Feestelijke Bilderdijk-revue

Subliem is een groot woord, maar groot mag je de nalatenschap van de dichter Willem Bilderdijk (1756-1831) op zijn minst noemen. Wat we van hem over hebben, is het omvangrijke oeuvre van meer dan 300.000 (!) dichtregels van een ultra intelligente, zich briljant uitdrukkende geest, die nieuwsgierig was naar zo ongeveer alles, maar de neiging had dit ‘alles’ in een idiosyncratisch kader te wringen, dat gaande zijn levensjaren hoe langer hoe zwarter kleurde; Bilderdijk keek al vanaf zijn volwassenheid steeds gretiger uit naar het moment waarop hij zich uit kon strekken in het graf. Bilderdijk: ‘de opgestane Vondel’ (zo genoemd vanwege zijn ongemeen taalrijke verzen), dwarsligger, taalkundig fantast, en vooral een multitalent.

Bilderdijks dwarsliggen, zijn dichtgenie (lees maar eens wat hij van het proces van eieren koken bijeen weet te dramatiseren in het gedicht ‘Eierkoken’), zijn succesvolle zoektocht naar de ware liefde, het manische, zijn briljante onzinredeneringen. Dat alles maakt Bilderdijk voor mij tot kopstuk van de negentiende eeuw. Zij het niet als eenzaam topstuk: het ironische is dat mijn tweede held uit de periode 1800-1900 de eerste een kopje kleiner heeft gemaakt. Het is Multatuli die de reputatie van Bilderdijk als achttiende-, maar vooral negentiende-eeuwse, dichterenprins (bijna) terminale schade heeft toegebracht.

Want zo stond Bilderdijks reputatie er in 1906 voor, althans volgens een bijdrage in de De Graafschap-bode: nieuws- en advertentieblad voor stad- en ambt-Doetinchem, Hummelo en Keppel, Wehl, Zeddam, ‘s Heerenberg, Ulft, Gendringen, Sillevolde, Terborg, Varsseveld, Dinxperlo, Aalten, Breedevoorde, Lichtenvoorde, Groenlo, Neede, Eibergen en Borculo:

Geen Bilderdijk-sigaren,
Geen Bilderdijk-banket,
Geen Bilderdijk-prentbriefkaart,
Geen Bilderdijk-corset!

Geen Bilderdijk-Triumf-marsch,
Geen Bilderdijk-geblaat,
Geen huldigende stoete,
In de Bilderdijkstraat!

O, Bilderdijk, je kwaamt er
Maar allertreurigst af;
Want luttel is de eere
Die ’t nageslacht u gaf!

Maar moog’lijk brengt een kunst’naar
Een monsterhulde U,
En schrijft de heer A. Reijding
Een Bilderdijk-revue!

August Reijding (1863-1930), waar in het gedicht naar verwezen wordt, was een Nederlands lithograaf, tekenaar en bouwkundig ingenieur, maar ook schrijver van toneelstukken en liedjes, kostuumontwerper en auteursrechtdeskundige. In Parijs maakt hij kennis met de revue du fin de l’année, waarbij recente politieke gebeurtenissen door middel van sketches en satirische liedjes teruggehaald en becommentarieerd werden. Het was Reijding die in 1899 het revue-genre in Nederland introduceerde.

Recent verscheen de door Rick Honings en Gert-Jan Johannes samengestelde essaybundel Een sublieme nalatenschap. De erfenis van Willem Bilderdijk. Een Bilderdijk-revue, veelkleurig en bont als het onderwerp zelf. Het is een verbijsterend rijke voorstelling geworden. Een eerste poging tot eerherstel van Bilderdijks reusachtige talent is dit niet. Zo verscheen in 2013 reeds de biografie De gefnuikte arend van Rick Honings en Peter van Zonneveld, en al in 1997 bracht Marita Mathijsen een fraaie selectie Bilderdijk-brieven uit de jaren 1795-1797 onder de titel Liefde en ballingschap naar de moderne lezer. Is Willem Bilderdijk met deze bundel nieuwe artikelen dan eindelijk definitief terug in ons collectief geheugen?

