Een hoogstaande publieke man?

Wie kende hem niet in het interbellum? Dr. P.H. Ritter jr. (1882-1962) was een van die mannen met een onuitputtelijke activiteitendrang op het grensgebied van literatuur, journalistiek en publiciteit. Tegenwoordig zou je zo iemand een Bekende Nederlander noemen, omdat hij overal in de publiciteit opdook om zijn immer parate en pittig geformuleerde mening over van alles en nog wat te ventileren. Niets was Ritter te gek. Hij schreef niet alleen vrijwel dagelijks over boeken en schrijvers, hij gaf er ook duizenden lezingen over aan de volksuniversiteiten en bij bijeenkomsten van ’t Nut of andere lezingenclubs, maar vooral ook via de avro-radio.

Menno ter Braak, die – als hij al over Ritter wenste te spreken – weinig naliet om aan diens populaire (en in zijn ogen dus licht triviale) productie te herinneren, schreef in 1937 in zijn krant Het Vaderland dat hij ‘alleen kon voorstellen, dat hij [Ritter] ’s morgens, voor het opstaan in bed het boek van de week leest, tijdens het ontbijt reeds critiseert, aan de koffie zijn democratische speech concipieert en in het bad zijn romans dicteert’. En dan schreef Ritter ook nog romans en novellen plus artikelen en essays over uiteenlopende zaken zoals politiek, persvrijheid, bioscoopfilms, welsprekendheid, het roken van goede sigaren, het genot van reizen en het belang van de huwelijksmoraal. Plus nog duizend andere kwesties. En dat alles terwijl hij ook nog lange tijd hoofdredacteur was (van het Utrechtsch Dagblad) en redacteur van vele literaire en politieke bladen. Waar de man de energie en inspiratie vandaan haalde om ook nog met tientallen schrijvers en critici een intensieve correspondentie op te zetten die in duizenden (vrijwel alle bewaard gebleven) brieven resulteerde, is een raadsel.

Maar los van die vraag: hoe krijgt een biograaf van Ritter greep op dit immense oeuvre? Gesteld dat je dit alles kan nalezen, is er nog een touw aan vast te knopen en kan die veelheid aan activiteit ergens in algemene patronen gepast worden? Dat was het manco van de eerdere biografische pogingen van Jan J. van Herpen, waarin de grondigheid van onderzoek helaas niet opwoog tegen de encyclopedische, weinig analytische aard van de teksten.

Maar Alex Rutten bewijst dat met een meer wetenschappelijke benadering voortreffelijke resultaten kunnen worden geboekt. In juni promoveerde hij bij de Open Universiteit op een redelijk gecomprimeerd gebleven biografische studie van Ritter jr. En dat komt niet alleen doordat Rutten zich heeft beperkt tot het interbellum, ongetwijfeld de meest interessante periode uit Ritters leven. Het komt bovenal door de concentratie op vier hoofdactiviteiten: literatuurcriticus in het Utrechtsch Dagblad, docent aan de volksuniversiteiten, boekbespreker voor de radio en filminleider. En het komt door de methodische positionering in de ‘middlebrow studies’, de literair-historische benadering die literatuur niet vanuit een vastgestelde canon van ‘hoog’ en ‘laag’ bekijkt, maar vanuit het functioneren van literatuur in brede cultuurhistorische context. Die benadering maakt sinds de jaren negentig echt school en het opent de ogen voor onontgonnen dimensies in de literatuurgeschiedenis. Zoals het feit dat journalistiek, een volksuniversiteit of de film ook relevante velden voor literatuur en cultuur waren en zijn.

Ruttens studie werpt bijzonder licht op de toch wel bijzondere figuur Ritter jr., die na de oorlog snel aan betekenis verloor en na zijn dood snel vergeten zou worden. Misschien is er zelfs sprake van eerherstel want Ritter heeft tijdens zijn leven veel strijd moeten leveren om erkenning van zijn kwaliteiten te krijgen. Wie de studie van Rutten leest kan niet om Ritters grote kwaliteiten heen, maar hij loopt heen om de vraag of dat een eerherstel betekent. Door de zeer uitvoerige schetsen van Ritters werk en activiteit laat Rutten als het ware zien dat we hier te maken hebben met een universele en schier onfeilbare allesweter, die met een ongehoord productieve werkkracht probeerde de literaire, journalistieke en wetenschappelijke wereld te imponeren vanuit de nieuwste media van zijn tijd. Daar resulteert een tamelijk positief beeld uit, dat haaks staat op de kritiek die Ritter tijdens zijn leven heeft gekregen.

Nu kunnen die reacties (Bourdieu’s smaak- en veldentheorie indachtig) het gevolg zijn van de defensieve reacties van een gevestigd veld op nieuwkomers die er andere opvattingen en populaire podia op nahouden. Ook kan sprake zijn geweest van jaloezie op en afgunst over Ritters talenten en succes bij een breed publiek. Maar het zou ook denkbaar zijn dat die kritiek wortelt in Ritters schaduwzijden. En die zijn er vele, ook al besteedt Rutten daaraan slechts zijdelings of soms zelfs geen aandacht. Het bekendste voorbeeld was de beschuldiging van corruptie en geldwolverij die hardnekkig rondom Ritter is blijven hangen en die ook de studie van Rutten niet echt wegneemt.

Maar er is meer. Ritter stelde zich op als een man met een goede smaak en een hoog ethisch besef, die strijd voerde tegen de verloederingen van de populaire cultuur en journalistiek. Maar zijn gedragingen wijzen soms op het tegendeel, zoals zijn omstreden opvattingen over diefstal als legitieme journalistieke methode voor het verkrijgen van nieuwswaardig materiaal. Uiterst omstreden was tevens het voeren van een meedogenloos eenzijdige perscampagne tegen het kanaal-tractaat met België in 1927 en het in zijn krant publiceren van vervalste diplomatieke documenten twee jaar later. Het was een kwestie waarbij de man die zich veel en vaak als ethisch hoogstaand positioneerde er maar niet toe kon komen om er ooit ruiterlijk schuld voor te bekennen.

Ethisch hoogstaand waren bepaald ook niet Ritters verslonzing van het duurbetaalde hoofdredacteurschap in Utrecht door vele lucratieve nevenactiviteiten. En zijn pogingen om door middel van vriendjespolitiek hoogleraar in Leiden of Amsterdam te worden, en zijn vriendendiensten voor het verkrijgen van toegang tot de radiomicrofoon. Zoals het zogenaamde interview dat Ritter in oktober 1933 voor de avro-radio afnam aan zijn vriend, collega-journalist en middlebrow-icoon Doe Hans, dat resulteerde in een uitbundige lofrede op de journalistiek en op de voortreffelijkheid van zowel de interviewer als de geïnterviewde.

