Hoe kunst tot kunst wordt gemaakt

Onlangs was ik met een aantal literatuurkenners in debat over de gedichten die via het sociale medium Instagram verspreid worden. Een van de discussiepartners – zelf dichter – vond deze rijmende, spreukachtige teksten ‘een sociologisch fenomeen, maar géén poëzie. Dat leek me een onhoudbaar standpunt: vanuit mijn eigen institutionele definitie is alles poëzie wat zo genoemd wordt. Tegelijk, zo moest ik toegeven, vinden sommige Instagramdichters zelf óók niet dat ze ‘gedichten’ of ‘poëzie’ schrijven. Zij noemen hun werk ‘versjes’. Sommigen van hen publiceren hun werk echter óók op papier bij erkende uitgeverijen. Mag je alleen wanneer zulke officiële veldspelers in beeld komen van ‘poëzie’ spreken? 

Dit voorbeeld illustreert de bepalende rol van instituties in het functioneren van literaire teksten. Het is in de literatuursociologie inmiddels een gemeenplaats om te stellen dat een literaire tekst nooit in een vacuüm tot stand komt. Werken worden niet alleen geproduceerd, maar ook beoordeeld en gecanoniseerd (‘dit is (goede) literatuur, dit niet’) door een enorm aantal ‘medemakers’, waaronder uitgeverijen, subsidieverstrekkers, critici, scholen en universiteiten. Nico Laans studie Medemakers biedt een zeer rijke synthese van wat decennia sociologisch onderzoek aan inzichten heeft opgeleverd over dat netwerk waarin cultuurproducten gemaakt, verspreid en van waarde voorzien worden. 

Laan heeft zelf geen nieuw analytisch of empirisch onderzoek verricht voor dit boek, maar bespreekt een groot aantal secundaire bronnen. Op twee manieren is de studie daarbij bijzonder inclusief: ze plaatst de literatuur voortdurend naast andere culturele velden zoals de muziek en de beeldende kunst, en ze heeft een internationale insteek. Naast Laans eigen specialisme van de neerlandistiek zijn vooral studies uit en over de grote westerse culturen goed vertegenwoordigd (de VS, Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland), maar hier en daar gaat het ook over relatief onderbelichte landen als China en Japan. De hoeveelheid studies die Laan bespreekt is verbluffend: de bibliografie beslaat meer dan tachtig dikbedrukte pagina’s. Frappant is trouwens dat Laan in het boek tientallen keren naar ruim 40 publicaties van zijn eigen hand verwijst, en soms ook naar scripties die hij heeft begeleid. Dat toont aan dat dit overzichtswerk tegelijk een persoonlijk project is: het is het resultaat van zo’n 35 jaar schrijven, lezen en doceren over culturele instituties. 

Medemakers valt uiteen in twee of meer even lange delen: een deel dat een metareflectie biedt op de kunstwetenschappen en de instrumenten waarmee die wetenschappen de kunst bestuderen, en een meer cultuurhistorisch gedeelte waarin vier fasen besproken worden in het kunstproductieproces. In dat tweede deel schuilt voor mij de kern van het boek. Zoals Laan zelf al aangeeft (op p. 10-12) is hij een van de eersten die systematischer de keten probeert te beschrijven die kunstwerken doorlopen in hun productie en waardetoekenning: van uitgever of platenmaatschappij via criticus en wetenschapper tot in de klas. Hij laat daarbij met name overtuigend zien hoe de kritiek, de wetenschap en het onderwijs op elkaars werk en inzichten voortbouwen – waarbij ze ook, vaak impliciet, veel ontlenen aan de beeldvorming die kunstenaars zelf ontwikkelen rond hun werk en persoon. Maar ook deel 1 kent waardevolle hoofdstukken. Sterk vond ik vooral het openingshoofdstuk, waarin vier niet-tekstinterne theoretische tradities worden gecontrasteerd (de receptie-esthetica, de cultuurgeschiedenis, de cultural studies en de literatuursociologie) en het vierde hoofdstuk, waarin een breed historisch kader wordt geschetst van de studie van de kunsten. Dat laatste hoofdstuk bevat bijvoorbeeld boeiende passages over de verhouding tussen mecenaat, markt en beleid in de kunsteconomie. 

Het is onmogelijk om in een bespreking recht te doen aan de talloze invalshoeken in Medemakers. We lezen onder veel meer over ‘editing’-processen bij uitgeverijen en in de filmwereld, over orkestratie in de kritiek, over canonisering en over de rol van staten in het kunstonderwijs – waarbij er tot in de achttiende eeuw of daarvoor wordt teruggegaan. Die breedheid is de kracht van het boek, maar heeft ook nadelen: Laans schrijfstijl is weliswaar prettig, maar zijn betooglijn meandert nogal. Niet alle kopjes zijn even instructief (‘Fixatie’ voor een paragraaf over de bijna exclusieve aandacht voor teksten en auteurs in de letterkunde); sommige zijn zelfs verwarrend (twee ver uiteenliggende paragrafen in één hoofdstuk, waarvan de eerste ‘Mecenaat/markt’ heet en de vierde ‘Mecenaat/markt/beleid’). Ook de uitweidingen zijn soms wat omstandig. Zo dient hoofdstuk 2 om stapsgewijs uit te leggen waarom Laan vindt dat de bourdieuaanse literatuursociologie van de theoretische tradities die hij heeft aangestipt het meest te bieden heeft. Hij trekt daar echter zóveel pagina’s voor uit, dat zijn narratief regelmatig kopje onder dreigt te gaan. 

Toch is dat narratief er wel degelijk, en Bourdieu drukt er inderdaad een groot stempel op. Meer bepaald is Laans visie, zoals hij zelf aangeeft (p. 69), geïnspireerd op het bourdieuaanse literatuursociologische werk van onder anderen Hugo VerdaasdonkKees van Rees en Gillis Dorleijn. In die Nederlandse literatuursociologische traditie komen de termen economisch en symbolisch kapitaal nauwelijks terug, die Bourdieu met een provocatieve knipoog naar Marx inzette om een klassenanalyse van de reproductie van maatschappelijke machtsverhoudingen te kunnen geven. De veel minder ideologiekritische begrippen ‘materiële en symbolische productie’ werden ervoor in de plaats gezet, bijvoorbeeld in de invloedrijke bundel De productie van literatuur (2006) onder redactie van Van Rees en Dorleijn en nu ook in Medemakers, om aan te geven hoe het verschijnsel ‘literatuur’ door allerlei institutionele spelers wordt medegevormd. Deze oriëntatie maakt dat er zelden sprake is van een ideologiekritische aanpak in Medemakers, terwijl het boek zich daar best voor zou hebben geleend. Volgens Bourdieu wordt in het onderwijs een ‘esthetische blik’ aangeleerd waarmee hoogopgeleide mensen zichzelf kunnen onderscheiden van anderen (‘distinctie’). Laan schrijft in zijn hoofdstuk over het onderwijs weinig over dat soort aannames en ergert zich zelfs zichtbaar aan een ‘nogal onbehouwen analyse van schoolboeken Nederlands uit de jaren zestig en zeventig’ (p. 356) van Teun A. van Dijk (Het literatuuronderwijs op school, 1977). Daarin wordt een scherpe kritiek geleverd op het ideologische en inhoudsloze literatuurbegrip dat in het literatuuronderwijs zou worden overgedragen. Dit is duidelijk niet het type maatschappelijke analyse waar het Laan om is te doen. 

Dat is een valide keuze, maar het is wel zonde dat Laans boek soms de analytische afstand tot de wetten van het culturele veld mist die Bourdieus werk op de beste momenten zo waardevol maakt. Bourdieu maakt weliswaar aannemelijk dat veldspelers de regels van het culturele spel als volkomen natuurlijk beschouwen, maar zijn werk heeft tegelijk de ambitie die natuurlijkheid voortdurend te verstoren, met name door het idee van belangeloosheid als ideologisch te ontmaskeren. Dat gebeurt bij Laan minder: hij neemt de grenzen van de subvelden van de kunst grotendeels aan als gegeven, en de culturele productieketen die hij schetst gaat – zonder dat dat benoemd wordt – telkens uit van geconsacreerde werken die in een relatief autonoom subdomein van de kunst functioneren. Met die blik kun je weliswaar prima het productie- en waardetoekenningsproces van de romans van Jane Austen of de symfonieën van Beethoven beschrijven, maar het is veel lastiger om ermee recht te doen aan intermediale verschijnselen: adaptaties van romans, voordrachtspoëzie, popconcerten, street art of Instagrampoëzie bijvoorbeeld. Toch is het onmogelijk vol te houden dat deze verschijnselen niet medebepalend zijn voor de kunstwereld in heden en verleden: in de canonisering van Austen zijn intermediale adaptaties bijvoorbeeld niet weg te denken. 

Een andere lacune van het boek is dat Laan zich zo sterk op de symbolische productie richt – opnieuw deels in lijn met het bestaande literatuursociologische onderzoek in Nederland – dat interessante meer materiële veldspelers onderbelicht blijven. Denk bijvoorbeeld aan al die producenten die materiële of digitale dragers verzorgen en daarmee óók bijdragen aan artistieke ontwikkelingen: zo werd er een nieuw type symfonische en conceptuele popmuziek mogelijk toen de single het pleit verloor van de lp; en zo werd de televisieserie diep beïnvloed door de groei van een streamingmodel. Laan heeft ook geen hoofdstuk toegevoegd over distributie en verkoop: daardoor gaat het bijvoorbeeld niet tot nauwelijks over de machtsverschuiving die heeft plaatsgevonden van fysieke boekverkopers naar digitale bedrijven of van platen– en filmmaatschappijen naar Spotify en Netflix. 

Dat alles neemt niet weg dat het goed is dat Medemakers er is. In dit geval is deze positieve wending niet het gratuite cliché dat ze in recensies van academische boeken vaak is. Want Medemakers is écht een uitzonderlijke studie: geen compleet boek – hoe kan het ook anders – maar wel een gulle synthese, die hopelijk de komende jaren voor onderzoekers en studenten uit diverse disciplines als inspiratiebron en vraagbaak kan fungeren. 

Laurens Ham 

Nico Laan, Medemakers. Sociologie van literatuur en andere kunsten. Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2018. 484 pp. ISBN: 978 90 8704 749 8. € 39,00. 

Bridging the policy-practice gap

Tussen 2010 en 2016 bestudeerde Steven Delarue de percepties rond taalgebruik, taalideologie en taalbeleid van Vlaamse leerkrachten in zowel basisonderwijs als secundair onderwijs.

Het doel van zijn proefschrift was drieledig. In de eerste plaats bestudeerde Delarue perspectieven met betrekking tot standaardtaalgebruik en taalvariatie in taalbeleidsdocumenten opgesteld door de Vlaamse overheid (beleidsdocumenten van de recentste ministers van onderwijs en eindtermen). In de tweede plaats onderzocht hij hoe leerkrachten omgaan met het taalbeleidskader dat door dit macroniveau wordt opgelegd. In dit onderdeel ging hij na in welke mate deze beleidsdocumenten leerkrachten bereiken en hoe zij de inhoud ervan percipiëren. Tot slot bestudeerde Delarue hoe Vlaamse leerkrachten de beleidsvoorschriften vertalen naar de praktijk en in hun discours de spanning beleven tussen geobserveerd taalgebruik in praktijk versus de beleidsvoorschriften.