Honings’ en Johannes’ bundeling Bilderdijk-essays opent met een bijdrage van Marleen de Vries, die toeschrijft naar een wat mij betreft problematische claim: ‘Bilderdijk is onze laatste grote dichter’. Dit komt volgens haar omdat ‘de poëzie in de achttiende eeuw haar status had moeten afstaan aan het “ondicht” (het proza)’. Pardon? Nederland geen grote dichters meer? Ze schreven misschien geen 300.000 versregels, maar we hoeven maar aan Lucebert of Leo Vroman te denken om hier de wenkbrauwen op te trekken. Ook stelt De Vries dat de term ‘ondicht’ sinds de achttiende eeuw in vergetelheid is geraakt. Ik vraag het me af. Zie bijvoorbeeld J. van Vloten, Nederlandsch dicht en ondicht uit de 19e eeuw (1861-1865), Willem Vletters Dicht en ondicht van landgenoot en vreemdeling (1872), Dicht en ondicht van J.P. Hasebroek  (1874),  de Jacques Perk-editie Proeven in dicht en ondicht uit 1958 en twee jaar later Bernard Kemps bloemlezing Gezelles ondicht.

Maar laten we de feestvreugde niet bederven met scherpslijperij, want dat is nu net wat in Een sublieme nalatenschap ontbreekt. Aan het woord is een groep moderne literatuurhistorici – ik zou ze bijna ‘bevrijd’ noemen; vlot, soms fraai schrijvende kenners die de digressie niet mijden. Het fraaiste voorbeeld daarvan is wel de bijdrage van Gert-Jan Johannes en Inger Leemans over Bilderdijk en het vliegeren, aan de hand van Bilderdijks manuscript Hanenpoot, een kinderboek voor diens zoontje Julius uit 1806. Ze dragen een verrukkelijke, kleine cultuurgeschiedenis van het vliegeren bij, en van de droom van de luchtreis per vlieger tot op heden, waaraan slechts het tegenwoordige kitesurfen ontbreekt.

De bijdrage van Joris Van Eijnatten is al even vrolijkmakend. Hij laat de nieuwste word count-technieken en grafieken op Bilderdijk los en ‘bewijst’ de (overigens niet nieuwe) stelling dat Bilderdijk geen fanatiek Oranjeklant was. En verder: Thomas von der Dunk over Bilderdijks ontwerp voor een ere-piramide voor Napoleon; Ariane Baggerman en Rudolf Dekker over Bilderdijks hoogste negatieve Engelandbeeld; Maaike Meijers stuk over dichteressen ten tijde van Bilderdijk; Lotte Jensens bijdrage over de waternoodpoëzie van Vrouwe Bilderdijk; Bilderdijkiaan Jan Wap belicht door zowel Marita Mathijsen als Olf Praamstra; Bilderdijks opiofagie ontmaskerd door Harmen Beukers. Het houdt niet op.

Een sublieme nalatenschap is een feest om te lezen. En ook… Vooruit Marleen de Vries: Bilderdijk is onze laatste grote dichter. Al was het alleen maar omdat hij 180 jaar na zijn dood nog stof genoeg biedt voor een boek als Een sublieme nalatenschap. Oké. Geen Bilderdijk-sigaren, geen dito ‘-banket, -prentbriefkaart of -corset’. De Bilderdijk-revue Een sublieme nalatenschap is een groots bewijs voor deze stelling: Bilderdijk blijft!

Atte Jongstra

Rick Honings & Gert-Jan Johannes (red.) Een sublieme nalatenschap. De erfenis van Willem Bilderdijk. Leiden: Leiden University Press, 2020. 287 pp. ISBN: 9789087283476. €39,50.