Het waren alle zaken die ook in Ritters tijd niet als erg ethisch hoogstaand werden gezien, hetgeen mede het toenemend isolement van Ritter in literaire en journalistieke kring kan verklaren. Helaas treedt Rutten niet met een interpretatie in dit mijnenveld, terwijl hij daar toch wel ruim het gezag voor heeft opgebouwd. Maar dat is slecht een kanttekening bij een verder voortreffelijk uitgevoerd onderzoek dat de middlebrow studies in Nederland een belangrijke impuls kan en zal geven.

Huub Wijfjes

Alex Rutten, De publieke man. Dr. P.H. Ritter Jr. als cultuurbemiddelaar in het interbellum. Groningen: Uitgeverij Verloren, 2018. 281 pp. isbn: 9789087047306. € 29,-.

De ijdele façade van Harry Mulisch

In teksten en tijdens openbare optredens presenteerde Harry Mulisch zichzelf graag als een man met uitzonderlijke kwaliteiten. De muur die hij daarmee in het communicatieproces optrok, noemde hij ‘de ijdele façade’. Hij beschouwde zijn zelfvergroting als een vorm van rebellie tegen de in Nederland verplichte soberheid, eenvoud en zelfverkleining. In discussies bestempelde hij zijn zelfvergroting als ironie.

In De ijdele façade. Over de ironische zelfvergroting van Harry Mulisch, de handelseditie van het proefschrift dat hij in 2015 in Brussel verdedigde, onderzoekt Marc van Zoggel hoe die zelfvergroting van Mulisch en de eventuele ironisering in zijn werk vorm krijgen. Hij hanteert de terminologie van Bourdieu. Edwin Praat en Sander Bax zijn verwante onderzoekers. Praat neemt in Verrek, het is geen kunstenaar. Gerard Reve en het schrijverschap (2014) een uitvoerige beschrijving van de theorie van Bourdieu op. In De Mulisch Mythe. Harry Mulisch: schrijver, intellectueel, icoon (2015) analyseert Bax de beeldvorming van Mulisch met het instrumentarium van Bourdieu. Kennelijk veronderstelt Van Zoggel diens theorie bekend. De enige studie die hij van Bourdieu in zijn bibliografie vermeldt, is Le Sens pratique (1980). Daarin staat theorievorming niet centraal. Bourdieu spoort onderzoekers aan tot kritische reflectie op de eigen preoccupaties. Praat en Bax richten in hun analyses van de relatie tussen auteur en lezer het vizier vooral op de schrijver. Bij Van Zoggel zijn auteur en lezer vaak samen in beeld. Hun samenspel is noodzakelijk voor ironie.

Als corpus voor zijn onderzoek heeft Van Zoggel vier teksten gekozen uit het latere deel van het oeuvre: De pupil (1987), Het beeld en de klok (1989), De ontdekking van de hemel (1992) en Siegfried (2001). Begrijpelijk. Ook in het vroege werk zijn er overeenkomsten tussen personages en auteur, maar op een enigszins abstract niveau. Zo worstelt de hoofdpersoon uit Archibald Strohalm (1952) evenals zijn schepper met literaire materie, maar concrete overeenkomsten tussen personage en auteur zijn er nauwelijks. Latere personages hebben wel veel met de auteur gemeen. Die lenen zich dus beter voor een onderzoek naar zelfvergroting van de auteur.

Aan de analyse gaan twee uiteenzettingen vooraf: over de ironie en het schrijverschap van Mulisch. Een grondig historisch overzicht maakt duidelijk hoe lastig wetenschappelijk onderzoek naar ironie kan zijn. Bijvoorbeeld door de enorme reikwijdte van het begrip, met als polen een eenvoudige vorm van taalspel en de basis van een levenshouding of filosofie. Daarnaast kan het begrip meerdere, soms tegengestelde betekenissen hebben. Zo noemen we in Nederland zowel de zelfvergroting als de zelfverkleining ironie. Aristoteles gebruikte ironie (eironeia) alleen als aanduiding van de zelfverkleining. Voor de zelfvergroting hanteerde hij alazoneia. Een wezenlijker probleem is dat mogelijk ironische communicatie een complex proces is met veel niet altijd volledig in kaart te brengen variabelen, zoals de intentie van de schrijver/spreker, mogelijke ironiesignalen in de tekst en de instelling en kennis die de lezer/luisteraar nodig heeft om ironie te herkennen.

In het overzicht van Mulisch’ oeuvre signaleert Van Zoggel vaak zelfvergroting en ironie. Vier keer onderbreekt hij dat overzicht voor ‘dieptepeilingen’. Die betreffen: het culturele leven in Haarlem, waarin de jonge Mulisch actief was; de bewonderde Thomas Mann, ironicus bij uitstek; aartsrivaal Gerard Reve, aangevallen vanwege zijn gebruik van de ironie; het idool Goethe, geniaal, niet blufferig, wel ironisch.

Een uitvergroting van Mulisch met een snufje ironie zou een reus van de geest opleveren, meestal pochend op zijn superioriteit, soms licht relativerend. De personages uit het corpus die eigenschappen en ervaringen met de auteur gemeen hebben, passen echter niet in dit sjabloon. De jonge hoofdpersoon uit De pupil bijvoorbeeld is geen alter ego, maar een alternatief ego van Mulisch. Terwijl de jonge Mulisch in kommervolle omstandigheden weerbarstige literaire materie kneedde, leefde deze pupil in rijkdom en kreeg hij de kern van zijn oeuvre, een reeks personages, cadeau. Hij bezondigde zich wel aan grootspraak. Bovendien komt de kern van zijn oeuvre met dat van Mulisch overeen. Een gecompliceerde relatie dus tussen auteur en hoofdpersoon. Passend bij een schrijver die raadselachtig wil zijn. In De ontdekking van de hemel is het niet anders. Gangbaar is de visie dat Delius Mulisch representeert en Quist Donner. Maar Quist schuwt grootspraak niet. Zou Mulisch zijn belangstelling voor literatuur, natuurwetenschappen en politiek hebben verdeeld over Delius, astronoom, en Quist, oudheidkundige en politicus? Vormen die personages samen één mens, zoals Mulisch al in 1953 in een essay beweerde over Laurel en Hardy? Zo ja, hoe werkt dan de zelfvergroting? Als de beroemde schrijver zich in Het beeld en de klok superieur toont aan de man die de boekdrukkunst niet heeft uitgevonden, hoe fors is dan de zelfvergroting? En is er tussen Rudolf Herter uit Siegfried en Harry Mulisch, bijna kopieën, voldoende ruimte voor zelfvergroting?