Om deze vragen, etc. te beantwoorden werden 82 Vlaamse leerkrachten, verspreid over grote en kleinere katholieke scholen over alle provincies van Vlaanderen, geobserveerd tijdens hun lessen en vervolgens geïnterviewd.

Het eerste deel van het proefschrift focust op de beleidsdocumenten en de wijze waarop het daarin voorgeschreven beleid vorm krijgt op het mesoniveau van de school en het microniveau van de leerkrachtpraktijk. Uit de analyse van de documenten op macroniveau blijkt een sterke focus op Nederlands, en daarbinnen nog eens op Standaardnederlands, doorgaans vanuit een emancipatorische gedachte in het kader van onderwijskansen creëren. Aandacht voor de realiteit van inter- en intralinguale variatie wordt ook gevonden, maar eerder in documenten zoals bijvoorbeeld de eindtermen, of documenten die uitgaan van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren (Taalunie).

Uit het tweede deel blijkt dat Vlaamse leerkrachten slechts zeer beperkt op de hoogte zijn van het taalbeleid dat door de overheid wordt voorgeschreven. Ondanks de onbekendheid met richtlijnen van bovenaf, onderschrijven leerkrachten wel het belang van Standaardnederlands in de schoolse context. Op vlak van ‘belang’ zijn overheid en leerkrachten het dus eens. Leerkrachten zijn daarentegen doorgaans wel op de hoogte van de vertaling van het taalbeleid van de overheid naar de context van de eigen school in een schooleigen taalbeleid – als de school ten minste een taalbeleid heeft. Dit schooleigen taalbeleid wordt door de leerkrachten dan ook gewaardeerd en ondersteund. Bovendien wijst de vergelijking van standaardtaalkenmerken versus tussentaalkenmerken uit dat de in de corpora opgenomen leerkrachten uit Ieper, Gent en Antwerpen statistisch significant minder tussentaalkenmerken in hun taalgebruik incorporeren dan niet-leerkrachten.

In het slotdeel onderzoekt Delarue hoe leerkrachten bruggen slaan tussen de nadruk op Standaardnederlands in het taalbeleid uitgetekend door de overheid en de school, en hun eigen taalgebruik dat gekenmerkt wordt door variatie. Afwegingen die te maken hebben met de leerkracht-leerling-relatie, met een hiërarchie in de veelheid van leerkrachttaken, met passende taalvariëteiten, de veranderingen in taalgebruik in de maatschappij, en met een bredere invulling van wat onder Standaardnederlands in de klas kan worden verstaan maken dat leerkrachten (hun) taalvariatie kunnen verantwoorden. Hierbij geven leerkrachten en leerlingen aan dat Standaardnederlands de vlotte omgang kan beperken, dat de lesinhoud moet primeren op de taalvariant waarin deze gegeven wordt, en dat het als leerkracht goed is je taalgebruik gericht aan te passen zolang geen dialect wordt gebruikt.

Sterk aan het proefschrift is de korte, duidelijke state-of-the-art ter inleiding van de zes onderzoekspapers. Delarue staat stil bij terminologie en duidt op heldere wijze de verschillende attitudes van Europese naties en van Vlaanderen ten opzichte van standaardtaal en taal binnen onderwijs. Verder confronteert de auteur met dit werk voor het eerst de uitgesproken (standaard) taalideologie.n in het Vlaamse onderwijs met de praktijken en percepties van Vlaamse leerkrachten. Niet alleen vult Delarue daarmee een belangrijke leemte in dat onderdeel van de sociolinguïstiek dat focust op onderwijs: hij laat namelijk de leerkrachten zelf aan het woord over hun taalgebruik. Bovendien toont Delarue zich hierin een goed verteller die een complex verhaal op een heldere manier brengt en beargumenteert.

Hoewel het samenbrengen van verschillende studies in een proefschrift het voor de lezer niet steeds gemakkelijk maakt om de opbouw te volgen, probeert Delarue verdienstelijk de opbouw te verduidelijken met voorafgaande achtergrondparagrafen. De sterke link van Delarues onderzoek met de onderwijspraktijk maakt wel dat een reflectie over onderliggende sociolinguistische processen met betrekking tot taal en macht op de achtergrond blijven.

Samenvattend kan men stellen dat de grote verdienste van het proefschrift is dat Delarue de lezer voor het eerst meeneemt naar de onderwijsrealiteit en laat zien dat het verhaal van taalgebruik en taalpercepties daar veel gevarieerder en genuanceerder is dan krantenkoppen veelal laten vermoeden.

 

Goedele Vandommele

 

Steven Delarue, Bridging the policy-practice gap: How Flemish teachers’ standard language perceptions navigate between monovarietal policy and multivarietal practice. Proefschrift UGent, 2016. xviii + 319 pp.

Basisboek syntaxis

Het Basisboek syntaxis is een handleiding voor het ontleden van zinnen. Het richt zich tot mensen die al een basiskennis van zinsontleding hebben zoals studenten in het hoger onderwijs of leerlingen uit de hoogste klassen van het havo en vwo (en het aso in Vlaanderen). De benadering van het ontleden is ‘vooral gericht op inzicht’ (p. 5) en dus zeker niet op het memoriseren van definities en voorbeeldontledingen. Dat is een prima doelstelling, die echter ook hoge verwachtingen schept. Ze veronderstelt immers dat de auteur een consistent begrippenapparaat voorstelt en ook een navolgbare manier van redeneren zodat de leerder zelfstandig tot een goede of tenminste verdedigbare analyse kan komen van nieuwe tekstvoorbeelden.

Bij die doelstelling kan ik me helemaal aansluiten. Ik heb zelf jarenlang Nederlandse taalkunde (syntaxis en morfologie) gegeven in het eerste jaar van de opleiding Taal- en Letterkunde aan de KU Leuven, waarbij die doelstelling ook mijn richtsnoer was: ‘leren redeneren met je kennis van je moedertaal’.

Tot mijn grote voldoening mag ik vaststellen dat de auteur vrij goed in zijn opzet geslaagd is, zeker in de behandeling van de enkelvoudige zin, die het grootste deel van het boek uitmaakt. De samengestelde zin en de woordsoorten zijn minder uitgebreid behandeld (p. 127-177). Daarnaast bevat het boek ook een uitgewerkte didactische aanpak van het ontleden (hoofdstuk 14) en een korte, maar interessante historische uitleg (hoofdstuk 15).

Interessant zijn ook de vergelijkingen met andere talen die her en der zijn opgenomen. Voor de leerder kunnen die zeker tot meer inzicht leiden in de zinsstructuur van het Nederlands.

In wat volgt geef ik enkele kritische bemerkingen die nuttig kunnen zijn bij een volgende editie van het boek.

De klassieke voorwerpen bij het gezegde zoals het lijdend voorwerp, het meewerkend voorwerp en het voorzetselvoorwerp worden benoemd als ‘verplichte zinsdelen’ (p. 23-25). Wat ‘verplicht’ hier betekent, is misschien nog voor verschillende interpretaties vatbaar. Maar alleszins geeft het aan de lezer de indruk dat die zinsdelen in een zin met dat gezegde verplicht aanwezig zijn. Die indruk (of die bewering van de auteur) is onjuist en verschaft bijgevolg de lezer geen inzicht, maar net het tegendeel. Er zijn inderdaad werkwoorden waarbij bijvoorbeeld het lijdend voorwerp verplicht uitgedrukt wordt, maar ook vele andere waarbij dat niet het geval is. Bij die laatste werkwoorden hangt het al of niet voorkomen van het lijdend voorwerp samen met de plaatsing van de zin in de context van een gesprek of van een tekst. Een voorbeeld ter verduidelijking. De werkwoorden ‘eten’ en ‘opeten’ vergen alle twee een lijdend voorwerp naast een onderwerp: iemand eet iets (op). Bij ‘opeten’ moet dat lijdend voorwerp in de zin aanwezig zijn, anders heb je geen welgevormde zin. Bij ‘eten’ hoeft dat niet. Je kunt terecht zeggen dat ‘eten’ altijd een lijdend voorwerp veronderstelt, maar doordat een zin deel uitmaakt van een conversatie of een tekst hoeft dat in de zin zelf niet altijd uitgedrukt te worden. Bij ‘opeten’ is dat echter wel nodig. Neem je onze boterhammen mee. We gaan eten in het park. *We gaan opeten in het park. We gaan ze opeten in het park.

Dat brengt me tot twee algemene bemerkingen:

  1. De auteur bespreekt de constructie van een zin als een op zichzelf staande entiteit, terwijl een zin altijd deel uitmaakt van een tekst of een gesprek.
  2. Grammaticale categorieën zoals de verschillende zinsdelen en woordsoorten worden te veel gezien als strikt onderscheiden categorieën terwijl ze veeleer graduele overgangen vertonen.

Ik illustreer die twee bemerkingen nog met enkele voorbeelden uit het boek.

‘De lijdende vorm of passief is een heel rare constructie […]’ (p. 86) en wat verder ‘Het werkwoord dat je toevoegt om een lijdende vorm te maken […] is een raar hulpwerkwoord […]’ (p. 89). Wat is hier raar? De passieve zin of de formulering van de auteur? Ik denk het laatste. In een tekst vinden we geregeld passieve constructies zonder dat we die raar vinden. In een uitleg over passieve constructies in een context zou je kunnen laten zien wanneer een passieve constructie nuttig of zelfs aangewezen is, alsook wanneer die de leesbaarheid bemoeilijkt.

De behandeling van hulpwerkwoorden is voor een handboek als dit Basisboek ongetwijfeld een heel moeilijke opgave. Het verschil tussen hulpwerkwoorden en hoofdwerkwoorden is zonder meer ingewikkeld. Het begrip ‘hulpwerkwoord’ wordt geïntroduceerd als een ‘toegevoegd werkwoord’ (p. 81). Toegevoegd bij wat? Bij een ander werkwoord dat verderop in het boek een hoofdwerkwoord (bijv. p. 94) wordt genoemd (de term ‘hoofdwerkwoord’ komt niet eens voor in de index). Maar nergens wordt het onderscheid tussen hoofdwerkwoord en hulpwerkwoord op een consistente en begrijpelijke manier uitgelegd. Dat zou kunnen door gebruik te maken van het criterium of het werkwoord al of niet een of meer zinsdelen vereist (zie p. 23) en door er bovendien op te wijzen dat het onderscheid tussen beide van graduele aard is. Die graduele visie zal zeker leiden tot discussiegevallen, maar dat is juist een goede zaak als je inzicht wil bijbrengen.