Een welbespraakte polemist

 

 

 

 

 

 

De kans dat Ton Anbeek deze recensie onder ogen krijgt lijkt verwaarloosbaar klein. Op 22 juni 2017 liet hij tijdens een gesprek met een groep Vlaamse neerlandici het volgende optekenen:

“Een paar maanden geleden kreeg ik door een toeval een paar van die literatuurwetenschappelijke bladen in handen, en die gingen allemaal over het postuur van de auteur. Daar stond dan ook altijd bij – dat was het grappigste – het gaat natuurlijk niet over de auteur, want we weten allemaal: de auteur is dood. Het werd net een beetje anders verwoord, maar wat een onzin! Het gaat over de auteur. Omdat we die interessant vinden, en omdat we ook vinden dat die een belangrijke visie heeft en dat we daar dingen over willen zeggen. Dat vind ik zo kinderlijk!”

Anbeeks opmerking is illustratief voor het genoegen waarmee deze welbespraakte polemist probeerde om theoretische ambities te ontmaskeren als holle pretenties van letterkundigen die hun wetenschappelijke distinctiedrift zwaarder zouden laten wegen dan hun respect en liefde voor de literatuur. Enkele jaren voor zijn vervroegde emeritaat in 2005 kruiste Anbeek over deze kwestie nog de degens met zijn Leuvense collega Dirk de Geest in het tijdschrift Literatuur. Naar aanleiding van vijf recent verschenen studies op het gebied van de Moderne Nederlandse Letterkunde hekelde Anbeek het gebruik van theoretische constructies. Die waren volgens hem slechts ‘verpakking van literaire voorkeuren’. Van theorie in de literatuurwetenschap kon nauwelijks sprake zijn. Theorie kwam volgens Anbeek vooral voort uit imponeergedrag en territoriumdrift. In zijn reactie benadrukte De Geest het belang van theorie voor de ontwikkeling van nieuwe vragen, hypotheses en methoden en voor de wetenschappelijke communicatie. De wat machteloze dupliek van Anbeek demonstreerde in wezen het gelijk van De Geest, dat bijna twintig jaar later alleen maar aan kracht heeft gewonnen: zonder theorievorming plaatst de letterkundige neerlandistiek zichzelf buiten spel, ook in de competitie om nationale en internationale onderzoeksgelden, waarvan het voortbestaan van ook deze academische discipline helaas afhankelijk is.

Het interview met Ton Anbeek vormt het hart van de bundel Letterkunde met lef. Het boek is een initiatief van het Studiecentrum voor Experimentele Literatuur, een gezamenlijke onderzoeksgroep van de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel. Een van de activiteiten van deze groep is het bestuderen van ‘beeldbepalers’: teksten en auteurs die een belangrijke invloed hebben uitgeoefend op het beeld van de Nederlandse literatuur en literatuurstudie. De keuze voor Ton Anbeek ligt voor de hand. Generaties studenten groeiden op met zijn studies over de naturalistische roman in Nederland en over het proza na de oorlog en met zijn Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1885-1985, terwijl ook zijn roemruchte oproep tot wat meer ‘straatrumoer’ in de Nederlandse literatuur nog altijd resoneert. Anderzijds wekt het verbazing dat uitgerekend dertien Vlaamse neerlandici eer bewijzen aan deze beeldbepaler. Niet alleen kreeg Anbeek in de jaren negentig de nodige kritiek te verduren omdat hij in zijn literatuurgeschiedenis geen aandacht schonk aan de Vlaamse literatuur, ook zijn scepsis ten aanzien van literatuurtheorie laat zich moeilijk rijmen met de aandacht voor theorievorming in juist de Vlaamse letterkundige neerlandistiek.

Die kwestie wordt in Letterkunde met lef nauwelijks geadresseerd, zoals ook het dispuut tussen Anbeek en De Geest niet wordt genoemd. De bundel wil vooral een overzicht bieden van Anbeeks oeuvre en opvattingen. Daarbij gaan de samenstellers en auteurs eerder empathisch dan kritisch te werk. Dat is passend voor een huldebundel, maar minder voor een boek dat ‘een multiperspectivisch, kritisch en grondig beeld [wil] geven van een belangrijk oeuvre uit de neerlandistiek’ en dat een rol wil spelen in de gedachtevorming over het vakgebied. Helaas hebben de interviewers zich niet laten provoceren door opmerkingen van Anbeek over zijn allergie ‘voor alle theoretische uitleg’, zoals Anbeek zich op zijn beurt niet uit de tent liet lokken door een voorzichtige vraag over de eventuele nadelen van zijn aanpak.