Ironie is een diffuus fenomeen. Mulisch’ streven was het raadsel te vergroten. Die twee factoren maken het irreëel te veronderstellen dat een onderzoek naar ironische zelfvergroting bij Mulisch spijkerharde en messcherpe conclusies zal opleveren. Van Zoggel concentreert zich dan ook vooral op de reis, het verkennen, en minder op de plaats van aankomst. In De pupil kijkt hij vooral naar ironiesignalen. In Het beeld en de klok naar indicaties voor de intentie van de auteur. In De ontdekking van de hemel belicht hij onder andere ironie die ontstaat doordat iemand een uitspraak van vroeger herhaalt, in gewijzigde omstandigheden, wat afstand veroorzaakt. In Siegfried probeert hij enige distantie te vinden tussen Herter en Mulisch, naast alle overeenkomsten. De verkenningen leveren veel aansprekende gegevens op en bieden de schrijver bovendien de kans de eerder gepresenteerde theorie te verfijnen.

Die inspirerende verkenningen bieden veel aanknopingspunten voor vervolgonderzoek, met een belangrijke rol voor lezers. Dat is niet de enige verdienste van Marc van Zoggel. Hij verplicht de lezer ook aan zich door zijn gedegen behandeling van de ironie en zijn nauwkeurige beschrijvingen van het oeuvre en het Mulisch-onderzoek. Bovendien heeft hij zijn exposé gekruid met wetenswaardigheden, waarvan sommige ook doorgewinterde Mulisch-adepten kunnen verrassen. Een rijk boek.

Jos Buurlage

Marc van Zoggel, De ijdele façade. Over de ironische zelfvergroting van Harry Mulisch. Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2018. 400 pp. isbn: 9789087047245. € 39,-

Benaderingen van poëzie in het nieuwe millennium

Recentelijk zijn er enkele boeken verschenen die poëzie propageren. Olijven moet je leren lezen en woorden temmen zijn bedoeld om nieuwe lezers voor de poëzie te winnen. Bundels van het nieuwe millennium, de opvolger van Dichters van het nieuwe millennium, is voor gevorderde poëzielezers. Ondertussen kwam ook een dik nummer van Spiegel der Letteren uit met als thema Buiten het boek waarin (onder meer) poëzie juist buiten de bundels wordt onderzocht. Deze publicaties vertonen elk een heel verschillende aanpak en stimuleren stil te staan bij de vraag hoe poëzie, in een academische setting en daarbuiten, het best benaderd kan worden.

Bundels van het nieuwe millennium heeft de pretentie het landschap van de recente poëzie in beeld te brengen. Samen met Dichters is ze ‘een staalkaart van de Nederlandstalige poëzie in de 21e eeuw’, aldus de blurb. Deze verzameling essays (nu dus niet over oeuvres, maar over bundels) van de hand van nadrukkelijk als ‘academische poëziespecialisten’ voorgestelde auteurs, heeft dan ook dezelfde kwaliteiten als zijn oudere ‘broertje of zusje’ (10). Kortheidshalve verwijs ik naar de eerder in dit tijdschrift verschenen recensie hierover (133, nr. 2 (3 april 2017) https://www.tntl.nl/boekbeoordelingen/?cat=78) en herhaal slechts: mooie vormgeving, informatief, encyclopedisch, dicht op de huid blijvend. Wat weer goed werkt is dat elke bijdrage opent met een gedicht, dat meestal ook in de beschouwingen wordt betrokken.

Ook de nadelen van de aanpak die Dichters aankleefden vindt men in Bundels terug: niet werkend uit probleemgerichte vraagstellingen (wat je toch van academische publicaties mag verwachten), enigszins aanvechtbare selectie en, in samenhang daarmee, binnen het heersende spreken over poëzie blijvend. Voor de bijdrage van Sander Bax geldt dat eerste nadeel overigens niet. Zijn stuk is in feite opgezet rond de vraag in hoeverre Dirk van Bastelaere (in ieder geval als dichter van Hartswedervaren) als ‘verstokte postmodernist’ moet worden gelezen, zoals het ‘heersende spreken’ over de recente poëzie het wil (17). Het betoogt vervolgens dat de dichter veeleer aansluiting zoekt bij de ‘taalgerichte of de experimentele’ traditie die indertijd door Redbad Fokkema in zijn geschiedenis van de naoorlogse poëzie is onderscheiden (25).

Het boek bevat enkele indringende beschouwingen over belangwekkende bundels. In het mooiste essay vallen die twee samen: Johan Sonnenschein over H.H. ter Balkts Anti-canto’s en De Astatica. Erudiet tekent hij een poëticale traditie uit – die van Ezra Pound – als paradoxaal interpretatiekader (in een ademteug vormt die juist een anti-traditie en, even paradoxaal, wordt daarbij internationaal materiaal in een hoeve aan de Dinkel opgetast) en weet hij de indrukwekkende in weigering gewortelde kracht van dit dichterschap voelbaar te maken in het beeld van de schavers van de schaaf: de civilisatie schaaft de scherpste randjes van de mens maar de schaaf raakt bot, de dichter probeert door zijn schurende taal het schaafinstrument scherp te houden (of misschien ook: de zogenaamde beschaving disciplineert de mens tot aan het onmenselijke toe, de dichter wil dit perverse schaafproces frustreren – de tendens van des Balkers ‘geraaskal’ is immers bestendig opponerend (82)). Dit lezend raak je enthousiast en wil je direct Ter Balkt weer ter hand nemen.

Toch bleef ik, meer dan bij Dichters, na mijn lectuur met een ambivalent gevoel achter. Want dat enthousiasmerende, dat miste ik in nogal wat bijdragen. Zij zijn, zoals gezegd, doorgaans vakkundig en informatief, maar op een of andere manier kleuren ze mij iets te braaf tussen de lijntjes. Misschien heeft dat te maken met de rol die de auteurs is opgelegd: die van académische poëziespecialist. Die zet wellicht een rem op riskante analyses, intrigerende speculatieve interpretaties en enthousiasmerende waardeoordelen. En is dat nu juist niet de bedoeling van poëziekritiek? Moet poëziekritiek niet een vorm van wartaal zijn? Is een goede poëziecriticus vaak niet bezig de eigenzinnige taalmanoeuvres van de gedichten die hij of zij bespreekt te echoën? In die galmkamer geeft hij stem aan zijn eigen pogingen een vinger te krijgen op waarom het in de poëzie hier draait. Poëziekritiek is zo ook een verlengstuk van de poëzie zelf.

