal wat bundels – bijvoorbeeld Ontij van Anneke Brassinga – is dit criterium niet of nauwelijks van toepassing, nog afgezien wat met ‘gezichtsbepalend’ wordt bedoeld); bundels die succesvol waren bij jury’s of in de kritiek (ook dat gaat niet voor alle bundels op); bundels die opvallen door ‘bijzondere omgang met het medium poëziebundel’, zoals bij Tonnus Oosterhoff (handschrift, digitaal), Anne Vegter (tekeningen) en Arjen Duinker (oraal), waarbij de inleiders erkennen dat er ook de nodige ‘klassieke’ bundels voorkomen (10, 12). De criteria blijken dus los van elkaar te werken en eigenlijk ook wat losjes te zijn toegepast. Merkwaardig is dat de inleiders vervolgens twee trends signaleren: de grenzen van ‘het medium “poëziebundel”’ worden opgerekt en er is een ‘duidelijke focus op de wereld’ (12-13) Maar valt die eerste trend niet samen met het tweede selectiecriterium en is daarmee de vaststelling (en wellicht ook de selectie zelf) niet circulair? Je kiest items met het kenmerk p en stelt dan als trend vast: alle items zijn p! En de tweede trend? Je gaat je haast afvragen of daarachter wellicht ook een selectiecriterium schuilgaat.

Nu kun je deze opmerkingen afdoen als gezeur, want bij elke selectie verliest men wel iets. De redacteuren relativeren overigens zelf hun keuze (ze hadden ‘evengoed andere bundels’ kunnen kiezen (10)). Toch blijft er iets knagen. Het beeldvormend effect van Bundels en Dichters tezamen zal immers zijn dat dít de poëzie van de eenentwintigste eeuw is. De relativerende houding van de redacteuren wordt bovendien weersproken door de ambitie die hun verzameling uitstraalt: een staalkaart te geven van die nieuwe poëzie. Doordat de focus van Dichters op de in de nieuwe eeuw gedebuteerden lag vielen oudere dichters, die evenzeer ‘beeldbepalend’ waren, weg. Om dat gat te dichten volgde Bundels als aanvullende correctie. Zoals de inleiding terecht stelt wordt het ‘landschap van de hedendaagse poëzie’ bepaald door ‘samenspel van nieuwe dichters’ en ‘gevestigde namen’ (11). De pretentie is dus stiekem toch representatief te zijn of in ieder geval een geldig beeld te geven.

Als je het zo bekijkt mis je van alles. Ten eerste heel wat namen die zonder veel problemen onder een van de op zich niet strikte criteria van de redacteuren vallen: Jules Deelder, Eva Gerlach, Luuk Gruwez, Jacques Hamelink, Stefan Hertmans, Judith Herzberg, Ingmar Heytze, Esther Jansma, Hester Knibbe, Frank Koenegracht, Antoine de Kom, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Joke van Leeuwen, Ted van Lieshout, K. Michel, Willem Jan Otten, Hagar Peeters, Toon Tellegen, Miriam Van hee, Hans Verhagen, Marjoleine de Vos, Levie Weemoedt en ga zo maar door. Ik begrijp dat een meer dan dubbeldikke bundel die er dan zou ontstaan niet haalbaar zou zijn geweest, maar op zijn minst, en dat is het tweede wat ik mis, had de inleiding een panoramisch essay kunnen bevatten met richtingen à la Redbad Fokkema – vernieuwingen náást traditionele werkwijzen –, zodat ook niet opgenomen dichters in beeld waren gekomen en inderdaad het ‘samenspel’ van verschillende stemmen was geanalyseerd. Nu moeten we het doen met enkele erg globale karakteriseringen – eclectisch, heterogeen, mediale verkenningen, wereldbetrokkenheid – die bovendien niet het hele landschap dekken. Wie een aantal namen nader beziet zal in ieder geval opvallen dat een hele trant van dichten, die je zou kunnen aanduiden als de richting Kopland, wordt buitengesloten. Dit is mijn derde pijnpunt.

Onder het mom van academische neutraliteit neem ik anders gezegd een poëticale bias waar. Het zwaartepunt ligt op vernieuwing en volgt zo in feite de doxa van een dominante literatuuropvatting (oftewel het ‘heersend spreken’) binnen een bepaalde sector van invloedrijke smaakmakers. Toegegeven, wie teksten bespreekt (selecteert, analyseert, interpreteert, contextualiseert, waardeert) is qualitate qua onderhevig aan normatieve vooronderstellingen. Maar van een academische literatuurbeschouwer mag je in ieder geval enige reflectie daarop verwachten in een poging de eigen blinde vlekken te signaleren.