Multiperspectivisch en grondig is Letterkunde met lef zeker. In de inleiding plaatsen de samenstellers het werk van Anbeek in de institutionele en disciplinaire context van de neerlandistiek, onder andere door aandacht te schenken aan de vormende invloed van voorgangers als Sötemann, Oversteegen en Gomperts en (zij het nogal impliciet) aan de Nederlandstalige publicatiecultuur waarin iemand als Anbeek tot bloei kon komen. Samen met het degelijke hoofdstuk van Koen Rymenants over het vroege werk van Anbeek vormt die inleiding een bouwsteen voor de nog te schrijven geschiedenis van de letterkundige neerlandistiek in de late twintigste eeuw, een vervolg op het recente proefschrift van Marieke Winkler (Geleerd of niet) over literatuurkritiek en literatuurwetenschap in Nederland van Jonckbloet tot Gomperts. Rymenants laat in zijn hoofdstuk mooi zien hoe Anbeeks latere afkeer van theorievorming voortvloeide uit zijn vroege teleurstelling in het ontbreken van de verklarende kracht van veel literatuurtheorie. Het zou interessant zijn om na te gaan hoe zich dit bij Anbeeks generatiegenoten en opvolgers heeft ontwikkeld.

In de volgende hoofdstukken wordt aandacht geschonken aan achtereenvolgens Anbeeks proefschrift De schrijver tussen de coulissen (door Ellen Beyaert), zijn monografie De naturalistische roman in Nederland (door Nele Janssens en Alyssa Verhees), het geruchtmakende artikel over ‘straatrumoer’ in De Gids van 1981 (door Siebe Bluijs), de literatuurhistorische handboeken (door Janna Aerts, Elke Depreter en Lieselot De Taeye), Het donkere hart (door Lars Bernaerts en Linde De Potter), zijn beschouwingen over poëzie (door Carl De Strycker), zijn optreden als ‘recensent der recensenten’ (door Maxime Van Steen) en als chroniqueur van recent proza in het tijdschrift Neerlandica extra Muros tussen 1998 en 2005 (door Jan Lampaert). Uit de verzamelde beschouwingen rijst het beeld op van een bezielde neerlandicus, een gepassioneerde lezer, een literatuurbeschouwer die vaart op het kompas van zijn intuïtie en vooral een leesbaar verhaal wil vertellen. In dat opzicht is Anbeek eerder een essayist dan een academicus die zich voegt naar wetenschappelijke kennismodellen. In hun hoofdstuk over Het donkere hart, een van de meer kritische stukken in de bundel, geven Bernaerts en De Potter trefzeker weer waar het Anbeek in wezen om te doen was: ‘een vorm van close reading, vaak tegen een comparatistische achtergrond en met een intentionalistische ondertoon’. Carl De Strycker preciseert dit beeld nog door Anbeeks poëziebeschouwing te typeren als ‘een close reading waarin de structuuranalyse dienstbaar is aan de inhoudelijke analyse’.