De behandeling van het hulpwerkwoord vergt een grondige herwerking. Nu bevat ze heel wat inconsistenties en fouten. Enkele voorbeelden. Op p. 94 wordt gezegd dat ‘om + te + infinitief’ een beknopte bijzin vormt en bijgevolg een zinsdeel is (p. 134). Als ‘om’ er niet staat, ‘dan kan de te-infinitief ook het hoofdwerkwoord van de zin zijn waarin de persoonsvorm het hulpwerkwoord is.’ (p. 94) Wanneer ‘kan’ van toepassing is, is echter niet duidelijk: zie de voorbeelden op p. 85 (met ‘probeert’ als hulpwerkwoord) en op p. 134. Op p. 81 lezen we: ‘[…] een werkwoord dat de doen-betekenis verandert noemen we een modaal hulpwerkwoord’. Deze definitie brengt geen inzicht bij. Ik zie ook niet in hoe je ‘modaliteit’ kan uitleggen zonder een onderscheid te maken tussen epistemische, deontische en eventueel dynamische modaliteit. Overigens kunnen ook naamwoordelijke gezegdes een epistemisch modaal hulpwerkwoord bevatten.

Ik heb nog opmerkingen bij verschillende andere onderdelen, maar wil deze recensie eindigen met een bedenking bij een aspect van de presentatie. In het boek wordt als beeld voor de zinsvorming een bus (= het hoofdwerkwoord) met een aantal stoelen (bezet door de zinsdelen) gebruikt. Er is niets mis met die vergelijking, maar ze wordt heel het boek aangehouden met een 25-tal tekeningen met commentaren als: ‘het hulpwerkwoord is een bordje […] opgehangen in de hoofdwerkwoordbus […]’ (p. 147); ‘het bijvoeglijk naamwoord is een button’. Als het als gezegde wordt gebruikt, ‘wordt het op een busonderstel gezet […]’ (p. 150-151). Ik begrijp niet hoe dergelijke uitleg bij de busafbeeldingen enig inzicht kan bijbrengen.

Samenvattend: het Basisboek syntaxis is een veelbelovend boek waarvan voor de volgende editie verschillende onderdelen grondig herwerkt moeten worden.

 

William Van Belle

 

Henk Wolf, Basisboek syntaxis. Groningen: Uitgeverij kleine Uil, 2018. 224 pp. ISBN: 978 94 921 9077 2. € 30,-.

New approaches to measuring the social meaning of language variation. Exploring the Personalized Implicit Association Test and the Relational Responding Task.

Op 30 september 2017 verdedigde Laura Rosseel haar proefschrift New approaches to measuring the social meaning of language variation – Exploring the Personalized Implicit Association Test and the Relational Responding Task. Het doel van haar promotieonderzoek was tweeledig. Allereerst onderzocht de auteur de bruikbaarheid van recente methoden uit de sociale psychologie voor onderzoek naar taalattitudes. Daarmee vult ze een belangrijke leemte. Sinds de introductie van de matchedguisetechniek in de jaren 60 hebben linguïsten immers weinig nieuwe methodologische paden geëxploreerd in het taalattitudeonderzoek. Daarnaast levert dit proefschrift interessante informatie op over de attitudes tegenover taalvariëteiten in Vlaanderen. Ook daarmee vult het een leemte: de voorbije decennia focuste veel attitudeonderzoek namelijk op de taalsituatie in Nederland.
Laura Rosseel brengt in haar proefschrift verslag uit van drie experimenten:

In het eerste experiment wordt de bruikbaarheid onderzocht van de Personalized Implicit Association Test (P-IAT). Met deze test uit de sociale psychologie worden de attitudes onderzocht ten opzichte van de Belgisch-Nederlandse standaardtaal en twee regionale variëteiten, nl. Antwerps en West-Vlaams gekleurd Nederlands. De test werd afgenomen van studenten op universiteitscampussen in Antwerpen en Kortrijk.
Het tweede experiment bouwt verder op het eerste. Hier introduceert de auteur als extra factor contextuele informatie, met name informatie over de formaliteit van de situatie (formeel vs. informeel). Zo kan worden nagegaan in hoeverre deelnemers zich bij hun oordeel laten leiden door de context waarin een bepaalde uiting (potentieel) voorkomt. In dit experiment wordt de attitude onderzocht ten opzichte van Belgisch- Nederlandse standaardtaal en Limburgs gekleurde spraak. Dit keer waren de proefpersonen studenten met roots in Belgisch-Limburg.
In het derde experiment is een andere benadering uit de sociale psychologie gebruikt: een Relational Responding Task (RRT). Terwijl proefpersonen bij de P-IAT associaties moeten maken, ligt de klemtoon bij de RRT op propositionele verbanden. Hier gaat het dus niet louter meer om een associatie tussen twee concepten (bv. het woord moment uitgesproken met West-Vlaams accent wordt wel of niet geassocieerd met het attribuut ‘vind ik goed’), maar om een bewering waarop de proefpersonen moeten reageren (bv. ‘variëteit A klinkt intelligenter dan variëteit B’). In dit experiment wordt Belgisch-Nederlandse standaardtaal vergeleken met Brabants gekleurde tussentaal. De taak werd online uitgevoerd. De demografische vereisten voor de deelnemers aan deze taak waren iets minder specifiek dan bij de andere taken: allen zijn opgegroeid in Vlaanderen en hebben het Nederlands als moedertaal.

Sterk aan dit proefschrift is de degelijke state-of-the-art die voorafgaat aan de experimenten. De focus van dit literatuuroverzicht ligt op het methodologische perspectief. De lezer krijgt een goed beeld van de manier waarop attitudes tot nu toe bestudeerd zijn door taalkundigen en sociaal psychologen. Uit de state-of-the-art blijkt meteen ook hoe divers de methoden uit de sociale psychologie zijn. Wat ze echter gemeen hebben, is dat het steeds om categorisatietaken gaat waarbij reactietijden worden gemeten. In haar conclusie komt de auteur op dit aspect terug. De methoden die ze leende uit de sociale psychologie, leverden bij haar onderzoek naar taalattitudes uiteindelijk relatief kleine verschillen in reactietijden op. Dat maakte de statistische analyse in enkele opzichten delicaat. Terecht wijst de auteur er ook op dat reactietijden beïnvloed kunnen worden door allerlei menselijke factoren. Proefpersonen kunnen verstrooid zijn of ze kunnen om onduidelijke redenen sneller resp. trager beginnen te werken. Bovendien bleken de gebruikte methoden onverwacht ook gevoelig te zijn voor volgorde-effecten. Dit was o.a. het geval in het RRT-experiment, met taken rond prestige en dynamisme. Hypothese bij dit experiment: standaardtaal wordt traditioneel geassocieerd met prestige, tussentaal met dynamisme. Uiteindelijk bleek vooral de volgorde waarin de proefpersonen de taken maakten (eerst die rond prestige, dan die rond dynamisme – of omgekeerd) bepalend voor de scores. De auteur sluit niet uit dat de eerste taak ongewild als trainingsmateriaal voor de tweede heeft gediend, waardoor de scores van de tweede taak – ongeacht de inhoudelijke focus – uiteindelijk significant hoger waren.
Laura Rosseel benadrukt dat de door haar gebruikte methoden nog verder onderzoek behoeven. Toch leverde haar proefschrift al een aantal boeiende resultaten op:

Het eerste experiment laat o.a. zien dat proefpersonen – los van hun regionale achtergrond (Antwerpen vs. West-Vlaanderen) – de voorkeur geven aan de standaardtalige fragmenten. Tegelijk speelt echter ook een andere tendens. Als de deelnemers fragmenten horen in de standaardtaal en in hun eigen regionale variëteit (bv. West-Vlamingen horen Standaardnederlands en West-Vlaams gekleurd Nederlands), dan krijgt de standaardtaal een lagere score dan wanneer proefpersonen geconfronteerd worden met standaardtaal en een andere, ‘niet-eigen’ regionale variëteit. Er lijkt met andere woorden sprake te zijn van ‘in-group preference’ (63).
De resultaten van het tweede experiment – waarbij geprobeerd werd om de factor ‘formele/ informele context’ te integreren in de P-IAT-benadering – leverde o.a. door volgorde-effecten moeilijk te interpreteren resultaten op. Toen bij dezelfde proefpersonen ook via een traditionele schaal gepeild werd naar attitudes tegenover standaardtaal en een Limburgs accent, kwamen wel duidelijke tendensen naar voren. In formele situaties gaven de proefpersonen de voorkeur aan de standaardtaal. In informele situaties genoot een Limburgs accent de voorkeur, al werd ook daar de standaardtaal positief gewaardeerd.
Ook de resultaten van de RRT-benadering in het derde experiment bleken moeilijk te interpreteren door volgorde-effecten. Als we focussen op het tweede deel van het experiment – omdat het eerste deel in de praktijk wellicht vooral als trainingsmateriaal diende (cf. supra) – komt er wel een duidelijk patroon naar voren: zoals verwacht werd standaardtaal vooral met prestige geassocieerd, terwijl tussentaal – voorzichtig – in verband werd gebracht met dynamisme. Toen bij dezelfde proefpersonen ook via een traditionele schaal gepeild werd naar hun waardering van standaardtaal en tussentaal, was de tendens nog duidelijker: eigenschappen als ernstig, succesvol, intelligent, slim en rijk (‘prestige’) werden in verband gebracht met de standaardtaal, terwijl eigenschappen als chill, populair, relaxed, entertainend en hip (‘dynamisme’) vooral gelinkt werden aan tussentaal. Met name dat laatste is fascinerend: het is ‘an indication of a change in the stigmatization of cbd [=Colloquial Belgian Dutch] in Flanders’ (152). Als tussentaal in Vlaanderen nog steeds een duidelijk stigma zou dragen, zouden proefpersonen immers veel meer aarzelen om er openlijk positieve eigenschappen aan toe te kennen.

Wat ik sterk apprecieer aan dit proefschrift, is de genuanceerde manier waarop Laura Rosseel over haar onderzoek reflecteert. Zowel bij de opzet van de studie als bij de interpretatie van haar resultaten hield ze bijvoorbeeld rekening met de (mogelijke effecten van de) sterke Vlaamse normtraditie. Zo koos ze bij een labeltaak voor het label ‘neutraal accent’ in plaats van ‘standaardtaal’ om normatieve associaties zo veel mogelijk te vermijden (59). Ook wijst ze erop dat attitudeonderzoek doorkruist kan worden door de (mate van) normgevoeligheid van de deelnemers (104).
Kortom, dit proefschrift doet wat het belooft: het vormt een waardevolle aanvulling voor de ‘methodological toolkit of sociolinguistics’ (178) en het draagt op een originele manier bij aan de beschrijving van het hedendaags Nederlands vanuit variatieperspectief.

Hanne Kloots

Lo, Donk, Horst. Taalkunde als sleutel tot de vroege middeleeuwen.