Dat zien we in de bijdrage over Gerrit Kouwenaar van Wiel Kusters (een uitgebreide herdruk van een ouder stuk). Hij oordeelt onbekommerd (‘indrukwekkend’, ‘schrijnende prestatie van het leven’), stelt net zo onbekommerd poëtische en poëticale effecten vast (bijvoorbeeld dat de ‘vakmatige autonomie’ het ‘“orfische”, magische’ bewerkstelligt), construeert creatief een interpretatie (in contrast met een ouder gedicht van Kouwenaar) en associeert al even creatief voort op de poëtische tekst, zoals in de opening waar het woord ‘totaal’ onder andere totale zonsverduistering, totale oorlog, totale waanzin, totalitair en taal oproept (48, 55, 48-49, 47). Inderdaad, academisch gezien totale wartaal, maar wat mij betreft vruchtbaar ‘geraaskal’ dat de poëziekritiek past. Kusters stelt zich op als poëziecriticus en weigert zich het keurslijf van het academisme te laten aanmeten.

Het is dus de vraag wat de meerwaarde van de zichzelf opgelegde academische benadering in dit boek is. Je kan het ook anders stellen: is deze bundel überhaupt wel een verzameling academische bijdragen? Laten we even teruggaan naar de kwesties van de selectie en het ‘heersend spreken’.

Wat zijn de selectiecriteria? De inleiders noemen er vier: bundels die ‘een scharnierpunt’ in het oeuvre van een dichter vormen (wat het criterium voor ‘scharnierpunt’ is wordt echter niet uitgelegd en wordt in de bijdragen ook niet op een zelfde wijze ingevuld); bundels die ‘een gezichtsbepalende rol’ speelden in discussies (op nogal wat bundels – bijvoorbeeld Ontij van Anneke Brassinga – is dit criterium niet of nauwelijks van toepassing, nog afgezien wat met ‘gezichtsbepalend’ wordt bedoeld); bundels die succesvol waren bij jury’s of in de kritiek (ook dat gaat niet voor alle bundels op); bundels die opvallen door ‘bijzondere omgang met het medium poëziebundel’, zoals bij Tonnus Oosterhoff (handschrift, digitaal), Anne Vegter (tekeningen) en Arjen Duinker (oraal), waarbij de inleiders erkennen dat er ook de nodige ‘klassieke’ bundels voorkomen (10, 12). De criteria blijken dus los van elkaar te werken en eigenlijk ook wat losjes te zijn toegepast. Merkwaardig is dat de inleiders vervolgens twee trends signaleren: de grenzen van ‘het medium “poëziebundel”’ worden opgerekt en er is een ‘duidelijke focus op de wereld’ (12-13) Maar valt die eerste trend niet samen met het tweede selectiecriterium en is daarmee de vaststelling (en wellicht ook de selectie zelf) niet circulair? Je kiest items met het kenmerk p en stelt dan als trend vast: alle items zijn p! En de tweede trend? Je gaat je haast afvragen of daarachter wellicht ook een selectiecriterium schuilgaat.

Nu kun je deze opmerkingen afdoen als gezeur, want bij elke selectie verliest men wel iets. De redacteuren relativeren overigens zelf hun keuze (ze hadden ‘evengoed andere bundels’ kunnen kiezen (10)). Toch blijft er iets knagen. Het beeldvormend effect van Bundels en Dichters tezamen zal immers zijn dat dít de poëzie van de eenentwintigste eeuw is. De relativerende houding van de redacteuren wordt bovendien weersproken door de ambitie die hun verzameling uitstraalt: een staalkaart te geven van die nieuwe poëzie. Doordat de focus van Dichters op de in de nieuwe eeuw gedebuteerden lag vielen oudere dichters, die evenzeer ‘beeldbepalend’ waren, weg. Om dat gat te dichten volgde Bundels als aanvullende correctie. Zoals de inleiding terecht stelt wordt het ‘landschap van de hedendaagse poëzie’ bepaald door ‘samenspel van nieuwe dichters’ en ‘gevestigde namen’ (11). De pretentie is dus stiekem toch representatief te zijn of in ieder geval een geldig beeld te geven.

Als je het zo bekijkt mis je van alles. Ten eerste heel wat namen die zonder veel problemen onder een van de op zich niet strikte criteria van de redacteuren vallen: Jules Deelder, Eva Gerlach, Luuk Gruwez, Jacques Hamelink, Stefan Hertmans, Judith Herzberg, Ingmar Heytze, Esther Jansma, Hester Knibbe, Frank Koenegracht, Antoine de Kom, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Joke van Leeuwen, Ted van Lieshout, K. Michel, Willem Jan Otten, Hagar Peeters, Toon Tellegen, Miriam Van hee, Hans Verhagen, Marjoleine de Vos, Levie Weemoedt en ga zo maar door. Ik begrijp dat een meer dan dubbeldikke bundel die er dan zou ontstaan niet haalbaar zou zijn geweest, maar op zijn minst, en dat is het tweede wat ik mis, had de inleiding een panoramisch essay kunnen bevatten met richtingen à la Redbad Fokkema – vernieuwingen náást traditionele werkwijzen –, zodat ook niet opgenomen dichters in beeld waren gekomen en inderdaad het ‘samenspel’ van verschillende stemmen was geanalyseerd. Nu moeten we het doen met enkele erg globale karakteriseringen – eclectisch, heterogeen, mediale verkenningen, wereldbetrokkenheid – die bovendien niet het hele landschap dekken. Wie een aantal namen nader beziet zal in ieder geval opvallen dat een hele trant van dichten, die je zou kunnen aanduiden als de richting Kopland, wordt buitengesloten. Dit is mijn derde pijnpunt.

Onder het mom van academische neutraliteit neem ik anders gezegd een poëticale bias waar. Het zwaartepunt ligt op vernieuwing en volgt zo in feite de doxa van een dominante literatuuropvatting (oftewel het ‘heersend spreken’) binnen een bepaalde sector van invloedrijke smaakmakers. Toegegeven, wie teksten bespreekt (selecteert, analyseert, interpreteert, contextualiseert, waardeert) is qualitate qua onderhevig aan normatieve vooronderstellingen. Maar van een academische literatuurbeschouwer mag je in ieder geval enige reflectie daarop verwachten in een poging de eigen blinde vlekken te signaleren.