Recentelijk zijn er in ons taalgebied een aantal studies verschenen die op blinde vlekken van het modern-letterkundig onderzoek wijzen, waaronder de al genoemde focus op vernieuwing in plaats van continuïteit en de exclusieve aandacht voor elitaire literaire cultuur in plaats van voor meer populaire culturele praktijken (inclusief bemiddelingspraktijken van dagblad- en radio-en-televisiekritiek alsmede lezingencircuits en andere educatieprojecten). Het al genoemde themanummer van de Spiegel stelt in deze zelfde verbredende lijn de literatuur ‘buiten het boek’ centraal. Een artikel dat verslag aflegt van empirisch geïnformeerd onderzoek over poëzie op posters en kussenslopen betoogt dat deze ‘onderbelichte gebieden van het poëzielandschap’ al te gemakkelijk ‘buiten de academische kijk op het literaire veld’ vallen en daardoor een deel van de werkelijkheid missen (aldaar, 407).

In dat licht komt Bundels, als academische onderneming, wat ouderwets over. Het project had wat mij betreft inderdaad inclusiever, reflectiever en ietwat empirischer (zoals het kussensloopartikel) mogen worden opgezet met als ambitie iets meer in kaart te brengen. Er was ook een alternatieve aanpak mogelijk geweest: gewoon het academisch schaapsvel afleggen en het kritisch wolvenhart laten spreken om wat volgens de auteurs ertoe doet in de poëzie tot bloedens toe bij het nekvel te grijpen. Dan was het hart van de poëzielezer vast sneller gaan kloppen. En hopelijk ook van degenen die poëzielezer (zouden kunnen) worden.

Ik wijs op twee boeken die van een hele andere kant starten: het op weg helpen van lezers. De blurb van Olijven moet je leren lezen van Ellen Deckwitz verkondigt dat het lezers van hun ‘poëziedrempelvrees’ geneest en belooft hen tot ‘slimmere, rijkere en gelukkigere’ mensen te maken. Kila&Babsie willen in woorden temmen lezers ‘inspireren en stimuleren’. Hiervan gaat het hart inderdaad wel sneller kloppen, ook van degene die meent niet zo erg aan poëziedrempelvrees te lijden. Deckwitz stelt vast dat er veel mensen met poëzie bezig zijn, maar nauwelijks poëzie in bundels lezen. En potentiële nieuwe lezers beginnen er al helemaal niet aan omdat zij poëzie ‘te vaag’ vinden (8). Vandaar haar ‘Eerste Hulp Bij Poëzie’. Want poëzie is ‘grappig én schrijnend, ontroerend én ontluisterend’ en bovendien ‘te bijzonder om aan haar lot te worden overgelaten’ (10). Ook Kila&Babsie nemen het lot van de poëzie in handen en willen (nieuwe) lezers laten ervaren dat poëzie ‘gelukkig’ maakt en dat gedichten niet altijd ‘zwaar of moeilijk’ zijn (‘vaag’ heet dat dus bij Deckwitz) maar juist ‘licht, fijn, leuk, grappig, ontroerend en verfrissend’. Ook zij willen laten zien ‘hoe je gedichten kan lezen’, maar ook wat je ermee kan doen (behalve erover nadenken ook je laten inspireren door zelf een gedicht te gaan schrijven ([3])).

Beide boeken – en hun auteurs die regelmatig workshops op scholen verzorgen – geven de broodnodige vitaliserende injecties. De effectiviteit van het serum dat zij toedienen ligt aan de bestanddelen enthousiasme en pedagogie, want behalve meeslepende kwalificaties willen ze ook iets leren. woorden temmen doet dat laatste het meest systematisch. Net als Olijven begint elke sectie met een gedicht. Daar wordt kort persoonlijk commentaar op gegeven waarna op de volgende bladzij(den) de lezer wordt geactiveerd met kopjes als ‘doe’ (draag het gedicht voor, bijvoorbeeld), ‘denk’ (heb je zelf wel eens zo’n moment meegemaakt als het gedicht beschrijft?), ‘lees’ (hier worden simpele analytische opdrachten gegeven over de tekst) en ‘weet’ (waar een soort Literair mechaniek light volgt en technische verschijnselen als enjambement en zelfs iconiciteit worden uitgelegd). Maar ook Olijven brengt tussen neus en lippen enkele geijkte leesconventies aan en legt vaak heel effectief uit hoe een poëtische kunstgreep functioneert: ‘Enjambementen zijn een soort cliffhangers. Ze dwingen je om de zinnen te lezen en herlezen. Ze onthullen daardoor extra lagen, dwingen extra betekenissen af.’ (29)

Zowel deze twee projecten en publicaties als het themanummer van de Spiegel hebben mij verder doen nadenken over welke mogelijkheden er zijn voor de academische literatuurbeschouwer. Qua onderzoeksterrein ligt de genoemde verbreding open. Qua specifieke tekstbeschouwing zou het wat mij betreft aantrekkelijk zijn als die meer zou opschuiven naar de zuivere literaire kritiek inclusief poëticale bias en persoonlijk oordeel, maar exclusief jargon en wetenschappelijke pretenties. In een academische omgeving, ook en vooral op colleges, blijft een reflectie op die normativiteit natuurlijk wel wenselijk.