De plaatsnaamkunde bevindt zich in Nederland in zwaar weer. Een leerstoel waaromheen zich het onderzoek op het gebied van de naamkunde zou kunnen concentreren, bestaat na het emeritaat van Rob Rentenaar in 2000 niet meer. Gelukkig wordt er in Vlaanderen nog wel ijverig gewerkt op dit gebied getuige deze gedegen studie van Jozef van Loon. In zijn inleiding gaat de auteur in op het Toponymisch woordenboek (1960) van Maurits Gysseling, nog steeds een schatkamer voor de naamkunde in het Nederlandse taalgebied. Als er een punt van kritiek op dit werk is, gaat het meestal om de etymologie van de namen. Dat is inderdaad niet het sterkste punt in dit standaardwerk. Het is dan ook geen wonder, dat van Loon in zijn nu gepubliceerde studie ingaat op enkele naamelementen, waarvan de oorspronkelijke betekenis en de latere betekenisontwikkeling op zijn zachtst gezegd omstreden zijn: lo, donk en horst.
Het eerste element onl. lijkt totaal verschillende betekenissen te hebben. Etymologisch moet het als ie. *loukos met de wortel ie. *lwk- ‘licht, open’ van doen te hebben. Maar uit de overlevering van de namen blijkt, dat het in het Oudnederlands o.a. als weergave van lat. silva ‘bos’ wordt gebruikt: in illis siluis quę dicuntur Burlo, Dabbonlo, UUardlo, Orclo Legurlo [855; LNT]. In zijn discussie van de betekenis van dit naamelement komt Van Loon tot de conclusie, dat in het Oudnederlands waarschijnlijk een cultuurbos aanduidt (8). Waarschijnlijk kon het element later ook een ‘plantage met bijbehorende ontginnerswoning’ aanduiden (20), zoals in Lochristi, van origine de naam van een laathof van de St. Baafsabdij. De betekenis ‘sacraal bos’, die men ook wel voor aanneemt, leidt tot een vergelijking met on. lund, dat een gelijksoortige betekenis lijkt te hebben. Van Loon wil de etymologie daarvan ook met lō verbinden via een suffix -nd: *lauh-und-, wat mij gezien de korte /u/ in het Oudnoords niet zo waarschijnlijk dunkt. In zijn discussie van de sacrale lo’s in het Nederlands wijst de auteur terecht op de mogelijkheid, dat in enkele gevallen onl. *slōh ‘diepe plaats met veel modder’ een rol kan spelen, al lijkt me dat juist in het hier door hem genoemde in Monicesloe in Friesland [855, interpolatie ca. 890; LNT] niet waarschijnlijk. Eerder gaat het hier om een datief enkelvoud na lat. in met de uitgang -e. Het element verschijnt soms ook met godennamen, al moet men ook hier voorzichtig zijn. Zo wil Van Loon de naam Woensel eerder met het element -seli dan met -lō verbinden, wat gezien de overlevering plausibel lijkt (zie LNT: 405). Bij Woensdrecht (NB) valt het tweede element op, dat over het algemeen tot een wat jonger namentype lijkt te behoren, wat dan weer niet strookt met het gebruik van de naam Wodan in het eerste deel. Van Loon denkt hier aan invloed van de Noormannen, die in de negende eeuw in Zeeland heersten. Maar dan is gezien on. Óðinn de W- in het begin vreemd. Bovendien zijn plaatsnamen met de naam van deze god in Scandinavië relatief zeldzaam, zodat het vreemd lijkt, als ze in den vreemde zo’n naam zouden geven. Eerder moet men toch wel aan een persoonsnaam denken, vgl. ook Van Berkel & Samplonius (2018: 713). Ook bij Saterslo [1145, cop. 1150-1200; LNT] de oudste vorm van Saasveld in Twente denkt van Loon aan een godennaam. Terecht wijst hij hier de persoonsnaam *Sanþa-hari als eerste element om taalkundige redenen af. Hij ziet daarin liever lat. Saturnus, zoals ook in zaterdag, wat dan weer aanleiding is voor een korte discussie over de mogelijkheid, dat klassieke goden ook in de Germania werden vereerd. Daarbij wel een typefoutje op blz. 59, want de Oudnoordse Freyja heeft natuurlijk niets van doen met vrijdag in tegenstelling tot on. Frigg (< pgm. *Frīja-). De namen Freyr en Freyja moet men bovendien buiten de discussie houden, daar deze twee goden waarschijnlijk een zuiver Scandinavische aangelegenheid waren en met de oorspronkelijke betekenissen ‘Heer’ en ‘Vrouwe’ vermoedelijk van jongere datum zijn. Terecht wordt in de discussie door van Loon ook gesteld, dat nimid – een hapax uit de ‘Indiculus superstitionum’ – eerder een Keltisch dan een Germaans woord is (64-65).
Vervolgens gaat de auteur in op de naam Herualdolugo in een oorkonde van 745, een van de oudste particuliere oorkonden in de Nederlanden. In zijn analyse van de oorkonde vergelijkt Van Loon de Stenetland-oorkonden [826-867] en de Sigeradus-oorkonde van 770. Hij komt tot de conclusie, dat -lugo hier de Romaanse voortzetting van lat. lūcus is. Daarna wordt de vorm Herualdo- behandeld en het vermoeden uitgesproken, dat de -o een vroeg-Romaanse casus obliquus aangeeft. Op blz. 91 wordt het vermoeden geuit, dat zo ook de ‘merkwaardige uitgang’ -o in een aantal Duitse plaatsnamen kan worden verklaard. Het zou kunnen wijzen op een proto-Romaans dialect nog in de achtste eeuw (94). Dat lijkt mogelijk, hoewel misschien ook een Germaanse genitief meervoud ‘van de lieden van Herwald’ mogelijk zou zijn, zeker in zo’n vroege attestatie, vgl. Quak 2017. Vervolgens behandelt Van Loon de naam Heruald- zelf en oppert daarbij de mogelijkheid, dat het geen persoonsnaam maar een soortnaam is, evenals Chariowalda [eerste eeuw n.Chr.], die vergelijkbaar zou zijn met andere aanduidingen op -wald in het Oudengels en Oudnoords, vgl. ook ofra. héraut, hiraut, een leenwoord uit het Noordzeegermaans. Hij denkt daarbij aan een Germaanse aanduiding voor de magistri militum in het Romeinse leger van de late periode, die vaak Germanen waren. Misschien was Herualdolugo zelfs de campus martius van Romeins Oudenburg (104). De suggestie van Gysseling oppikkend, dat Herualdo een bijnaam van Wodan zou kunnen zijn, komt Van Loon dan op een oorspronkelijk *Hariwaldi lūcus als tweede naam van Hrochashem ‘Roksem’. In ieder geval maakt Van Loon met zijn minutieuze onderzoek duidelijk, dat er veel te ontdekken valt, al blijft het definitieve bewijs natuurlijk uit. Dat kan ook niet anders, maar het is interessant deze speculatieve discussie te volgen.
Het tweede door Van Loon behandelde naamelement is donk. De verschillen in betekenis, die hierbij worden genoemd, zijn nog groter dan bij : ‘diepte, laaggelegen moerassige grond’ tegenover ‘verhevenheid in laaggelegen terrein’. Wackernagel was in 1849 de eerste, die aannam, dat met de onderaardse hutten bij de Germanen, die door Tacitus en Plinius worden genoemd, een pgm. *dung- was bedoeld (113). Later wordt hiermee een ‘onderaardse weefkamer’ aangeduid. Als men naar de oudste namen met het element -donk in de Nederlanden kijkt, valt op, dat die geografisch beperkt zijn. Daardoor vallen excentrisch gelegen namen zoals Mardunga [ca. 825-842] bij Hindelopen in Friesland direct op als twijfelachtig. Van Loon gaat vervolgens in op de oudste plaatsnamen met het element zoals Medmedunc [970] ‘Mendonk’, Dungus [741] ‘Donk in Limburg’, Vrsidungus [650] en Nivesdung, een eiland in de Nete, in de ‘Vita S. Gummari’. Op grond van de beschrijvingen in de bronnen neemt de auteur aan, dat de betekenis van donk was: ‘een tot bewoning geschikt gemaakte plaats, die met het oog op de veiligheid in een waterrijk gebied was aangelegd’ (127). De betekeniswijziging van ‘ondergronds verblijf’ naar ‘waterbouwkundig complex’ zou in de zevende eeuw hebben plaatsgevonden (148-149). Op de volgende bladzijden schetst Van Loon dan, hoe de betekenis zich daarna in de middeleeuwen verder heeft ontwikkeld. De donk-namen houden volgens hem verband met het landschap. Ze lagen in gebieden die gevoelig waren voor overstromingen, niet in heuvelachtige gebieden zoals Zuid-Brabant of Zuid-Limburg, maar ook niet in het Zuidhollandse en Utrechtse rivierengebied, ofschoon daar de fysieke situatie gelijk was. Op kaart 17 (171) is inderdaad te zien, dat de horst-namen complementair lijken te zijn, zoals van Loon stelt.
Op basis van de bestudering van de lo– en donk-namen schildert Van Loon dan een aantal historische gevolgtrekkingen. Daarbij gaat hij in op de vroegste geschiedenis van Gent en op de verhouding tussen de twee kloosters aldaar: St. Baafs en St. Pieter. Uit zijn beschouwingen wordt duidelijk, dat bijvoorbeeld het ‘Liber Traditionum’ [944-946] is gemanipuleerd door de St. Pietersabdij. In die tijd was St. Baafsabdij praktisch weg; pas omstreeks 950 kan men van een herstichting van dit klooster spreken. De namen in de bronnen en de bronnen zelf worden door Van Loon kritisch bekeken en gewogen, wat hun historische waarde betreft. Een van de vragen die dan opduiken is die, welke abdij door Amand werd gesticht. Het is nauwelijks aan te nemen, dat St. Amand vlak bij elkaar twee kloosters heeft gesticht. Van Loon vermoedt dan ook, dat Ganda, een kerk in Gent, na de translatio van Bavo’s lichaam ±675 tot abdij werd omgevormd. Ganda en Blandinium behoorden aanvankelijk tot verschillende observaties en bleven daardoor buiten elkaars vaarwater. Begin negende eeuw werd de cultus van St. Bavo door de Karolingers gepropageerd en Einhard noemt het klooster dan St. Bavo en niet meer Gand. De problemen ontstonden later, toen beide abdijen werden aangeduid als monasterium sancti Petri. De teloorgang van St. Baafs in de tiende eeuw leidde ertoe, dat St. Pieter in die periode deed, of St. Baafs niet bestond. Vandaar dat zij het ‘Liber Traditionum’ manipuleerden. Ook de graaf van Vlaanderen toonde niet veel animo de kloosterlingen van St. Baafs te ondersteunen na hun terugkeer van hun vlucht voor de Noormannen (omstreeks 920-30), vermoedelijk omdat het klooster op keizerlijk gebied lag (259). Onder druk van keizer Otto II werd St. Baafs in 981 weer zelfstandig en kon het proberen zijn goederen gerestitueerd te krijgen.
In deze laatste hoofdstukken gaat de auteur in op verschillende naamkundige kwesties in aansluiting aan wat eerder werd behandeld. Zo wordt de naam Blandinium behandeld en wordt het vermoeden geuit, dat de naam van origine Keltisch is en vermoedelijk is genoemd naar Blandain bij Doornik. Bij de namen Gand en Ganda voor Gent maakt Van Loon plausibel, dat Ganda de voortzetting van een gebiedsnaam *Gand-awos is. De naam Gand is volgens hem Germaans en mogelijk een tegenwoordig deelwoord (277). In een beschouwing over de ‘Vita S. Gummari’ en de stad Lier wordt de aanduiding Ledo voor Lier herleid tot kelt. *(p)letanos ‘breed’. Het gaat daarbij eerder om een soortnaam. De naam Lier zelf lijkt secundair te zijn gegeven en had waarschijnlijk betrekking op wat nu Allier (=Ald-lier) is. De etymologie van Lier – *hleura– ‘wang, koon’ en dan secundair ‘welving in het landschap’ – past beter bij deze plaats. Ook komt Van Loon terug op de oude namen Nivesdung en Vrsidungus. De eerste naam wordt herleid tot *Fifeldunk of eerder nog tot *Niveldung ‘steile donk’. Vrsidungus is als Frankische naam vreemd in het eerder Romaanse Henegouwen. De plaats heet pas later St. Ghislain. Ook wordt ingegaan op de naam Bergen/Mons. De oudste naam hiervan is Castrilocus en dat is mogelijk een leenvertaling van onl. burgstat (311), dus misschien Frankisch, evenals Obourg (< *Aldburg?) en mogelijk ook Lobbes (< *Laubaci?).
Het laatste gedeelte van dit interessante boek mag misschien wat speculatief zijn, maar Van Loon laat duidelijk zien, hoe men naamkundig materiaal door intensieve bestudering kan gebruiken voor historische studies en voor vragen als de historiciteit van een heiligenleven, vgl. zijn beschouwingen over de ‘Vita S. Gummari’ en andere. Vermoedelijk zal het laatste woord in deze discussies nog niet gesproken zijn, maar Van Loon heeft flink wat stof tot nadenken en ter overweging gegeven.