Het is geen geringe verdienste van Letterkunde met lef dat het boek nieuwe vragen oproept. Wat maakt een letterkundige neerlandicus tot een beeldbepaler? Op grond van de bijdragen in deze bundel kan ik alleen een tentatief antwoord wagen. In het geval van Anbeek speelden zijn indrukwekkende productiviteit, zijn vlotte stijl en zijn lef beslist een rol. In verder onderzoek zou ook de literaire en wetenschappelijke infrastructuur moeten worden betrokken. Dat Anbeeks meest spraakmakende publicaties verschenen in literaire tijdschriften als Maatstaf, De Gids, De Revisor en Literatuur en bij uitgeverijen als Athenaeum – Polak & Van Gennep en De Arbeiderspers heeft beslist bijgedragen aan de bekendheid van zijn werk bij een breder publiek dan dat van de vakgenoten. Ten slotte lijkt het erop dat letterkundigen van zijn generatie vooral opgang konden maken met wat volgens Anbeek op theoretisch vlak vermoedelijk het maximaal haalbare was: het ontwikkelen van een classificatiemodel en een daarop gebaseerde typologie. Zo maakte W.J. van den Akker naam met zijn verfijning en systematisering van het poëticamodel en wordt Ton Anbeek onthouden vanwege de acht prototypische kenmerken van het naturalisme. Maar dit zijn overwegingen voor later vakhistorisch onderzoek, waar Letterkunde met lef goede bouwstenen voor aanlevert.

Anbeeks boutades tegen ‘theorie’ kunnen we beter naast ons neerleggen. Wat hij scherper dan wie dan ook zag was dat de neerlandistiek haar maatschappelijke basis moet behouden of terugwinnen, want in die basis ligt haar bestaansrecht. Anno 2021 doen we er dan ook goed aan deze onheilspellende woorden van Anbeek ter harte te nemen, uit een essay in De Gids van 1974: ‘Wij kunnen praten over de subtiliteiten van de literaire ruimte zoveel we willen, maar ten slotte zullen wij dan de enigen zijn die zich nog in die ruimte bevinden, in een verder door iedereen verlaten bibliotheek.’ Het is aan ons om toekomstige generaties te laten zien dat deze vrees ongegrond was.

Mathijs Sanders

Lars Bernaerts, Linde De Potter, Koen Rymenants (red.), Letterkunde met lef. Ton Anbeek als onderzoeker en criticus. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letteren (KANTL), 2020. – 166 pp. ISBN: 978 94 6388 671 0. € 19,50.

 

Waar is de gender bias?

‘Coowlen?’ Op het NovelTM Congres 2018 in Montreal hoor ik professor Ted Underwood – internationaal vermaard om zijn pionierswerk op het gebied van de computationele letterkunde – een poging doen de naam van Corina Koolen uit te spreken. In een discussie over literaire kwaliteit, gender en stereotypes haalt hij haar met Andreas van Cranenburgh gepubliceerde artikel ‘These are not the Stereotypes You are Looking For: Bias and Fairness in Authorial Gender Attribution’ (2017) aan. Hij is lyrisch. Niet alleen over het artikel, maar ook over het bredere onderzoeksproject The Riddle of Literary Quality (2012-2019) waar het uit voortkomt. De combinatie van grootschalig lezersonderzoek (Nationale Lezersonderzoek 2013) en computationele tekstanalyse is inderdaad uniek: niet eerder is er zulk datagedreven onderzoek gedaan naar de relatie tussen lezersoordelen en tekstkenmerken. The Riddle of Literary Quality was een aanzet tot een computationele operationalisering van de grote vraag wat literaire kwaliteit is. In plaats van te verzanden in definities die literatuurwetenschappers sinds jaar en dag vanuit hun leunstoel hebben proberen te formuleren, vertrok dit project vanuit de simpele maar heldere hypothese dat teksten die meer of minder literair beoordeeld worden wel eens meetbare kenmerken gemeen zouden kunnen hebben. Grammaticale complexiteit, bijvoorbeeld, of het gebruik van bepaalde onderwerpen of thema’s.

Hoewel die benadering in de kringen van meer kwantitatief ingestelde letterkundigen doorgaans in goede aarde viel, is ze verre van oncontroversieel in andere regionen van de literatuurwetenschap. Literatuur door een computer halen? Literaire kwaliteit meten? Blasfemie! Die weerstand is onderdeel van een bredere discussie over de opbrengsten en gevaren van het schijnbaar oprukkende, maar nog steeds relatief marginale distant reading binnen de muren van letterenfaculteiten in binnen- en buitenland. Dat die discussie levendig is, blijkt uit het online platform dat wetenschappelijk tijdschrift Critical Inquiry oprichtte naar aanleiding van het artikel ‘The Computational Case against. Computational Literary Studies’ (2019) van Nan Z. Da, waarin door de groten der letterkunde van gedachten werd gewisseld over de intrede van de computer, waarbij de gemoederen niet zelden hoog opliepen. Ik heb hier te weinig ruimte om de relatie van Koolens nieuwe boek tot die discussie in kaart te brengen, en zal moeten volstaan met de observatie dat haar innovatieve computationele benadering in de letterkundige gemeenschap niet alleen tot fascinatie (zoals van Ted Underwood en van ondergetekende), maar ongetwijfeld ook tot scepsis zal hebben begeleid.