Gillis Dorleijn

Ellen Deckwitz, Olijven moet je leren lezen. Een cursus genieten van poëzie. 5e druk. Amsterdam/Antwerpen: Atlas Contact, 2017 [2016]. 160 pp. ISBN: 9789045031347. € 17,99.

Jeroen Dera & Carl De Strycker (red.), Bundels van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw. Nijmegen: Vantilt / Gent: Poëziecentrum, 2018. 302 pp. ISBN: 9789460043642. € 19,95.

Kila&Babsie [= Kila van der Starre & Babette Zijlstra], woorden temmen. [Poëzie ontdekken[,] zelf gedichten schrijven met Kila&Babsie op elk moment waar dan ook]. Z.pl.: grange fontaine, [2018]. 144 pp. ISBN: 9789082139525. € 19,95.

Spiegel der Letteren 59 (2017), nr. 2-3, p. 159-426. [Themanummer] Buiten het boek. Redactie Samuel Mareel & Kila van der Starre.

Bridging the policy-practice gap

Tussen 2010 en 2016 bestudeerde Steven Delarue de percepties rond taalgebruik, taalideologie en taalbeleid van Vlaamse leerkrachten in zowel basisonderwijs als secundair onderwijs.

Het doel van zijn proefschrift was drieledig. In de eerste plaats bestudeerde Delarue perspectieven met betrekking tot standaardtaalgebruik en taalvariatie in taalbeleidsdocumenten opgesteld door de Vlaamse overheid (beleidsdocumenten van de recentste ministers van onderwijs en eindtermen). In de tweede plaats onderzocht hij hoe leerkrachten omgaan met het taalbeleidskader dat door dit macroniveau wordt opgelegd. In dit onderdeel ging hij na in welke mate deze beleidsdocumenten leerkrachten bereiken en hoe zij de inhoud ervan percipiëren. Tot slot bestudeerde Delarue hoe Vlaamse leerkrachten de beleidsvoorschriften vertalen naar de praktijk en in hun discours de spanning beleven tussen geobserveerd taalgebruik in praktijk versus de beleidsvoorschriften.

Om deze vragen, etc. te beantwoorden werden 82 Vlaamse leerkrachten, verspreid over grote en kleinere katholieke scholen over alle provincies van Vlaanderen, geobserveerd tijdens hun lessen en vervolgens geïnterviewd.

Het eerste deel van het proefschrift focust op de beleidsdocumenten en de wijze waarop het daarin voorgeschreven beleid vorm krijgt op het mesoniveau van de school en het microniveau van de leerkrachtpraktijk. Uit de analyse van de documenten op macroniveau blijkt een sterke focus op Nederlands, en daarbinnen nog eens op Standaardnederlands, doorgaans vanuit een emancipatorische gedachte in het kader van onderwijskansen creëren. Aandacht voor de realiteit van inter- en intralinguale variatie wordt ook gevonden, maar eerder in documenten zoals bijvoorbeeld de eindtermen, of documenten die uitgaan van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren (Taalunie).

Uit het tweede deel blijkt dat Vlaamse leerkrachten slechts zeer beperkt op de hoogte zijn van het taalbeleid dat door de overheid wordt voorgeschreven. Ondanks de onbekendheid met richtlijnen van bovenaf, onderschrijven leerkrachten wel het belang van Standaardnederlands in de schoolse context. Op vlak van ‘belang’ zijn overheid en leerkrachten het dus eens. Leerkrachten zijn daarentegen doorgaans wel op de hoogte van de vertaling van het taalbeleid van de overheid naar de context van de eigen school in een schooleigen taalbeleid – als de school ten minste een taalbeleid heeft. Dit schooleigen taalbeleid wordt door de leerkrachten dan ook gewaardeerd en ondersteund. Bovendien wijst de vergelijking van standaardtaalkenmerken versus tussentaalkenmerken uit dat de in de corpora opgenomen leerkrachten uit Ieper, Gent en Antwerpen statistisch significant minder tussentaalkenmerken in hun taalgebruik incorporeren dan niet-leerkrachten.