 

Arend Quak

 

Van Berkel & Samplonius 2018 – G. van Berkel & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard. Reeks Nederlandse Plaatsnamen, deel 12. Amsterdam: Het Spectrum, 2018.

Künzel, Blok & Verhoeff 1988 – R.E. Künzel, D.P. Blok & J.M Verhoeff, Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200 (LNT). Publicaties van het P.J. Meertens Instituut, 8. Amsterdam: P.J. Meertens-Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde, 1988.

Quak 2017 – A. Quak, ‘Zu den Einwohnerbezeichnungen mit dem ja-Suffix im Altniederländischen’. In: S. Laker & M. de Vaan (eds.), Frisian through the Ages. Festschrift für Rolf H. Bremmer Jr. Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik, 77 (2017) 1-2, p. 348-367.

Formele semantiek. Een inleiding in de formele analyse van betekenis

book_9789089647139_178Er verschijnt elk jaar wel een inleiding in de semantiek, maar zelden is die nog in het Nederlands geschreven. Dat zou te maken kunnen hebben met het oprukkende Engels in ons hoger onderwijs, maar ook de ‘taalonafhankelijke’ aard van de semantiek zou een rol kunnen spelen: je kunt de meeste semantiek aan de hand van eenvoudige voorbeelden uit een willekeurige taal uitleggen. Toch is het jammer dat juist een taalgebied van waaruit al decennia lang zoveel wordt bijgedragen aan het betekenisonderzoek zijn eigen sprekers niet meer zo vaak in de moedertaal bedient als in de jaren tachtig nog gebeurde (Gamut 1982, De Jong et al. 1988, Geeraerts 1986, 1989). Gelukkig hebben we nu, na de brede taalfilosofische en taalkundige inleidingen van respectievelijk Stokhof (2000) en Smessaert (2009), ook weer voor de formele semantiek een Nederlandstalige inleiding.

Op basis van de vorm, een lichtgewicht formaat van 128 bladzijden, zou men bijna van een ‘boekje’ spreken, maar inhoudelijk weten de auteurs in dat korte bestek veel aan de orde te stellen:

1. Een inleiding over het begrip ‘betekenis’ en de rol van waarheid en compositionaliteit (9 pagina’s),

2. De bouwregels van de propositie- en predicatenlogica en de interpretatie daarvan in termen van waarheidstafels en verzamelingtheoretische modellen (29 pagina’s),

3. De overgang naar de interpretatie van natuurlijke taal en de noodzaak om die afhankelijk te maken van mogelijke werelden en tijdstippen (7 pagina’s),

4. Gebruik van functies, types en l-abstractie in de interpretatie van eenvoudige zinnen zonder gekwantificeerde uitdrukkingen (zoals elke man) (52 pagina’s),

5. De algemene benadering van gekwantificeerde uitdrukkingen als verzamelingen van verzamelingen (19 pagina’s).

Alle inmiddels ‘klassieke’ onderdelen van de formele semantiek worden ofwel uitgebreid geïntroduceerd, met oefeningen (propositie- en predicatenlogica, typetheorie met abstractie, gegeneraliseerde kwantoren) ofwel aangeroerd (temporele en modale semantiek, niet-intersectieve adjectieven, adverbia als predicaten over gebeurtenissen). Dit alles gebeurt in een heldere schrijfstijl met een goed doordachte presentatie van de formalismen en soms ook met welbewuste beperkingen. Bij de predicatenlogica wordt niet gebruik gemaakt van de lastige bedelingen om variabelen en kwantoren te interpreteren, maar is de behandeling op een intuïtief soort substitutie gebaseerd. Ook van de l-operator wordt geen expliciete model-theoretische fundering gegeven. Daarmee is dit duidelijk een tekst van taalkundigen voor taalkundigen, hoewel zonder essentiële concessies aan het formele karakter van de semantiek.

Het zal voor de meeste taalkundige lezers een lastige opgave zijn om zich de formele semantiek eigen te maken en die ook te waarderen met alleen dit boek. Het boek lijkt me daarom het best op z’n plek binnen een (universitaire) cursus, waar studenten de formele semantiek kunnen leren door er niet alleen over te lezen, maar vooral ook mee te oefenen. Bovendien kan zo’n cursus ook de weidsere empirische en theoretische perspectieven bieden die in dit boek ontbreken, bijvoorbeeld door extra literatuur.

Het boek bevat een bibliografie van 21 titels die in de loop van het boek zijn aangehaald, maar geen verwijzingen naar extra literatuur die de geïnteresseerde lezer zicht zouden kunnen bieden op de toepassingen van de formele semantiek, ook in de taalkunde van het Nederlands. Hierbij valt te denken aan de interpretatie van indefiniete noun phrases, die afhankelijk is van subtiele structurele factoren, in bijvoorbeeld existentiële zinnen of onder invloed van scrambling. In verband met gegeneraliseerde kwantoren zijn natuurlijk de negatief-polaire items een interessante illustratie van de verbindingen tussen formeel-semantische eigenschappen en lexicale verschijnselen. De auteurs hebben ervoor gekozen zich tot de feitelijke inhoud van de formele semantiek te beperken, wat het voordeel heeft dat docenten er zelf hun favoriete onderwerpen aan kunnen koppelen.

Een punt van kritiek zou kunnen zijn dat niet zo duidelijk wordt dat er twee manieren zijn om te interpreteren in de formele semantiek. Een zin in het Nederlands kan eerst vertaald worden in een logische formule die vervolgens weer een denotatie krijgen in een model. Maar het is ook mogelijk om direct een Nederlandse zin van een model-theoretische interpretatie te voorzien, zonder tussenliggende vertaalstap. Die twee aanpakken lopen in dit boek een beetje door elkaar heen. Je zou kunnen zeggen dat hoofdstuk 2 de indirecte strategie presenteert, door logische talen te definiëren waarmee zinnen kunnen worden vertaald (zonder aandacht voor compositionaliteit). Hoofdstuk 3 introduceert dan de directe methode (in combinatie met compositionaliteit), die in hoofdstuk 4 verder wordt uitgewerkt. Maar ook in dat hoofdstuk lopen de indirecte en directe interpretatiemethode door elkaar heen. Soms wordt een Nederlandse uitdrukking direct op een denotatie afgebeeld, op andere momenten heeft de  interpretatie van een Nederlandse uitdrukking de vorm van een logische formule. Dat hoeft geen probleem te zijn, omdat er een nauw verband is tussen een logische uitdrukking en een model-theoretische denotatie. Toch zou een meer expliciete uitleg van de relatie tussen denotaties en formules in hoofdstuk 4 welkom zijn geweest en zal er in de context van een cursus aanleiding zijn voor meer expliciete uitleg op dit punt.

De afwerking is over het algemeen goed, maar het font van de subscripten die AUP hanteert is voor semantische doeleinden wat te klein. Ook de 0 ziet er een beetje vreemd uit. Maar dat zijn detailopmerkingen over een mooi boek dat een zinvol onderdeel kan zijn van een intensieve semantiekcursus die de studenten helemaal vanaf het begin meeneemt tot en met de type-theorie met l-abstractie en de gegeneraliseerde kwantoren.

Joost Zwarts

 

Jeroen van Craenenbroeck en Guido Vanden Wyngaerd. 2015. Formele semantiek. Een inleiding in de formele analyse van betekenis. Amsterdam: Amsterdam University Press. 128 pagina’s. ISBN: 978 90 8964 713 9

 

Bibliografie

Gamut, L.T.F. (1982). Logica, taal en betekenis. Utrecht: Het Spectrum.

Geeraerts, D. (1986). Woordbetekenis. Een overzicht van de lexicale semantiek. Leuven: Acco.

Geeraerts, D. (1989). Wat er in een woord zit. Facetten van de lexicale semantiek. Leuven: Peeters.

Jong, F. de, L. Oversteegen, H.J. Verkuyl (1988). Betekenis en taalstructuur. Dordrecht: Foris.

Smessaert, H. (2009). Basisbegrippen semantiek. Leuven: Acco.

Stokhof, M. (2000). Taal en betekenis. Een inleiding in de taalfilosofie. Amsterdam: Boom.

Handbuch Niederländisch. Sprache und Sprachkultur von den Anfängen bis 1800.

ARTK_C3D_B259779_0001De Nederlandse taal is de laatste decennia erg populair in Duitsland en de studie Nederlands staat bij onze Oosterburen hoog aangeschreven. Duitstalige neerlandici kunnen natuurlijk gebruik maken van Nederlandstalige boeken over de Nederlandse taal, literatuur en cultuur, maar voor scholieren, beginnende studenten of deskundigen uit andere disciplines zijn monografieën in het Nederlands vaak toch geen optie. De interesse in kwalitatief goede, Duitstalige boeken over het Nederlands blijft maar groeien en gelukkig zijn er auteurs en uitgevers die hierop ingaan. Zo zijn er naast een Nederlandse literatuurgeschiedenis (Grüttemeier & Leuker 2006) vrij recent verschillende basiswerken in het Duits verschenen: een inleiding in de Nederlandse taalkunde (Boonen & Harmes 2013), een tweedelige basiscursus Nederlandse literatuur (Bundschuh-Van Duijkeren et al. 2014) en een handboek vakdidactiek Nederlands (Wenzel 2014). Het Handbuch Niederländisch. Sprache und Sprachkultur von den Anfängen bis 1800 van Jelle Stegeman rondt dit rijtje nu af met een uitvoerige beschrijving van de geschiedenis van de Nederlandse taal en taalcultuur.