Recentelijk zijn er in ons taalgebied een aantal studies verschenen die op blinde vlekken van het modern-letterkundig onderzoek wijzen, waaronder de al genoemde focus op vernieuwing in plaats van continuïteit en de exclusieve aandacht voor elitaire literaire cultuur in plaats van voor meer populaire culturele praktijken (inclusief bemiddelingspraktijken van dagblad- en radio-en-televisiekritiek alsmede lezingencircuits en andere educatieprojecten). Het al genoemde themanummer van de Spiegel stelt in deze zelfde verbredende lijn de literatuur ‘buiten het boek’ centraal. Een artikel dat verslag aflegt van empirisch geïnformeerd onderzoek over poëzie op posters en kussenslopen betoogt dat deze ‘onderbelichte gebieden van het poëzielandschap’ al te gemakkelijk ‘buiten de academische kijk op het literaire veld’ vallen en daardoor een deel van de werkelijkheid missen (aldaar, 407).

In dat licht komt Bundels, als academische onderneming, wat ouderwets over. Het project had wat mij betreft inderdaad inclusiever, reflectiever en ietwat empirischer (zoals het kussensloopartikel) mogen worden opgezet met als ambitie iets meer in kaart te brengen. Er was ook een alternatieve aanpak mogelijk geweest: gewoon het academisch schaapsvel afleggen en het kritisch wolvenhart laten spreken om wat volgens de auteurs ertoe doet in de poëzie tot bloedens toe bij het nekvel te grijpen. Dan was het hart van de poëzielezer vast sneller gaan kloppen. En hopelijk ook van degenen die poëzielezer (zouden kunnen) worden.

Ik wijs op twee boeken die van een hele andere kant starten: het op weg helpen van lezers. De blurb van Olijven moet je leren lezen van Ellen Deckwitz verkondigt dat het lezers van hun ‘poëziedrempelvrees’ geneest en belooft hen tot ‘slimmere, rijkere en gelukkigere’ mensen te maken. Kila&Babsie willen in woorden temmen lezers ‘inspireren en stimuleren’. Hiervan gaat het hart inderdaad wel sneller kloppen, ook van degene die meent niet zo erg aan poëziedrempelvrees te lijden. Deckwitz stelt vast dat er veel mensen met poëzie bezig zijn, maar nauwelijks poëzie in bundels lezen. En potentiële nieuwe lezers beginnen er al helemaal niet aan omdat zij poëzie ‘te vaag’ vinden (8). Vandaar haar ‘Eerste Hulp Bij Poëzie’. Want poëzie is ‘grappig én schrijnend, ontroerend én ontluisterend’ en bovendien ‘te bijzonder om aan haar lot te worden overgelaten’ (10). Ook Kila&Babsie nemen het lot van de poëzie in handen en willen (nieuwe) lezers laten ervaren dat poëzie ‘gelukkig’ maakt en dat gedichten niet altijd ‘zwaar of moeilijk’ zijn (‘vaag’ heet dat dus bij Deckwitz) maar juist ‘licht, fijn, leuk, grappig, ontroerend en verfrissend’. Ook zij willen laten zien ‘hoe je gedichten kan lezen’, maar ook wat je ermee kan doen (behalve erover nadenken ook je laten inspireren door zelf een gedicht te gaan schrijven ([3])).

Beide boeken – en hun auteurs die regelmatig workshops op scholen verzorgen – geven de broodnodige vitaliserende injecties. De effectiviteit van het serum dat zij toedienen ligt aan de bestanddelen enthousiasme en pedagogie, want behalve meeslepende kwalificaties willen ze ook iets leren. woorden temmen doet dat laatste het meest systematisch. Net als Olijven begint elke sectie met een gedicht. Daar wordt kort persoonlijk commentaar op gegeven waarna op de volgende bladzij(den) de lezer wordt geactiveerd met kopjes als ‘doe’ (draag het gedicht voor, bijvoorbeeld), ‘denk’ (heb je zelf wel eens zo’n moment meegemaakt als het gedicht beschrijft?), ‘lees’ (hier worden simpele analytische opdrachten gegeven over de tekst) en ‘weet’ (waar een soort Literair mechaniek light volgt en technische verschijnselen als enjambement en zelfs iconiciteit worden uitgelegd). Maar ook Olijven brengt tussen neus en lippen enkele geijkte leesconventies aan en legt vaak heel effectief uit hoe een poëtische kunstgreep functioneert: ‘Enjambementen zijn een soort cliffhangers. Ze dwingen je om de zinnen te lezen en herlezen. Ze onthullen daardoor extra lagen, dwingen extra betekenissen af.’ (29)

Zowel deze twee projecten en publicaties als het themanummer van de Spiegel hebben mij verder doen nadenken over welke mogelijkheden er zijn voor de academische literatuurbeschouwer. Qua onderzoeksterrein ligt de genoemde verbreding open. Qua specifieke tekstbeschouwing zou het wat mij betreft aantrekkelijk zijn als die meer zou opschuiven naar de zuivere literaire kritiek inclusief poëticale bias en persoonlijk oordeel, maar exclusief jargon en wetenschappelijke pretenties. In een academische omgeving, ook en vooral op colleges, blijft een reflectie op die normativiteit natuurlijk wel wenselijk.

Gillis Dorleijn

Ellen Deckwitz, Olijven moet je leren lezen. Een cursus genieten van poëzie. 5e druk. Amsterdam/Antwerpen: Atlas Contact, 2017 [2016]. 160 pp. ISBN: 9789045031347. € 17,99.

Jeroen Dera & Carl De Strycker (red.), Bundels van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw. Nijmegen: Vantilt / Gent: Poëziecentrum, 2018. 302 pp. ISBN: 9789460043642. € 19,95.

Kila&Babsie [= Kila van der Starre & Babette Zijlstra], woorden temmen. [Poëzie ontdekken[,] zelf gedichten schrijven met Kila&Babsie op elk moment waar dan ook]. Z.pl.: grange fontaine, [2018]. 144 pp. ISBN: 9789082139525. € 19,95.

Spiegel der Letteren 59 (2017), nr. 2-3, p. 159-426. [Themanummer] Buiten het boek. Redactie Samuel Mareel & Kila van der Starre.

Bridging the policy-practice gap

Tussen 2010 en 2016 bestudeerde Steven Delarue de percepties rond taalgebruik, taalideologie en taalbeleid van Vlaamse leerkrachten in zowel basisonderwijs als secundair onderwijs.

Het doel van zijn proefschrift was drieledig. In de eerste plaats bestudeerde Delarue perspectieven met betrekking tot standaardtaalgebruik en taalvariatie in taalbeleidsdocumenten opgesteld door de Vlaamse overheid (beleidsdocumenten van de recentste ministers van onderwijs en eindtermen). In de tweede plaats onderzocht hij hoe leerkrachten omgaan met het taalbeleidskader dat door dit macroniveau wordt opgelegd. In dit onderdeel ging hij na in welke mate deze beleidsdocumenten leerkrachten bereiken en hoe zij de inhoud ervan percipiëren. Tot slot bestudeerde Delarue hoe Vlaamse leerkrachten de beleidsvoorschriften vertalen naar de praktijk en in hun discours de spanning beleven tussen geobserveerd taalgebruik in praktijk versus de beleidsvoorschriften.