In het slotdeel onderzoekt Delarue hoe leerkrachten bruggen slaan tussen de nadruk op Standaardnederlands in het taalbeleid uitgetekend door de overheid en de school, en hun eigen taalgebruik dat gekenmerkt wordt door variatie. Afwegingen die te maken hebben met de leerkracht-leerling-relatie, met een hiërarchie in de veelheid van leerkrachttaken, met passende taalvariëteiten, de veranderingen in taalgebruik in de maatschappij, en met een bredere invulling van wat onder Standaardnederlands in de klas kan worden verstaan maken dat leerkrachten (hun) taalvariatie kunnen verantwoorden. Hierbij geven leerkrachten en leerlingen aan dat Standaardnederlands de vlotte omgang kan beperken, dat de lesinhoud moet primeren op de taalvariant waarin deze gegeven wordt, en dat het als leerkracht goed is je taalgebruik gericht aan te passen zolang geen dialect wordt gebruikt.

Sterk aan het proefschrift is de korte, duidelijke state-of-the-art ter inleiding van de zes onderzoekspapers. Delarue staat stil bij terminologie en duidt op heldere wijze de verschillende attitudes van Europese naties en van Vlaanderen ten opzichte van standaardtaal en taal binnen onderwijs. Verder confronteert de auteur met dit werk voor het eerst de uitgesproken (standaard) taalideologie.n in het Vlaamse onderwijs met de praktijken en percepties van Vlaamse leerkrachten. Niet alleen vult Delarue daarmee een belangrijke leemte in dat onderdeel van de sociolinguïstiek dat focust op onderwijs: hij laat namelijk de leerkrachten zelf aan het woord over hun taalgebruik. Bovendien toont Delarue zich hierin een goed verteller die een complex verhaal op een heldere manier brengt en beargumenteert.

Hoewel het samenbrengen van verschillende studies in een proefschrift het voor de lezer niet steeds gemakkelijk maakt om de opbouw te volgen, probeert Delarue verdienstelijk de opbouw te verduidelijken met voorafgaande achtergrondparagrafen. De sterke link van Delarues onderzoek met de onderwijspraktijk maakt wel dat een reflectie over onderliggende sociolinguistische processen met betrekking tot taal en macht op de achtergrond blijven.

Samenvattend kan men stellen dat de grote verdienste van het proefschrift is dat Delarue de lezer voor het eerst meeneemt naar de onderwijsrealiteit en laat zien dat het verhaal van taalgebruik en taalpercepties daar veel gevarieerder en genuanceerder is dan krantenkoppen veelal laten vermoeden.

 

Goedele Vandommele

 

Steven Delarue, Bridging the policy-practice gap: How Flemish teachers’ standard language perceptions navigate between monovarietal policy and multivarietal practice. Proefschrift UGent, 2016. xviii + 319 pp.

Signalement: Doing Double Dutch

The importance of a minor language in the field of world literature. Dutch literature is increasingly understood as a network of texts and poetics connected to other languages and literatures through translations and adaptations. In this book, a team of international researchers explores how Dutch literary texts cross linguistic, historical, geophysical, political, religious, and disciplinary borders, and reflects on a wide range of methods for studying these myriad border crossings. As a result, this volume provides insight into the international dissemination of Dutch literature and the position of a smaller, less-translated language within the field of world literature.
The title Doing Double Dutch evokes a popular rope-skipping game in which two people turn two long jump ropes in opposite directions while a third person jumps them. A fitting metaphor for how literature circulates internationally: two dynamic spheres, the source culture and the target culture, engage one another in a complex pattern of movement resulting in a new literary work, translation, or adaptation formed somewhere in the middle.

Interesse om dit boek te recenseren? Stuur een mail naar: boekbeoordelingen@tntl.nl

 

Doing Double Dutch. The International Circulation of Literature from the Low Countries
Elke Brems, Orsolya Réthelyi, and Ton Van Kalmthout (ed.)
Leuven University Press
Leuven
2017
335 pagina’s
ISBN: 9789462700970
€59.50

 