Op meer dan 500 bladzijden geeft de auteur een gedetailleerd overzicht over de historische ontwikkeling van het Nederlands. De hoofdstukken zijn chronologisch geordend: na een inleidend hoofdstuk begint Stegeman met de ‘Vorboten des Niederländischen (bis 500)‘ (hoofdstuk 2). In hoofdstuk 3 behandelt hij ‘Das Altniederländische des Früh- und Hochmittelalters (bis 1150)‘ en in hoofdstuk 4 ‘Das Mittelniederländische des Hoch- und Spätmittelalters (1150 bis 1500)‘. In de hoofdstukken 5 en 6 komen ‘Das überregionale Neuniederländische der frühen Neuzeit (1500 bis 1650)‘ en ‘Das kultivierte Niederländische der mittleren Neuzeit (1650 bis 1800)‘ aan de orde. De auteur sluit af met een vooruitblik op de ontwikkeling van het Nederlands in de volgende twee eeuwen (hoofdstuk 7), waarbij hij o.a. de verdere codificatie en de positie van het Nederlands in Vlaanderen vermeldt. De hoofdstukken 2 tot en met 6 zijn telkens op dezelfde manier opgebouwd: in de eerste paragraaf beschrijft de auteur de culturele, politieke en maatschappelijke context in de Lage Landen. In de tweede paragraaf gaat het om de talige ontwikkeling van het Nederlands en de belangrijke aspecten voor de periode, zoals het fenomeen schrijftaal en schrijftraditie in de middeleeuwen of de evolutie van een cultuurtaal in de 16de eeuw. In de derde paragraaf worden telkens originele teksten met een korte toelichting en een Duitse vertaling gepresenteerd. Paragraaf vier bespreekt de taalkundige deelgebieden fonologie (klanken), morfologie en syntaxis (opbouw van woorden resp. zinnen) en het lexicon (woorden en hun betekenis). De tekst is aangevuld met kaarten, grafieken, overzichten en enkele bijzonder fraaie afbeeldingen in kleur, bv. een folio uit het handschrift van de Rijmbijbel van Jacob van Maerlant en het schilderij Nederlandse spreekwoorden van Pieter Bruegel de Oude.

De beoogde doelgroep van deze monografie zijn specialisten en geïnteresseerde leken. Omwille van de betere leesbaarheid heeft Stegeman ervoor gekozen om in de tekst geen voetnoten of directe verwijzingen naar de secundaire literatuur te gebruiken. Voor specialisten is dit echter een gemiste kans, want je zou dit wel verwachten in een wetenschappelijke tekst die ook het meest recente onderzoek wil voorstellen (p. 21). Voor leken of beginners is het taalgebruik soms te technisch. Zo schrijft Stegeman bijvoorbeeld over de Indo-Europese taalgroep: ‘Traditionell wurde diese aufgrund späterer Lautentwicklungen der palatovelaren, velaren und labiovelaren Plosiven in zwei Klassen unterteilt, die einer Isoglosse im Indogermanischen entsprechen würden, eine umstrittene Annahme, welcher namentlich die Lokalisierung des Hethitischen und des Tocharischen widerspricht.‘ (p. 37). Het Duits van Stegeman is over het algemeen nogal gedateerd en soms vrij stroef, waardoor de tekst niet echt vlot leest. Een voorbeeld is ‘Moritz verhinderte die Enthauptung des 89-järigen Staatsmannes, der auf ein Gnadenersuch verzichtet hatte, 1619 in Den Haag nicht‘ (p. 252).

In dit Handbuch wil de auteur verschillende vraagstellingen aanstippen, onder andere de vraag of het Afrikaans een variant van het Hollands is (zo staat het in de flaptekst). Het zoeken naar een antwoord in dit boek is echter niet zo eenvoudig. In het register staan namelijk alleen de namen van auteurs en hun werken. Taalkundige termen of historische personen en gebeurtenissen zijn helaas niet opgenomen: onder ‘Afrikaans’, ‘variant’, ‘variëteit’ of ‘Jan van Riebeeck’ kun je dus niet zoeken. In het inhoudsoverzicht vind je uiteindelijk een paragraaf (6.1.1.2) over de ‘Entstehung niederländischer Sprachvarietäten im Süden Afrikas’. En hieronder valt ook het Afrikaans. Hoewel dit onderwerp zelfs op de flaptekst vermeld staat, besteedt Stegeman er nog geen twee bladzijden aan. Op grond van de kop van de paragraaf zou je het Afrikaans als een variëteit van het Nederlands kunnen opvatten. Stegeman besluit de paragraaf met de stelling dat het algemeen Nederlands ruimte maakt voor het Afrikaans dat vanaf 1925 naast Engels de officiële taal wordt (p. 399). Hier wordt het Afrikaans dus als zelfstandige taal beschouwd. Echt verhelderend is dit niet: aan de ene kant worden taalkundige begrippen door elkaar gehaald (een ‘variant’ is iets anders dan een ‘variëteit’), aan de andere kant blijft het voor de lezer nogal onduidelijk of Stegeman het Afrikaans nu als variëteit van het Nederlands/Hollands beschouwt of als zelfstandige taal.

Naast gegevens over de geschiedenis van de Nederlandse taal biedt Stegeman in zijn Handbuch veel nuttige informatie over de geschiedenis van de Lage Landen en geeft hij een mooie bloemlezing van allerlei teksten uit een millennium Nederlandse letterkunde, van de Utrechtse doopbelofte over Van den vos Reynaerde, een brief van Rembrandt, het Scheepsjournaal van Bontekoe, Kleine gedigten voor kinderen van Van Alphen, stukken van Bredero en Hooft tot stukken voor de Hollandsche Spectator van Van Effen. Er zijn verschillende genres opgenomen zoals epos, lied, gedicht, drama, historische teksten, oorkonden, religieuze teksten, psalmen, persoonlijke brieven e.d.m. Deze bloemlezing nodigt uit tot een vergelijking van de taal in de verschillende stadia en laat zien dat het Nederlands een cultuurtaal met een eigen verleden, een zelfstandige ontwikkeling en een rijke literaire traditie is. Stegemans monografie biedt zo een duidelijke meerwaarde tegenover het ietwat verouderde Duitstalige werk Geschichte der niederländischen Sprache van Vekeman & Ecke (1993). We wachten met spanning op deel twee met de beschrijving van de Nederlandse taal en taalcultuur van 1800 tot heden.

 

Ute K. Boonen

 

Jelle Stegeman, Handbuch Niederländisch. Sprache und Sprachkultur von den Anfängen bis 1800.
Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 2014. ISBN: 9783534259779. €79,90 (Voor leden €49,90)

 

Bibliografie 

Boonen & Harmes 2013 – U. Boonen & I. Harmes (eds.): Niederländische Sprachwissenschaft. Eine Einführung. narr-Studienbücher. Tübingen, 2013.

Bundschuh-van Duikeren, Missinne & Konst 2014 – J. Bundschuh-van Duikeren, L. Missinne & J. Konst (eds.): Grundkurs Literatur aus Flandern und den Niederlanden I. 12 Texte – 12 Zugänge en Grundkurs Literatur aus Flandern und den Niederlanden II. Primärtexte in Auswahl und deutscher Übersetzung. Münster, 2014.

Grüttemeier & Leuker 2006 – R. Grüttemeier & M.-Th. Leuker (eds.): Niederländische Literaturgeschichte, Stuttgart e.a., 2006.

Vekeman & Ecke 1993 – H.W.J. Vekeman & A. Ecke: Geschichte der niederländischen Sprache. Bern, 1993.

Wenzel 2014 – V. Wenzel (ed.): Fachdidaktik Niederländisch. Studienbücher zu Sprache, Literatur und Kultur in Flandern und den Niederlanden, dl. 3, Münster, 2014.

 

Het Nederlands in gevaar? en andere prangende taalkwesties

Het nederlands in gevaarEind 2014 is het boek Het Nederlands in gevaar? van Cor van Bree verschenen. In dat boek bespreekt Van Bree in achttien hoofdstukken verschillende vragen over het Nederlands. De vraag die in het boek centraal staat, is de hoofdtitel ervan: is het Nederlands in gevaar? Dat thema loopt als een rode draad door het boek. Van Bree bespreekt namelijk zaken die door velen als een bedreiging van het Nederlands worden gezien: Wordt het Nederlands bedreigd door het Engels (hs. 1)? Vormt ontlening een bedreiging voor het Nederlands (hs. 2)? Moeten we ons zorgen maken over de hoeveelheid spelfouten? (hs.4) Onderwerpen die daarnaast ook in het boek aan bod komen, zijn onder meer: Is het Vlaams een aparte taal (hs. 13)? Hoe onderzoek je dialect (hs. 17 & 18)? Wat zijn taalfouten (hs. 15)?

Het doel van Van Bree was om een populariserend boek te schrijven dat thema’s behandelt waarin de gemiddelde taalliefhebber geïnteresseerd is: ‘Wat zijn haar of zijn vragen, haar of zijn ideeën als het over taal gaat?’ (p. 7). In die opzet is Van Bree geslaagd. Zijn boek behandelt zowat alles wat de taalliefhebber interessant kan vinden, onder meer de kwaliteit van het taalonderwijs, de bedreiging van het Nederlands door het Engels en de (on)zin van het Groot Nederlands Dictee. Van Bree wilde niet-taalkundig geschoolde taalliefhebbers kennis bijbrengen over taal, zodat zij zich niet louter op basis van hun eigen talige intuïtie uitspreken over taal(variatie) in het Nederlandse taalgebied.

Met zijn boek probeert Van Bree criticasters van het Nederlands ook wat te bedaren. Niet zelden wordt in de media namelijk geklaagd over de gebrekkige (standaard)taalbeheersing van Vlamingen en Nederlanders en over de kwaliteit van het taalonderwijs. Ook volgens sommige taalkundigen ziet de toekomst van het Nederlands er niet rooskleurig uit. Al in 1990 kondigde Stroop (1990) het einde van de standaardtaal aan, een scenario dat volgens Van der Horst (2008) niet enkel in Vlaanderen en Nederland, maar in alle westerse taalgemeenschappen waarschijnlijk is. Volgens Van Bree is het echter niet zo slecht gesteld met de toekomst van het Nederlands als vaak wordt beweerd. Van Bree geeft bijvoorbeeld aan dat taal op een natuurlijke manier moet evolueren, en dat leenwoorden geen bedreiging voor het Nederlands hoeven te vormen: ‘Leenwoorden kunnen voorzien in de behoefte aan nieuwe uitdrukkingen, er kunnen subtiele verschillen in gebruik en betekenis door ontstaan, ze blijken zich snel te kunnen inburgeren en ze kunnen handig zijn in het internationale verkeer’ (p. 46). Van Brees antwoord op de vraag of het Nederlands in gevaar is, luidt dan ook ‘neen’, al signaleert hij wel enkele problemen. Zo betreurt Van Bree de dominante aanwezigheid van Engels in het hoger onderwijs, niet het minst omdat het Engels dat studenten te horen krijgen vaak gebrekkig is.

Met Het Nederlands in gevaar krijgen we niet alleen een uitgebreide bespreking van interessante thema’s voor taalliefhebbers, we krijgen ook een inkijk in de mens achter de schrijver ‘Cor van Bree’. Van Bree stoffeert het boek namelijk met persoonlijke anekdotes: hij deelt bijvoorbeeld zijn ergernis over het woord ‘sale’ met de lezer en wijdt in hoofdstuk 6 – Bestaat alleen wat in Van Dale, staat? – voortdurend uit over zijn ervaringen met scrabble. Het summum van zijn persoonlijke blik krijgen we in de laatste twee hoofdstukken van het boek. In die hoofdstukken vertelt Van Bree met veel liefde over dialectologisch veldwerk en over de interviews die hij in het verleden afgenomen heeft.