Om deze vragen, etc. te beantwoorden werden 82 Vlaamse leerkrachten, verspreid over grote en kleinere katholieke scholen over alle provincies van Vlaanderen, geobserveerd tijdens hun lessen en vervolgens geïnterviewd.

Het eerste deel van het proefschrift focust op de beleidsdocumenten en de wijze waarop het daarin voorgeschreven beleid vorm krijgt op het mesoniveau van de school en het microniveau van de leerkrachtpraktijk. Uit de analyse van de documenten op macroniveau blijkt een sterke focus op Nederlands, en daarbinnen nog eens op Standaardnederlands, doorgaans vanuit een emancipatorische gedachte in het kader van onderwijskansen creëren. Aandacht voor de realiteit van inter- en intralinguale variatie wordt ook gevonden, maar eerder in documenten zoals bijvoorbeeld de eindtermen, of documenten die uitgaan van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren (Taalunie).

Uit het tweede deel blijkt dat Vlaamse leerkrachten slechts zeer beperkt op de hoogte zijn van het taalbeleid dat door de overheid wordt voorgeschreven. Ondanks de onbekendheid met richtlijnen van bovenaf, onderschrijven leerkrachten wel het belang van Standaardnederlands in de schoolse context. Op vlak van ‘belang’ zijn overheid en leerkrachten het dus eens. Leerkrachten zijn daarentegen doorgaans wel op de hoogte van de vertaling van het taalbeleid van de overheid naar de context van de eigen school in een schooleigen taalbeleid – als de school ten minste een taalbeleid heeft. Dit schooleigen taalbeleid wordt door de leerkrachten dan ook gewaardeerd en ondersteund. Bovendien wijst de vergelijking van standaardtaalkenmerken versus tussentaalkenmerken uit dat de in de corpora opgenomen leerkrachten uit Ieper, Gent en Antwerpen statistisch significant minder tussentaalkenmerken in hun taalgebruik incorporeren dan niet-leerkrachten.

In het slotdeel onderzoekt Delarue hoe leerkrachten bruggen slaan tussen de nadruk op Standaardnederlands in het taalbeleid uitgetekend door de overheid en de school, en hun eigen taalgebruik dat gekenmerkt wordt door variatie. Afwegingen die te maken hebben met de leerkracht-leerling-relatie, met een hiërarchie in de veelheid van leerkrachttaken, met passende taalvariëteiten, de veranderingen in taalgebruik in de maatschappij, en met een bredere invulling van wat onder Standaardnederlands in de klas kan worden verstaan maken dat leerkrachten (hun) taalvariatie kunnen verantwoorden. Hierbij geven leerkrachten en leerlingen aan dat Standaardnederlands de vlotte omgang kan beperken, dat de lesinhoud moet primeren op de taalvariant waarin deze gegeven wordt, en dat het als leerkracht goed is je taalgebruik gericht aan te passen zolang geen dialect wordt gebruikt.

Sterk aan het proefschrift is de korte, duidelijke state-of-the-art ter inleiding van de zes onderzoekspapers. Delarue staat stil bij terminologie en duidt op heldere wijze de verschillende attitudes van Europese naties en van Vlaanderen ten opzichte van standaardtaal en taal binnen onderwijs. Verder confronteert de auteur met dit werk voor het eerst de uitgesproken (standaard) taalideologie.n in het Vlaamse onderwijs met de praktijken en percepties van Vlaamse leerkrachten. Niet alleen vult Delarue daarmee een belangrijke leemte in dat onderdeel van de sociolinguïstiek dat focust op onderwijs: hij laat namelijk de leerkrachten zelf aan het woord over hun taalgebruik. Bovendien toont Delarue zich hierin een goed verteller die een complex verhaal op een heldere manier brengt en beargumenteert.

Hoewel het samenbrengen van verschillende studies in een proefschrift het voor de lezer niet steeds gemakkelijk maakt om de opbouw te volgen, probeert Delarue verdienstelijk de opbouw te verduidelijken met voorafgaande achtergrondparagrafen. De sterke link van Delarues onderzoek met de onderwijspraktijk maakt wel dat een reflectie over onderliggende sociolinguistische processen met betrekking tot taal en macht op de achtergrond blijven.

Samenvattend kan men stellen dat de grote verdienste van het proefschrift is dat Delarue de lezer voor het eerst meeneemt naar de onderwijsrealiteit en laat zien dat het verhaal van taalgebruik en taalpercepties daar veel gevarieerder en genuanceerder is dan krantenkoppen veelal laten vermoeden.

 

Goedele Vandommele

 

Steven Delarue, Bridging the policy-practice gap: How Flemish teachers’ standard language perceptions navigate between monovarietal policy and multivarietal practice. Proefschrift UGent, 2016. xviii + 319 pp.

Basisboek syntaxis

Het Basisboek syntaxis is een handleiding voor het ontleden van zinnen. Het richt zich tot mensen die al een basiskennis van zinsontleding hebben zoals studenten in het hoger onderwijs of leerlingen uit de hoogste klassen van het havo en vwo (en het aso in Vlaanderen). De benadering van het ontleden is ‘vooral gericht op inzicht’ (p. 5) en dus zeker niet op het memoriseren van definities en voorbeeldontledingen. Dat is een prima doelstelling, die echter ook hoge verwachtingen schept. Ze veronderstelt immers dat de auteur een consistent begrippenapparaat voorstelt en ook een navolgbare manier van redeneren zodat de leerder zelfstandig tot een goede of tenminste verdedigbare analyse kan komen van nieuwe tekstvoorbeelden.

Bij die doelstelling kan ik me helemaal aansluiten. Ik heb zelf jarenlang Nederlandse taalkunde (syntaxis en morfologie) gegeven in het eerste jaar van de opleiding Taal- en Letterkunde aan de KU Leuven, waarbij die doelstelling ook mijn richtsnoer was: ‘leren redeneren met je kennis van je moedertaal’.

Tot mijn grote voldoening mag ik vaststellen dat de auteur vrij goed in zijn opzet geslaagd is, zeker in de behandeling van de enkelvoudige zin, die het grootste deel van het boek uitmaakt. De samengestelde zin en de woordsoorten zijn minder uitgebreid behandeld (p. 127-177). Daarnaast bevat het boek ook een uitgewerkte didactische aanpak van het ontleden (hoofdstuk 14) en een korte, maar interessante historische uitleg (hoofdstuk 15).