Signalement: De verdeelde mens

Hugo Claus dacht ‘bij elk boek, bij elke dichtbundel of toneelstuk, eerst en vooral aan wat Jan ervan zou denken’. En als Louis Paul Boon iets goeds had geschreven, wist hij vaak al: ‘Dit zal Jan mooi vinden! Dit zal hij graag lezen.’Tussen 1944 en 1965 was Brusselaar Jan Walravens (1920-1965) het absolute ijkpunt in de Vlaamse avant-garde. Hij introduceerde het existentialisme en was de eerste die in het Nederlandse taalgebied sprak over experimentele poëzie. Met zijn tijdschrift Tijd en Mens bracht hij Vlaamse en Nederlandse Vijftigers en Cobraschilders bijeen. In de laatste jaren van zijn korte leven was hij een van de culturele televisiepioniers en interviewde hij bijvoorbeeld W.F. Hermans tijdens zijn tv-debuut. Ook schreef hij twee ophefmakende romans en een aantal ontroerende novellen.De verdeelde mens is gebaseerd op veel niet eerder gepubliceerde documenten, zoals Walravens’ dagboeken, de brieven aan zijn verloofde en zijn correspondentie met Hugo Claus. Ze geven een beeld van het nog verrassend cultureel bruisende Berlijn in 1943, de Brusselse kunstwereld na de Tweede Wereldoorlog en de doorbraak van de avant-garde in literatuur, schilderkunst en theater in de jaren vijftig.

Interesse om dit boek te recenseren? Stuur een mail naar boekbeoordelingen@tntl.nl

 

De verdeelde mens. Jan Walravens [1920-1965]: schrijver, ijkpunt, avant-gardist
Jos Joosten
Vantilt
Nijmegen
320 pagina’s
ISBN: 9789460043956
€ 29,95

Signalement: Uit de marge

In Uit de marge buigen 29 letterkundigen, historici, filosofen en een jurist zich over fenomenen in de kantlijn van de cultuurgeschiedenis: van Olympische kunstspelen tot een zombie-serial, van negentiende-eeuwse dagbladfeuilletons tot naoorlogse paperbackreeksen, van lesbische romanpersonages tot toneelschuwende gemeentebestuurders en van krantencolumns tot Sinterklaasgedichten. Leidmotieven zijn de spanning tussen high, middle en lowbrow, de argwaan jegens bestsellers, het grillige verloop van reputaties en de tijdloosheid van de culturele omnivoor. De bijdragen zijn geïnspireerd door Erica van Bovens pleidooi voor onderzoek naar populaire cultuuruitingen en vormen samen een kleine geschiedenis van de smaak van het brede publiek.

Interesse om dit boek te recenseren? Stuur een mail naar: boekbeoordelingen@tntl.nl

Uit de marge. Kanttekeningen bij de cultuurhistorische canon
Lizet Duyvendak en Jan Oosterholt (red.)
Verloren
Hilversum
2018
243 pagina’s
ISBN: 9789087047412
€ 25,-

Basisboek syntaxis

Het Basisboek syntaxis is een handleiding voor het ontleden van zinnen. Het richt zich tot mensen die al een basiskennis van zinsontleding hebben zoals studenten in het hoger onderwijs of leerlingen uit de hoogste klassen van het havo en vwo (en het aso in Vlaanderen). De benadering van het ontleden is ‘vooral gericht op inzicht’ (p. 5) en dus zeker niet op het memoriseren van definities en voorbeeldontledingen. Dat is een prima doelstelling, die echter ook hoge verwachtingen schept. Ze veronderstelt immers dat de auteur een consistent begrippenapparaat voorstelt en ook een navolgbare manier van redeneren zodat de leerder zelfstandig tot een goede of tenminste verdedigbare analyse kan komen van nieuwe tekstvoorbeelden.

Bij die doelstelling kan ik me helemaal aansluiten. Ik heb zelf jarenlang Nederlandse taalkunde (syntaxis en morfologie) gegeven in het eerste jaar van de opleiding Taal- en Letterkunde aan de KU Leuven, waarbij die doelstelling ook mijn richtsnoer was: ‘leren redeneren met je kennis van je moedertaal’.

Tot mijn grote voldoening mag ik vaststellen dat de auteur vrij goed in zijn opzet geslaagd is, zeker in de behandeling van de enkelvoudige zin, die het grootste deel van het boek uitmaakt. De samengestelde zin en de woordsoorten zijn minder uitgebreid behandeld (p. 127-177). Daarnaast bevat het boek ook een uitgewerkte didactische aanpak van het ontleden (hoofdstuk 14) en een korte, maar interessante historische uitleg (hoofdstuk 15).

Interessant zijn ook de vergelijkingen met andere talen die her en der zijn opgenomen. Voor de leerder kunnen die zeker tot meer inzicht leiden in de zinsstructuur van het Nederlands.

In wat volgt geef ik enkele kritische bemerkingen die nuttig kunnen zijn bij een volgende editie van het boek.