En dan hebben we het nog niet eens over gender gehad. Dit is geen vrouwenboek. De waarheid achter m/v-verschillen in de literatuur (2020) is een bewerking van het proefschrift Reading Beyond the Female. The Relationship Between Perception of Author Gender and Literary Quality (2018) waar Koolen op promoveerde. Dat leidde toen al tot een kleine controverse in het publieke debat, waarbij onder andere Elma Drayer en Jamal Ouariachi hun stem lieten horen. Hoewel Koolens observatie dat lezers in het Nationale Lezersonderzoek 2013 vrouwelijke schrijvers als minder literair beoordelen dan mannelijk schrijvers moeilijk aanvechtbaar is (de statistieken spreken in dit geval voor zich), bleken haar mogelijke verklaringen en interpretaties van dat patroon heel goed aanvechtbaar voor mensen die jeukerig worden van alles wat maar in de verte riekt naar identiteitspolitiek. Meestal ging de kritiek niet verder dan weinig gegronde beweringen als dat het toch wel meevalt met die biases rondom vrouwelijk auteurschap die Koolen op consciëntieuze en overtuigende wijze hard maakt in haar proefschrift.

Het publieksboek Dit is geen vrouwenboek is niet alleen een vertaling van haar onderzoeksresultaten in aangenamer proza, met minder jargon en een anekdotische, persoonlijke stijl (‘Herfst 2019. Joris grinnikt even als hij het koffietentje binnenkomt waar ik met hem heb afgesproken’ [p.11]), het bouwt ook duidelijk voort op de discussie rondom haar proefschrift in 2018. Al op de eerste bladzijden spreekt ze haar criticasters en de mensen die ze onder de grotere noemer ‘Club Gendermoeheid’ schaart expliciet toe (‘Sorry, Arnon. Ik stel voor: lees als allerlaatste actie dit boek, dan lossen we alles op en dan praten we er nooit meer over’ [p.13]). Het voordeel daarvan is dat haar kaarten meteen op tafel liggen, het nadeel is dat het een wij-zij-gevoel oproept. Op zich is het natuurlijk helemaal geen slecht idee om je te verhouden tot je (potentiële) critici, en Koolen doet dat op zeer genuanceerde wijze, waarbij ze de lezer stap voor stap door haar onderzoeksproces heen loodst. Mijn enige, bescheiden bezwaar is de soms positivistische toon die Koolen daarbij hanteert. Dat zit bijvoorbeeld in de ondertitel van het boek De waarheid achter man-vrouw-verschillen in de literatuur en in het ‘QED’ (Quod Erat Demonstrandum) waarmee ze haar conclusie afsluit. Het gaat hier niet zozeer om inhoudelijke, maar eerder om stilistische keuzes die mijns inziens onnodig suggereren dat de waarheid over gender en literaire kwaliteit nu voor eens en voor altijd boven tafel is. Het strookt ook niet met Koolens weloverwogen reflecties op het gebruik van datagedreven computeranalyse, waarbij ze eigenlijk eerder een anti-positivistische houding inneemt, zoals wanneer ze in de bijlage ‘Verklarende lijst computerprogramma’s’ nuanceert dat die computerprogramma’s ‘niet De Waarheid [opleveren], maar […] vooral nuttig [zijn] om inzicht te geven in patronen, die anders wellicht niet op zouden vallen’ (p. 211). Als er al een waarheid is over man-vrouw-verschillen in de literatuur, dan komen weinig boeken daar dichter bij in de buurt dan dat van Koolen. Maar De Waarheid bestaat natuurlijk niet, zoals Koolen zelf heel goed weet, dus waarom die suggestie wekken?