Interessant zijn ook de vergelijkingen met andere talen die her en der zijn opgenomen. Voor de leerder kunnen die zeker tot meer inzicht leiden in de zinsstructuur van het Nederlands.

In wat volgt geef ik enkele kritische bemerkingen die nuttig kunnen zijn bij een volgende editie van het boek.

De klassieke voorwerpen bij het gezegde zoals het lijdend voorwerp, het meewerkend voorwerp en het voorzetselvoorwerp worden benoemd als ‘verplichte zinsdelen’ (p. 23-25). Wat ‘verplicht’ hier betekent, is misschien nog voor verschillende interpretaties vatbaar. Maar alleszins geeft het aan de lezer de indruk dat die zinsdelen in een zin met dat gezegde verplicht aanwezig zijn. Die indruk (of die bewering van de auteur) is onjuist en verschaft bijgevolg de lezer geen inzicht, maar net het tegendeel. Er zijn inderdaad werkwoorden waarbij bijvoorbeeld het lijdend voorwerp verplicht uitgedrukt wordt, maar ook vele andere waarbij dat niet het geval is. Bij die laatste werkwoorden hangt het al of niet voorkomen van het lijdend voorwerp samen met de plaatsing van de zin in de context van een gesprek of van een tekst. Een voorbeeld ter verduidelijking. De werkwoorden ‘eten’ en ‘opeten’ vergen alle twee een lijdend voorwerp naast een onderwerp: iemand eet iets (op). Bij ‘opeten’ moet dat lijdend voorwerp in de zin aanwezig zijn, anders heb je geen welgevormde zin. Bij ‘eten’ hoeft dat niet. Je kunt terecht zeggen dat ‘eten’ altijd een lijdend voorwerp veronderstelt, maar doordat een zin deel uitmaakt van een conversatie of een tekst hoeft dat in de zin zelf niet altijd uitgedrukt te worden. Bij ‘opeten’ is dat echter wel nodig. Neem je onze boterhammen mee. We gaan eten in het park. *We gaan opeten in het park. We gaan ze opeten in het park.

Dat brengt me tot twee algemene bemerkingen:

  1. De auteur bespreekt de constructie van een zin als een op zichzelf staande entiteit, terwijl een zin altijd deel uitmaakt van een tekst of een gesprek.
  2. Grammaticale categorieën zoals de verschillende zinsdelen en woordsoorten worden te veel gezien als strikt onderscheiden categorieën terwijl ze veeleer graduele overgangen vertonen.

Ik illustreer die twee bemerkingen nog met enkele voorbeelden uit het boek.

‘De lijdende vorm of passief is een heel rare constructie […]’ (p. 86) en wat verder ‘Het werkwoord dat je toevoegt om een lijdende vorm te maken […] is een raar hulpwerkwoord […]’ (p. 89). Wat is hier raar? De passieve zin of de formulering van de auteur? Ik denk het laatste. In een tekst vinden we geregeld passieve constructies zonder dat we die raar vinden. In een uitleg over passieve constructies in een context zou je kunnen laten zien wanneer een passieve constructie nuttig of zelfs aangewezen is, alsook wanneer die de leesbaarheid bemoeilijkt.

De behandeling van hulpwerkwoorden is voor een handboek als dit Basisboek ongetwijfeld een heel moeilijke opgave. Het verschil tussen hulpwerkwoorden en hoofdwerkwoorden is zonder meer ingewikkeld. Het begrip ‘hulpwerkwoord’ wordt geïntroduceerd als een ‘toegevoegd werkwoord’ (p. 81). Toegevoegd bij wat? Bij een ander werkwoord dat verderop in het boek een hoofdwerkwoord (bijv. p. 94) wordt genoemd (de term ‘hoofdwerkwoord’ komt niet eens voor in de index). Maar nergens wordt het onderscheid tussen hoofdwerkwoord en hulpwerkwoord op een consistente en begrijpelijke manier uitgelegd. Dat zou kunnen door gebruik te maken van het criterium of het werkwoord al of niet een of meer zinsdelen vereist (zie p. 23) en door er bovendien op te wijzen dat het onderscheid tussen beide van graduele aard is. Die graduele visie zal zeker leiden tot discussiegevallen, maar dat is juist een goede zaak als je inzicht wil bijbrengen.

De behandeling van het hulpwerkwoord vergt een grondige herwerking. Nu bevat ze heel wat inconsistenties en fouten. Enkele voorbeelden. Op p. 94 wordt gezegd dat ‘om + te + infinitief’ een beknopte bijzin vormt en bijgevolg een zinsdeel is (p. 134). Als ‘om’ er niet staat, ‘dan kan de te-infinitief ook het hoofdwerkwoord van de zin zijn waarin de persoonsvorm het hulpwerkwoord is.’ (p. 94) Wanneer ‘kan’ van toepassing is, is echter niet duidelijk: zie de voorbeelden op p. 85 (met ‘probeert’ als hulpwerkwoord) en op p. 134. Op p. 81 lezen we: ‘[…] een werkwoord dat de doen-betekenis verandert noemen we een modaal hulpwerkwoord’. Deze definitie brengt geen inzicht bij. Ik zie ook niet in hoe je ‘modaliteit’ kan uitleggen zonder een onderscheid te maken tussen epistemische, deontische en eventueel dynamische modaliteit. Overigens kunnen ook naamwoordelijke gezegdes een epistemisch modaal hulpwerkwoord bevatten.

Ik heb nog opmerkingen bij verschillende andere onderdelen, maar wil deze recensie eindigen met een bedenking bij een aspect van de presentatie. In het boek wordt als beeld voor de zinsvorming een bus (= het hoofdwerkwoord) met een aantal stoelen (bezet door de zinsdelen) gebruikt. Er is niets mis met die vergelijking, maar ze wordt heel het boek aangehouden met een 25-tal tekeningen met commentaren als: ‘het hulpwerkwoord is een bordje […] opgehangen in de hoofdwerkwoordbus […]’ (p. 147); ‘het bijvoeglijk naamwoord is een button’. Als het als gezegde wordt gebruikt, ‘wordt het op een busonderstel gezet […]’ (p. 150-151). Ik begrijp niet hoe dergelijke uitleg bij de busafbeeldingen enig inzicht kan bijbrengen.

Samenvattend: het Basisboek syntaxis is een veelbelovend boek waarvan voor de volgende editie verschillende onderdelen grondig herwerkt moeten worden.

 

William Van Belle

 

Henk Wolf, Basisboek syntaxis. Groningen: Uitgeverij kleine Uil, 2018. 224 pp. ISBN: 978 94 921 9077 2. € 30,-.

Van Constantijntje tot Tonio.