De klassieke voorwerpen bij het gezegde zoals het lijdend voorwerp, het meewerkend voorwerp en het voorzetselvoorwerp worden benoemd als ‘verplichte zinsdelen’ (p. 23-25). Wat ‘verplicht’ hier betekent, is misschien nog voor verschillende interpretaties vatbaar. Maar alleszins geeft het aan de lezer de indruk dat die zinsdelen in een zin met dat gezegde verplicht aanwezig zijn. Die indruk (of die bewering van de auteur) is onjuist en verschaft bijgevolg de lezer geen inzicht, maar net het tegendeel. Er zijn inderdaad werkwoorden waarbij bijvoorbeeld het lijdend voorwerp verplicht uitgedrukt wordt, maar ook vele andere waarbij dat niet het geval is. Bij die laatste werkwoorden hangt het al of niet voorkomen van het lijdend voorwerp samen met de plaatsing van de zin in de context van een gesprek of van een tekst. Een voorbeeld ter verduidelijking. De werkwoorden ‘eten’ en ‘opeten’ vergen alle twee een lijdend voorwerp naast een onderwerp: iemand eet iets (op). Bij ‘opeten’ moet dat lijdend voorwerp in de zin aanwezig zijn, anders heb je geen welgevormde zin. Bij ‘eten’ hoeft dat niet. Je kunt terecht zeggen dat ‘eten’ altijd een lijdend voorwerp veronderstelt, maar doordat een zin deel uitmaakt van een conversatie of een tekst hoeft dat in de zin zelf niet altijd uitgedrukt te worden. Bij ‘opeten’ is dat echter wel nodig. Neem je onze boterhammen mee. We gaan eten in het park. *We gaan opeten in het park. We gaan ze opeten in het park.

Dat brengt me tot twee algemene bemerkingen:

  1. De auteur bespreekt de constructie van een zin als een op zichzelf staande entiteit, terwijl een zin altijd deel uitmaakt van een tekst of een gesprek.
  2. Grammaticale categorieën zoals de verschillende zinsdelen en woordsoorten worden te veel gezien als strikt onderscheiden categorieën terwijl ze veeleer graduele overgangen vertonen.

Ik illustreer die twee bemerkingen nog met enkele voorbeelden uit het boek.

‘De lijdende vorm of passief is een heel rare constructie […]’ (p. 86) en wat verder ‘Het werkwoord dat je toevoegt om een lijdende vorm te maken […] is een raar hulpwerkwoord […]’ (p. 89). Wat is hier raar? De passieve zin of de formulering van de auteur? Ik denk het laatste. In een tekst vinden we geregeld passieve constructies zonder dat we die raar vinden. In een uitleg over passieve constructies in een context zou je kunnen laten zien wanneer een passieve constructie nuttig of zelfs aangewezen is, alsook wanneer die de leesbaarheid bemoeilijkt.

De behandeling van hulpwerkwoorden is voor een handboek als dit Basisboek ongetwijfeld een heel moeilijke opgave. Het verschil tussen hulpwerkwoorden en hoofdwerkwoorden is zonder meer ingewikkeld. Het begrip ‘hulpwerkwoord’ wordt geïntroduceerd als een ‘toegevoegd werkwoord’ (p. 81). Toegevoegd bij wat? Bij een ander werkwoord dat verderop in het boek een hoofdwerkwoord (bijv. p. 94) wordt genoemd (de term ‘hoofdwerkwoord’ komt niet eens voor in de index). Maar nergens wordt het onderscheid tussen hoofdwerkwoord en hulpwerkwoord op een consistente en begrijpelijke manier uitgelegd. Dat zou kunnen door gebruik te maken van het criterium of het werkwoord al of niet een of meer zinsdelen vereist (zie p. 23) en door er bovendien op te wijzen dat het onderscheid tussen beide van graduele aard is. Die graduele visie zal zeker leiden tot discussiegevallen, maar dat is juist een goede zaak als je inzicht wil bijbrengen.

De behandeling van het hulpwerkwoord vergt een grondige herwerking. Nu bevat ze heel wat inconsistenties en fouten. Enkele voorbeelden. Op p. 94 wordt gezegd dat ‘om + te + infinitief’ een beknopte bijzin vormt en bijgevolg een zinsdeel is (p. 134). Als ‘om’ er niet staat, ‘dan kan de te-infinitief ook het hoofdwerkwoord van de zin zijn waarin de persoonsvorm het hulpwerkwoord is.’ (p. 94) Wanneer ‘kan’ van toepassing is, is echter niet duidelijk: zie de voorbeelden op p. 85 (met ‘probeert’ als hulpwerkwoord) en op p. 134. Op p. 81 lezen we: ‘[…] een werkwoord dat de doen-betekenis verandert noemen we een modaal hulpwerkwoord’. Deze definitie brengt geen inzicht bij. Ik zie ook niet in hoe je ‘modaliteit’ kan uitleggen zonder een onderscheid te maken tussen epistemische, deontische en eventueel dynamische modaliteit. Overigens kunnen ook naamwoordelijke gezegdes een epistemisch modaal hulpwerkwoord bevatten.