Los daarvan weet Koolens boek me veelvuldig te inspireren. Ter illustratie licht ik één aspect uit dat wat mij betreft navolging mag krijgen: haar gebruik van institutionele analyse ter aanvulling op en soms verklaring van haar computationele tekstanalyses. Het meest in het oog springend is haar concept ‘de literaire ladder’, waarmee ze onderscheid maakt tussen de mate waarin mannen en vrouwen scoren op oplopende niveaus van literair prestige, van professioneel auteur naar literair auteur naar gerecenseerd worden naar genomineerd worden voor een literaire prijs naar een prijs winnen. Hoe hoger we op de literaire ladder komen, hoe minder aanwezig vrouwelijke auteurs zijn. Als slechts 21 tot 25% van de literaire prijzen door vrouwen worden gewonnen, dan is het niet vreemd dat men literaire kwaliteit met mannelijk auteurschap blijft associëren. En dit is slechts één van de vele (institutionele en tekstuele) patronen die Koolen aanhaalt als mogelijke verklaringen van die gender bias onder lezers.

In meer algemene zin is haar drieledige methodologische raamwerk de belangrijkste bijdrage van Dit is geen vrouwenboek aan de studie van gender bias in literatuur. Op overtuigende wijze brengt ze drie dimensies samen: 1) de lezer (hoe oordelen lezers over literaire kwaliteit van vrouwelijke ten opzichte van mannelijke auteurs?); 2) de tekst (zijn er typisch mannelijke of vrouwelijke tekstkenmerken?); en 3) de institutionele context (welke positie hebben vrouwelijke auteurs in het literaire veld en welke infrastructurele factoren spelen daar een rol in?). Haar bevinding dat er andere normen gelden voor vrouwelijke dan voor mannelijke schrijvers komt waarschijnlijk niet als een verrassing; het is vooral de rijkheid van perspectieven op en mogelijke verklaringen van die normen die dit boek zo lezenswaardig maakt. Vrouwelijke schrijvers worden significant lager beoordeeld door lezers dan mannelijke schrijvers. Genre speelt daar een rol in: het romantische genre kent vooral vrouwelijke auteurs en scoort het laagst, maar ook literaire romans geschreven door vrouwen scoren lager. Niet digitale tekstanalyse maar institutionele analyse lijkt uiteindelijk tot de meest bevredigende verklaring te leiden: hoewel vrouwen een andere grammaticale stijl en onderwerpkeuze hanteren dan mannen (al is dit nogal een complexe kwestie met ruimte voor interpretatie), wijdt Koolen dat verschil in beoordeling vooral aan institutionele factoren zoals de bovengenoemde ‘literaire ladder’ (vrouwen zijn minder zichtbaar aan de ‘top’ van het literaire veld, wat bijdraagt aan de beeldvorming). Intuïtief lijkt dat misschien logisch (want we zien, bijvoorbeeld, dat vrouwen minder prijzen winnen), maar Koolens boek laat ook zien hoe complex die intuïtie is. We vinden van alles, ook over gender en literatuur, maar waarom we dat vinden heeft vaak te maken met onbewuste en niet-objectieve opvattingen die gevormd worden door vage associaties, ingesleten stereotypen, eeuwenoude culturele patronen. Kristalhelder zal het wel nooit worden, maar na lezing van Dit is geen vrouwenboek zijn die vage associaties in ieder geval een heel stuk minder vaag.

‘Her name is Corina Koolen’, antwoordde ik op de vraag van Ted Underwood, ‘her work is awesome’.

Roel Smeets

Corina Koolen, Dit is geen vrouwenboek. De waarheid achter man-vrouw-verschillen in de literatuur. Amsterdam: HarperCollins, 2020. 224 pp. ISBN: 978-94-0270-557-7. €22,50.