Samengevat: Het Nederlands in gevaar is een uitgebreid, interessant en genuanceerd boek dat geschikt is voor bijna elke taalliefhebber. Toch vrees ik dat het boek niet vaak (uit)gelezen zal worden, en dat heeft te maken met de vorm ervan. De hoofdstukken bestaan uit (te) lange lappen tekst, en de inhoud wordt visueel niet aantrekkelijk gepresenteerd. Het boek bestaat bovendien uit achttien hoofdstukken die los van elkaar gelezen kunnen worden, een structuur die voor behoorlijk wat redundantie zorgt. Het Nederlands in gevaar is overigens niet voor elke liefhebber van het Nederlands even interessant. Het Nederlands in gevaar is namelijk een boek geschreven door een Nederlander voor een Nederlands doelpubliek. Van Bree stoffeert de onderwerpen in de verschillende hoofdstukken met voorbeelden en eigen anekdotes, die vooral betrekking hebben op (het Nederlands uit) Nederland. De uitspraken van Van Bree over het taalgebruik in Vlaanderen – door hem ‘het Vlaams’ genoemd – zijn bovendien vaak nogal kort door de bocht. Zo heeft hij het over ‘ tussentaal’, alsof tussentaal een variëteit is tussen dialect en Algemeen Nederlands, terwijl de status van tussentaal nog wordt onderzocht (Ghyselen 2011; Rys & Taeldeman 2007). Van Bree geeft ook aan dat tussentaal enkel in informele situaties gesproken wordt, terwijl tussentaal ook in formele(re) situaties vaak te horen is.

Chloé Lybaert

 

Bibliografie

Ghyselen 2011 – A. Ghyselen, ‘Structuur en dynamiek van diaglossische taalrepertoria: een pleidooi voor meer empirisch onderzoek’. In: Studies van de BKL 6 (2011).

Rys & Taeldeman 2007 – K. Rys & J. Taeldeman, ‘Fonologische ingrediënten van Vlaamse tussentaal’. In: D. Sandra, R. Rymenans, P. Cuvelier & P. Van Petegem (eds.), Tussen taal, spelling en onderwijs. Essays bij het emeritaat van Frans Daems. Gent, 2007, p. 23-34.

Stroop 1990 – J.P.A. Stroop, ‘Towards the end of the standard language in the Netherlands’. In: J. A. van Leuvensteijn & B. J.B. (eds.): Dialect and Standard Language in the English, Dutch, German, Norwegian Language Areas. Proceedings of the Colloquium ‘Dialect and the Standard Language’. Amsterdam, 1990, p. 162-177.

Van der Horst 2008 – J. van der Horst, Het einde van de standaardtaal. Een wisseling van Europese taalcultuur. Amsterdam, 2008.

 

 

Cor van Bree, Het Nederlands in gevaar? en andere prangende taalkwesties. Houten: Prisma, 2014. isbn: 978 90 0032 221 3. € 24,99

Twents op sterven na dood? Een sociolinguïstisch onderzoek naar dialectgebruik in Borne

Twents

Deze uitgave beschrijft hoe zich in het Twentse Borne de streektaalcompetentie en het streektaalgebruik van vijf leeftijdsgroepen verhouden met die van het Standaardnederlands.  De onderzoeker en auteur Sabine Maas heeft om dat na te gaan vijf testsituaties gecreëerd voor vier vrouwelijke en vijf mannelijke informanten. De eerste situatie is de mondelinge vertaling van zeventien zinnen in de streektaal, het Nedersaksisch van Borne dus. Daarmee kan de actieve dialectcompetentie  duidelijk worden.  De tweede situatie is andersom; daarbij wordt de beheersing van het Standaardnederlands  nagegaan op basis van ieders vertaling van een  Twentse tekst in de standaardtaal. Bij de derde test leest men een tiental standaardtaalzinnen in zo goed mogelijk Nederlands voor. In de situaties 1 en 3 betreft het  een aantal Nederlandstalige zinnen uit de Reeks Nederlandse Dialectatlassen (deel 12; 1973), zinnen die de Bornse informanten indertijd, niet ver voor het jaar van verschijning, ter vertaling voorgelegd kregen. Zo kan er vergeleken worden met de oorspronkelijke vertalingen, die voor de onderzoeker van nu als ijkpunt gelden.  De vierde en vijfde situatie bestaan uit vrije gesprekken die niet op het eigen taalgebruik focussen;  de eerste is met de onderzoeker, de tweede met een vertrouwde persoon. Een analyse van de score op de variabelen in die gesprekken kan inzicht bieden in het feitelijke gebruik.

Omwille van de vergelijkbaarheid heeft mevrouw Maas haar Bornse informanten gekozen uit personen met een communicatiegeoriënteerd beroep.  Zij werden geselecteerd zodanig dat zich vijf leeftijdsgroepen met een onderlinge leefafstand van  ± 10 jaar lieten onderscheiden, waarvan de jongste groep de gemiddelde leeftijd van 32 jaar had.  Door het taalgebruik tussen de vijf leeftijdsgroepen te vergelijken zouden verschillen en daarmee veranderingen vastgesteld kunnen worden. Dit op grond van de aanname  dat het taalgebruik van jongeren na hun twintigste niet meer sterk verandert en dat zij na verloop van tijd de oudere en oudste generaties vormen (de essentie van de ‘apparent time-methode’).

Om concreet te kunnen checken of de variëteiten die de sprekers in de testsituaties bezigden meer  met het Borns  overeenkwamen dan met het Standaardnederlands stelde de onderzoeker een lijst op van 12 variabele fonologische kenmerken waarop gescoord kon worden, zowel voor het Borns als voor het Standaardnederlands. Voorbeelden van zulke variabelen zijn ol versus ou, zoals in Borns old versus Ned. oud, en  eu versus uu, vergelijk Borns veur tegenover Ned. vuur ‘vuur’.  Daar kwamen nog zes morfosyntactische variabelen bij, zoals Borns nen versus Ned. een in geval van het mannelijk onbepaald lidwoord,  en doe of ie versus je/jij bij het persoonlijk voornaamwoord van de tweede persoon enkelvoud.

 Testresultaten

De competenties werden per situatie uitgedrukt door de totaalscores op alle variabelen, en wel door de percentages te berekenen van de realisaties van de streektaalvarianten en die van de standaardtaalvarianten op het geheel van alle realisaties.  In situatie 1 bleek de score van de dialectvarianten per leeftijdsgroep gemiddeld 90,6%, 87,7%, 87,9%, 84,2% respectievelijk 69,8%. Dat is reden om van een gestage afname te spreken, al is die bij de jongste groep wat nadrukkelijker dan in de oudere leeftijdsgroepen.

Situatie 2, de vertaling van een Twentse tekst in het Standaardnederlands  leverde nauwelijks verschil op tussen de negen sprekers.  Het aantal mogelijke scores bedroeg 53 (variabelen) maal 9 proefpersonen; in slechts vier gevallen werd een dialectvariant gerealiseerd. De uitgangshypothese  ‘De standaardtaalcompetentie van de jongere sprekers is hoger dan van de oudere sprekers’ werd daarmee niet bewaarheid.

Bij de voorleestaak, de derde test, ging het om de correcte uitspraak van het Standaardnederlands; de morfosyntactische opties bleven buiten beschouwing. Op één realisatie na scoorden alle personen  in deze test  100% Standaardnederlands.  Ook nu bleek de beheersing daarvan heel goed te zijn en geen samenhang met de factor leeftijd te vertonen.

 Taalgebruik in gesprekken

In de situaties 4 en 5 werden de proefpersonen niet door opdrachten gestuurd, maar konden ze hun taalgebruik zelf kiezen. In het eerste gesprek, dat met de onderzoeker zelf, was de situatie wat formeler dan in het tweede, met een vertrouwde persoon. Op het totale aantal keren dat een spreker een variabele gebruikte berekende mevrouw Maas  het procentuele aandeel van de standaardtaalopties, om zo te laten zien in welke mate de informanten de standaardtaal hanteerden. Ze verwachtte dat de informanten vooral Nederlands spreken met iemand die ze niet kennen en die van elders komt, zoals in dit geval zijzelf dus, en die voorspelling bleek uit te komen. De oudste vier sprekers realiseerden voor  85-90% de standaardtaal; vier van de vijf jongste sprekers haalden de hoogst denkbare score. Alleen een vrouwelijke informant van 41 jaar week af. Ze bleek zich sterk bewust van haar Twentse identiteit en taal en vond dat die door mag klinken. Deze waarneming roept het idee op om voortaan in dit soort onderzoek ook een situatie te creëren waarbij de onderzoeker streektaal spreekt, teneinde het streektaalgebruik juist ook in die situatie te meten.

In de situaties 4 en 5 werden de sprekers niet geïnstrueerd om goed Nederlands te spreken. De mate van inspanning daartoe hing er dus van af hoe sterk men het licht formele karakter als motivatie beleefde.  De competentie van het Nederlands is daarmee niet gemeten, maar wel het feitelijke gebruik in de onderhavige situaties, en dat was de bedoeling.  Dat toch ook situatie 5 door de opname enigszins formeel was, laat zich ook aflezen uit het opvallende verschil tussen de percentages voor de standaardtaalopties van de oudste drie leeftijdsgroepen (10,75%, 22,7% en 30,95%) en die van de jongste twee (84,3% en 81,1%), met als draaipunt de leeftijd van ongeveer 50 jaar.

Sprekers van 42 jaar en jonger gebruiken in hun dagelijks leven bijna uitsluitend standaardtaal, concludeert de auteur. Dat valt nog te bezien, want  ook in situatie 5 ging het om een enigszins formele situatie, die automatisch ontstaat door omstandigheid van de opname en die wellicht bij jongere mensen eerder  het gebruik van het Nederlands triggert. Aan de dialectcompetentie van de jongeren zal het niet gelegen hebben, want die bleek tamelijk hoog te zijn volgens testsituatie 1. Overigens is ook in ander onderzoek naar het Nedersaksisch een sterke discrepantie gesignaleerd tussen beheersing (die relatief groot is) en feitelijk gebruik. Ook mevrouw Maas is zich dat bewust. Ze haalt aan dat volgens haar onderzoek de streektaalcompetentie van dertigjarigen nog ± 70% is en stelt daarbij dat het gebruik dus weer zou kunnen toenemen.

 Overige informatie en enkele reflecties

Naast haar rapportage over het eigenlijke onderzoek in de hoofdstukken 3 en 4 biedt de auteur nuttige informatie over research naar variatie en verandering in streektalen – gelukkig ook uit het Duitse gebied – en naar dat van het Nedersaksisch in het bijzonder (hoofdstuk 2). Het betreft onder meer het  onderscheiden van de verticale dimensie (i.c. de relatie met de standaardtaal) en de horizontale dimensie, dus die met de dialecten in het omringende geografisch continuüm.  In dit verband had iets meer werk gemaakt kunnen worden van de verticale verhouding van het Borns met het oudere Nedersaksisch. De auteur verwachtte  in het Borns oo in plaats van eu in breur versus broer, meu versus moe, meuilijk versus moeilijk en schat de eu als hyperdialectisch / regiolectisch Nedersaksisch in. Het betreft echter een klankwettige voorzetting van een oude oo met i-umlaut, ook in het Borns. Maar dit is een detail, in een masterscriptie die terecht de boekvorm heeft verkregen in de reeks Niederlande-Studien Kleinere Schriften  en die eigenlijk om meer vraagt, zo  mogelijk met meer informanten en een grotere materiaalbasis.