Ik heb nog opmerkingen bij verschillende andere onderdelen, maar wil deze recensie eindigen met een bedenking bij een aspect van de presentatie. In het boek wordt als beeld voor de zinsvorming een bus (= het hoofdwerkwoord) met een aantal stoelen (bezet door de zinsdelen) gebruikt. Er is niets mis met die vergelijking, maar ze wordt heel het boek aangehouden met een 25-tal tekeningen met commentaren als: ‘het hulpwerkwoord is een bordje […] opgehangen in de hoofdwerkwoordbus […]’ (p. 147); ‘het bijvoeglijk naamwoord is een button’. Als het als gezegde wordt gebruikt, ‘wordt het op een busonderstel gezet […]’ (p. 150-151). Ik begrijp niet hoe dergelijke uitleg bij de busafbeeldingen enig inzicht kan bijbrengen.

Samenvattend: het Basisboek syntaxis is een veelbelovend boek waarvan voor de volgende editie verschillende onderdelen grondig herwerkt moeten worden.

 

William Van Belle

 

Henk Wolf, Basisboek syntaxis. Groningen: Uitgeverij kleine Uil, 2018. 224 pp. ISBN: 978 94 921 9077 2. € 30,-.

Van Constantijntje tot Tonio.

De bij uitgeverij Verloren verschenen bundel Van Constantijntje tot Tonio gaat volgens de ondertitel over Het dode kind in de Nederlandse literatuur. In de inleiding geven de Leidse onderzoekers Rick Honings en Tim Vergeer, die samen met hun collega Olga van Marion de redactie van het boek voor hun rekening namen, aan de hand van vier eigenschappen een karakteristiek van kinderdoodliteratuur. In dit genre gaat het om teksten waarin, ten eerste, een kind in het perspectief van verteller of focalisator (relatief) jong overlijdt. Ten tweede is in deze teksten ten minste een van de ouders van belang. Daarnaast staat, ten derde, de rouw om het overleden kind centraal en is, ten vierde, de dood van het kind autobiografisch.

Er zijn, zo merken Honings en Vergeer op, echter ook teksten die niet aan deze eigenschappen voldoen, maar toch bediscussieerd worden in een van bijna twintig chronologisch geordende hoofdstukken in de bundel. Als voorbeeld noem ik de door Maaike Meijer behandelde levensliederen ‘Ketelbinkie’ en ‘Mammie waar ben je’, die niet zozeer over rouw gaan, maar de beschrijving van een maatschappelijke situatie waarin sterven voorkomt koppelen aan een concrete – al dan niet moraliserende – boodschap. De inleiders geven aan dat het genre van de kinderdoodliteratuur nu eenmaal ‘heterogeen en fluïde’ is (13), maar dit is een wel erg zwakke verdediging om het gebrek aan overeenstemming tussen de geboden karakteristiek en de eigenschappen van sommige werken uit de afzonderlijke hoofdstukken aan te duiden. Honings en Vergeer verwijzen wel naar een boek over Representations of Childhood Death en naar enkele verwante Nederlandstalige publicaties (waaronder de bekende studie van Sonja Witstein over funeraire poëzie), een sterkere inbedding in de thanatologie (het multidisciplinaire veld dat zich bij uitstek bezighoudt met allerlei aspecten rondom sterven, dood en nabestaan), had mogelijk kunnen bijdragen aan een diepgravender en meer genuanceerde duiding van de complexiteit en veelzijdigheid van het onderwerp kinderdoodliteratuur.

Niettegenstaande de hierboven gemaakte kanttekening is het overgrote deel van de hoofdstukken in Van Constantijntje tot Tonio zonder twijfel interessant te noemen. Dat is mede te danken aan de diversiteit van de bijdragen. De bundel, hoewel overwegend gericht op teksten van canonieke auteurs (onder wie Tollens, Couperus, Van Eeden, Vasalis en Wolkers), heeft een ruime selectie aan werken tot onderwerp, waardoor de lezer een weids perspectief aangereikt krijgt. In de afzonderlijke hoofdstukken wordt vaak ingezoomd op één tekst (Vondels Jeptha, Hagar Peeters’ Malva) of een deel van het oeuvre van één auteur (Bilderdijk, Enquist), soms ook gekozen voor een bredere blik op een periode (middeleeuwen), stroming (naturalisme) of genre (jeugdliteratuur; het levenslied). Die laatste bijdragen maken overigens nieuwsgierig naar de representatie van de kinderdood in nog weer andere genres, zoals streekroman, sciencefiction, of hedendaagse christelijke literatuur.