Henk Bloemhoff

 

Sabine Maas, Twents op sterven na dood? Een sociolinguïstisch onderzoek naar dialectgebruik in Borne. Niederlande-Studien Kleinere Schriften. Heft 18. Friso Wielenga und Loek Geeraedts (eds.) Münster/New York: Waxmann, 2014. isbn: 978-3-8309-3033-4 (print). isbn: 978-3-8309-8033-9 (e-book). € 13,90.

Tussentaal. Over de talige ruimte tussen dialect en standaardtaal in VlaanderenTussentaal. Over de talige ruimte tussen dialect en standaardtaal in Vlaanderen

Het nummer Tussentaal. Over de talige ruimte tussen dialect en standaardtaal in Vlaanderen, dat als coproductie van Studia Germanica Gandensia (Libri) en Spieghel Historiael verschenen is, biedt een staalkaart van het sociolinguïstische onderzoek naar de Vlaamse tussentaal dat de laatste vier jaar gebeurd is binnen de vakgroep Nederlandse Taalkunde van de Universiteit Gent. Na een inleiding, waarin de redacteuren prof. Johan De Caluwe, Steven Delarue, Anne- Sophie Ghyselen en Chloé Lybaert de discussie rond tussentaal evenals het aandeel erin van het Gentse onderzoek kort schetsen, volgt een bibliografie van Gentse masterscripties, die tot in 1982 teruggaat, en daarna telt het nummer zes artikelen die gebaseerd zijn op exemplarische masterscripties.

Jolien Demeyere heeft de perceptie van taalvariatie bestudeerd bij zestien leerkrachten middelbaar onderwijs in uit West-Vlaanderen. Die kregen een zestal audiofragmenten te horen met een verschillende graad van standaardtaligheid en een verschillend regionaal accent. De leerkrachten waren evenredig verdeeld in mannen versus vrouwen en jongere (<35 jaar) versus oudere (>35 jaar) leerkrachten. Uit het onderzoek van Demeyere kwam vooral een leeftijdsverschil naar voren, waarbij de jongere leerkrachten een licht gekleurde tussentaal als niet echt afwijkend van de standaardtaal classificeerden terwijl de oudere leerkrachten een strikt onderscheid maakten tussen standaardtaal en elk vorm van accent. Lynn Prieels heeft de tussentaligheidsgraad onderzocht in drie tv-programma’s van de openbare omroep vrt en drie programma’s van de commerciële zender vtm. Daaruit bleek het tegendeel van de gangbare opvatting dat vtm een typische verspreider is van tussentaal, aangezien de hoogste tussentaalscores werden gemeten in vrt-programma’s. Kirsten Rosiers heeft een verbal-guise onderzoek gedaan naar de taalattitudes bij 227 leerlingen lager en middelbaar onderwijs in het Brabantse Mechelen en Opwijk. Die moesten een standaardtalig, West-Vlaams gekleurd en Antwerps gekleurd geluidsfragment beoordelen op tien attitudevragen (m.b.v. Likertschalen), en bijkomend werd er hen gevraagd of ze het accent van het fragment herkenden en of ze belang hechtten aan het leren van andere talen. Rosiers’ onderzoek bevat een rijke waaier aan resultaten en interessant is bijvoorbeeld het negatieve verband tussen de appreciatie van het Antwerpse fragment en de waardering voor andere talen: wie negatief stond ten opzichte van het Antwerps stond doorgaans positief tegenover andere talen. Ook Jolien Toye heeft een attitudestudie gedaan: deze keer ging het om een matched-guise onderzoek bij 116 leerlingen van acht tot achttien jaar. De bedoeling was expliciet om de evolutie van de taalattitudes naargelang de leeftijd na te gaan, en daarnaast werd er gepeild naar sekseverschillen. Op basis van dertien attitudevragen voor een vijftal fragmenten kon Toye vaststellen dat de attitudes bij het ouder worden steeds meer gingen lijken op de typische resultaten voor volwassenen, waarbij tussentaalvariëteiten negatiever werden beoordeeld voor status maar positiever voor solidariteit en waarbij vrouwen de standaardtaal net iets positiever vonden dan mannen. Inge Van Lancker heeft dan weer een productiestudie gedaan onder zeven kinderen van negen/tien jaar in de Vlaamse jeugdbeweging ksa in Oudenaarde. In drie verschillende situaties heeft ze de tussentaligheidsgraad van de kinderen gemeten om zo hun taalrepertorium op het spoor te komen. Uit de analyses bleek enerzijds dat de kinderen hun taalgebruik aan de situatie aanpassen en tussentaliger spreken in informelere situaties. Anderzijds halen kenmerken zoals de deleties (da(t), nie(t), goe(d), maa(r), (h)eb,…) en het G-systeem bij de aanspreekvormen (ge, gij, vergis u niet,…) door de bank genomen hoge scores, zodat Van Lancker concludeert dat die kenmerken beschouwd mogen worden als behorend tot de informele standaardtaal. Tot slot heeft Evelien Yde de tussentaligheidsgraad gemeten in 171 radiospots uit september 2012. Die radiospots werden onderverdeeld in monologisch versus dialogisch, in acht thematische categorieën, en verder werd er een onderscheid gemaakt tussen de ‘actanten’ in de spots en de voice-overs. De resultaten toonden dat dialogische spots meer tussentaal bevatten dan monologische spots, dat er variatie is naargelang het thema van de spot, en dat de actanten tussentaliger zijn dan de voice-overs.

Wat in dit overzicht opvalt, is dat het onderzoek toegespitst is op twee aspecten van tussentaal (en de redacteuren zijn zich daar in hun inleiding ook van bewust): de masterscripties belichten het taalgebruik van ofwel de jongeren ofwel de media. Dat is bekend terrein in het onderzoek naar tussentaal, en positief is dat deze masterscripties de empirische evidentie erover verder uitbreiden. Tegelijk betekent dit dat er weinig andere sociolinguïstische onderwerpen bestudeerd worden: enkel stijl- en seksevariatie worden nog in rekening genomen, maar een voor de hand liggende factor zoals socio-economische status blijft volledig buiten beschouwing. Dat is opmerkelijk omdat de opkomst van tussentaal toch vooral de stabilisering is van een informele omgangsvariëteit in een van oudsher diglossische taalsituatie. In studies over diglossie (bv. het Arabisch: Abd-el-Jawad 1986; 1987; Ibrahim 1986) en/of dialectnivellering (Trudgill 1986; Kerswill 2003) is dat soort stabilisering een klassiek verschijnsel en wordt het in de regel in verband gebracht met urbane machtscentra waar hoogopgeleide elites hun eigen varianten gebruiken. Hoewel het Gentse onderzoek echter vaak de vergelijking maakt tussen de verstedelijkte Brabantse regio en de meer rurale West-Vlaamse gebieden, worden klassenverschillen tussen informanten nooit in overweging genomen.

Die omissie is niet tot Gent beperkt maar is een lacune in de neerlandistiek in het algemeen. In plaats van voort te bouwen op de variatielinguïstische verklaringsprincipes zoals beschreven in Chambers (2009) of Tagliamonte (2011), volstaat men gewoonlijk met een verwijzing naar bijvoorbeeld ‘diaglossie’ (Auer 2005) of sinds kort ‘demotisering’ (Coupland & Kristiansen 2011). Dat gaat voorbij aan het feit dat zulke termen vooral benamingen zijn, waarbij de precieze oorzaken net nader te bepalen zijn. Daarmee neemt het tussentaalonderzoek al meer dan een decennium de vorm aan van een blind zoekproces: er worden allerlei empirische gegevens geanalyseerd zonder dat die geïnterpreteerd worden met behulp van het nodige theoretische kader (en een aanzet daartoe werd in dit tijdschrift ondernomen door Plevoets 2013).

Een ander bewijs van het onvoldragen karakter van de Vlaamse variatielinguïstiek vormt het methodologische gehalte van veel masterscripties. In dit themanummer over tussentaal gebruiken enkel de twee attitudestudies de techniek van factoranalyse, om vervolgens blijk te geven van een onvoldoende beheersing van anova. Dat vormt nogmaals een aanleiding om te discussiëren over de programmahervorming van het academische onderwijs voor meer onderzoekvaardigheden. Die discussie is terecht: alleen met een verdieping van zowel methodologie als theorie kan het tussentaalonderzoek aansluiten bij de internationale sociolinguïstiek.

 

Koen Plevoets

Johan De Caluwe, Steven Delarue, Anne-Sophie Ghyselen & Chloé Lybaert (red.), Tussentaal. Over de talige ruimte tussen dialect en standaardtaal in Vlaanderen. Gent: Academia Press, 2013. 107 pp. ISBN: 978 90 382 2260 8. € 12,50.

 

Bibliografie

Abd-el-Jawad 1986 – H. Abd-el-Jawad, ‘The emergence of an urban dialect in the Jordanian urban centers’. In: International Journal of the Sociology of Language 61 (1986), p. 53-63.

Abd-el-Jawad 1987 – H. Abd-el-Jawad, ‘Crossdialectal variation in Arabic: Competing prestigious forms’. In: Language in Society 16 (1987), p. 359-368.

Auer 2005 – P. Auer, ‘Europe’s sociolinguistic unity, or: A typology of European dialect/ standard constellations’. In: N. Delbecque, J. Van der Auwera & D. Geeraerts (ed.), Perspectives on variation: Sociolinguistic, historical, comparative. Berlijn/New York: Mouton de Gruyter, 2005, p. 8-42.

Chambers 2009 – J. Chambers, Sociolinguistic theory. Revised edition. Chichester: Wiley & Sons, 2009.

Coupland & Kristiansen 2011 – N. Coupland & T. Kristiansen, ‘slice/ Critical perspectives on language (de) standardisation’. In: T. Kristiansen & N. Coupland (ed.), Standard languages and language standards in a changing Europe. Oslo: Novus Press, 2011, p. 11-35.

Ibrahim 1986 – M. Ibrahim, ‘Standard and prestige language: a problem in Arabic sociolinguistics’. In: Anthropological Linguistics 28 (1986), p. 115-126.

Kerswill 2003 – P. Kerswill, ‘Dialect levelling and geographical diffusion in British English’. In: D. Britain & J. Cheshire (ed.), Social dialectology. In honour of Peter Trudgill. Amtserdam/ Philadelphia: John Benjamins, 2003, p. 223-243.

Plevoets 2013 – K. Plevoets, ‘De status van de Vlaamse tussentaal: Een analyse van enkele socio-economische determinanten’. In: tntl 129 (2013), p. 191-233.

Tagliamonte 2011 – S. Tagliamonte, Variationist Sociolinguistics: Change, Observation, Interpretation. Chichester: Wiley & Sons, 2011.

Trudgill 1986 – P. Trudgill, Dialects in Contact. Oxford/New York: Blackwell, 1986.