De verschillende hoofdstukken leren de lezer het nodige over zowel de literaire cultuur als de cultuur van de dood door de eeuwen heen. Meerdere auteurs laten bijvoorbeeld zien hoe oudere teksten zich mengen in theologische discussies die (mede) verband houden met de sterfelijkheid van de mens. Zo betoogt Olga van Marion dat Vondels gedicht ‘Kinder-Lyck’ de calvinistische predestinatieleer bekritiseert, terwijl Ton van der Wouden beargumenteert hoe predikant en schrijver François HaverSchmidt in een van zijn verhalen het vraagstuk van de theodicee aan de orde stelt. Andere auteurs laten zien dat ook in de literatuur van de twintigste en eenentwintigste eeuw het domein van het transcendente blijft fungeren als zingevend kader voor de dood van een kind.

Eveneens een belangrijk thema binnen de bundel is de aan verandering onderhevige relatie tussen de persoonlijke sfeer en de publieke ruimte bij de rouw om een overleden kind. Deze relatie komt in de literatuur van de laatste decennia onder meer tot uitdrukking in werken waarin een spanning tussen autobiografisch en fictioneel schrijven optreedt. De receptie van die werken is al even fascinerend. Sander Bax constateert bijvoorbeeld dat bovengenoemde spanning in A.F.Th. van der Heijdens ‘requiemroman’ Tonio bij de ontvangst in de massamedia goeddeels teniet werd gedaan: ‘in het taalspel van de mediacultuur wordt “het probleem van de fictie” niet opgevoerd, maar ontkend’ (246). Bax’ bijdrage illustreert de wijze waarop een aantal onderzoekers een koppeling weet te leggen tussen de representatie van kinderdood in literatuur en literaire cultuur in het algemeen.

Literaire representaties worden in Van Constantijntje tot Tonio enkele malen in verband gebracht met andere aan kinderdood gerelateerde cultuuruitingen. Rietje van Vliet schrijft kort over de populariteit van geschilderde doodsportretten in de zeventiende en negentiende eeuw; Rick Honings vertelt in zijn bijdrage over Bilderdijk in het voorbijgaan over zogeheten haarwerkjes vervaardigd uit het haar van overledenen; Anne van den Dool verwijst naar enkele speelfilms over de rouw van ouders; en Frans-Willem Korsten noemt een songtekst van Eric Clapton. Dergelijke referenties zijn een indicatie dat de bestudering van literatuur over kinderdood te midden van en in relatie tot andere kunstvormen een wenkend onderzoeksperspectief biedt.

In de epiloog van het boek, waarin enkele lijnen van de bundel in kaart worden gebracht, constateert Korsten dat een van de kernvragen is ‘hoe literatuur of kunst onze gevoelens richt in relatie tot degene met wie we geacht worden mee te leven’ (257). Dat meeleven kan betrekking hebben op verschillende personen of personages: ouders, andere naasten, maar ook kinderen zelf. Zeer opvallend in dit verband is Hagar Peeters’ Malva – onderwerp van de bijdrage van Van den Dool. In deze roman, gebaseerd op de treurige geschiedenis van de dochter van dichter Pablo Neruda, neemt het overleden kind zelf het woord en ontworstelt zich aldus aan ‘het talige gebrek dat haar leven op aarde kenmerkte’ (232). Zo wordt de hemel in Malva, meent Van den Dool, ‘een ruimte waarbinnen geschiedenissen kunnen worden herschreven, en de stemmen van onderdrukten de plaats krijgen die zij verdienen’ (232). Indachtig Korstens woorden over het vóórkomen van ‘het bewust doden van een pasgeboren kind’ en ‘selectieve abortus’ (256), wordt eens te meer inzichtelijk dat in hoeverre iemand als subject telt ook een kwestie is van het beschikken over talige vermogens – in sommige gevallen geeft literatuur taal aan degenen die niet zelf over die vermogens beschikken.

Niet alleen in Van den Dools bespreking van Malva, maar ook in veel van de andere bijdragen aan Van Constantijntje tot Tonio komt het belang van wie spreekt tot uitdrukking. Het spreken over de kinderdood stopt – zo wordt duidelijk – om die reden nooit; het is een verdienste dat de bundel een aantal voorbeelden van dit spreken op overtuigende wijze presenteert en van nadere duiding voorziet.

Wouter Schrover

Rick Honings, Olga van Marion & Tim Vergeer (red.), Van Constantijntje tot Tonio. Het dode kind in de Nederlandse literatuur. Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2018. 269 pp. ISBN: 9789087047238. € 29,–.