De bij uitgeverij Verloren verschenen bundel Van Constantijntje tot Tonio gaat volgens de ondertitel over Het dode kind in de Nederlandse literatuur. In de inleiding geven de Leidse onderzoekers Rick Honings en Tim Vergeer, die samen met hun collega Olga van Marion de redactie van het boek voor hun rekening namen, aan de hand van vier eigenschappen een karakteristiek van kinderdoodliteratuur. In dit genre gaat het om teksten waarin, ten eerste, een kind in het perspectief van verteller of focalisator (relatief) jong overlijdt. Ten tweede is in deze teksten ten minste een van de ouders van belang. Daarnaast staat, ten derde, de rouw om het overleden kind centraal en is, ten vierde, de dood van het kind autobiografisch.

Er zijn, zo merken Honings en Vergeer op, echter ook teksten die niet aan deze eigenschappen voldoen, maar toch bediscussieerd worden in een van bijna twintig chronologisch geordende hoofdstukken in de bundel. Als voorbeeld noem ik de door Maaike Meijer behandelde levensliederen ‘Ketelbinkie’ en ‘Mammie waar ben je’, die niet zozeer over rouw gaan, maar de beschrijving van een maatschappelijke situatie waarin sterven voorkomt koppelen aan een concrete – al dan niet moraliserende – boodschap. De inleiders geven aan dat het genre van de kinderdoodliteratuur nu eenmaal ‘heterogeen en fluïde’ is (13), maar dit is een wel erg zwakke verdediging om het gebrek aan overeenstemming tussen de geboden karakteristiek en de eigenschappen van sommige werken uit de afzonderlijke hoofdstukken aan te duiden. Honings en Vergeer verwijzen wel naar een boek over Representations of Childhood Death en naar enkele verwante Nederlandstalige publicaties (waaronder de bekende studie van Sonja Witstein over funeraire poëzie), een sterkere inbedding in de thanatologie (het multidisciplinaire veld dat zich bij uitstek bezighoudt met allerlei aspecten rondom sterven, dood en nabestaan), had mogelijk kunnen bijdragen aan een diepgravender en meer genuanceerde duiding van de complexiteit en veelzijdigheid van het onderwerp kinderdoodliteratuur.

Niettegenstaande de hierboven gemaakte kanttekening is het overgrote deel van de hoofdstukken in Van Constantijntje tot Tonio zonder twijfel interessant te noemen. Dat is mede te danken aan de diversiteit van de bijdragen. De bundel, hoewel overwegend gericht op teksten van canonieke auteurs (onder wie Tollens, Couperus, Van Eeden, Vasalis en Wolkers), heeft een ruime selectie aan werken tot onderwerp, waardoor de lezer een weids perspectief aangereikt krijgt. In de afzonderlijke hoofdstukken wordt vaak ingezoomd op één tekst (Vondels Jeptha, Hagar Peeters’ Malva) of een deel van het oeuvre van één auteur (Bilderdijk, Enquist), soms ook gekozen voor een bredere blik op een periode (middeleeuwen), stroming (naturalisme) of genre (jeugdliteratuur; het levenslied). Die laatste bijdragen maken overigens nieuwsgierig naar de representatie van de kinderdood in nog weer andere genres, zoals streekroman, sciencefiction, of hedendaagse christelijke literatuur.

De verschillende hoofdstukken leren de lezer het nodige over zowel de literaire cultuur als de cultuur van de dood door de eeuwen heen. Meerdere auteurs laten bijvoorbeeld zien hoe oudere teksten zich mengen in theologische discussies die (mede) verband houden met de sterfelijkheid van de mens. Zo betoogt Olga van Marion dat Vondels gedicht ‘Kinder-Lyck’ de calvinistische predestinatieleer bekritiseert, terwijl Ton van der Wouden beargumenteert hoe predikant en schrijver François HaverSchmidt in een van zijn verhalen het vraagstuk van de theodicee aan de orde stelt. Andere auteurs laten zien dat ook in de literatuur van de twintigste en eenentwintigste eeuw het domein van het transcendente blijft fungeren als zingevend kader voor de dood van een kind.

Eveneens een belangrijk thema binnen de bundel is de aan verandering onderhevige relatie tussen de persoonlijke sfeer en de publieke ruimte bij de rouw om een overleden kind. Deze relatie komt in de literatuur van de laatste decennia onder meer tot uitdrukking in werken waarin een spanning tussen autobiografisch en fictioneel schrijven optreedt. De receptie van die werken is al even fascinerend. Sander Bax constateert bijvoorbeeld dat bovengenoemde spanning in A.F.Th. van der Heijdens ‘requiemroman’ Tonio bij de ontvangst in de massamedia goeddeels teniet werd gedaan: ‘in het taalspel van de mediacultuur wordt “het probleem van de fictie” niet opgevoerd, maar ontkend’ (246). Bax’ bijdrage illustreert de wijze waarop een aantal onderzoekers een koppeling weet te leggen tussen de representatie van kinderdood in literatuur en literaire cultuur in het algemeen.

Literaire representaties worden in Van Constantijntje tot Tonio enkele malen in verband gebracht met andere aan kinderdood gerelateerde cultuuruitingen. Rietje van Vliet schrijft kort over de populariteit van geschilderde doodsportretten in de zeventiende en negentiende eeuw; Rick Honings vertelt in zijn bijdrage over Bilderdijk in het voorbijgaan over zogeheten haarwerkjes vervaardigd uit het haar van overledenen; Anne van den Dool verwijst naar enkele speelfilms over de rouw van ouders; en Frans-Willem Korsten noemt een songtekst van Eric Clapton. Dergelijke referenties zijn een indicatie dat de bestudering van literatuur over kinderdood te midden van en in relatie tot andere kunstvormen een wenkend onderzoeksperspectief biedt.

In de epiloog van het boek, waarin enkele lijnen van de bundel in kaart worden gebracht, constateert Korsten dat een van de kernvragen is ‘hoe literatuur of kunst onze gevoelens richt in relatie tot degene met wie we geacht worden mee te leven’ (257). Dat meeleven kan betrekking hebben op verschillende personen of personages: ouders, andere naasten, maar ook kinderen zelf. Zeer opvallend in dit verband is Hagar Peeters’ Malva – onderwerp van de bijdrage van Van den Dool. In deze roman, gebaseerd op de treurige geschiedenis van de dochter van dichter Pablo Neruda, neemt het overleden kind zelf het woord en ontworstelt zich aldus aan ‘het talige gebrek dat haar leven op aarde kenmerkte’ (232). Zo wordt de hemel in Malva, meent Van den Dool, ‘een ruimte waarbinnen geschiedenissen kunnen worden herschreven, en de stemmen van onderdrukten de plaats krijgen die zij verdienen’ (232). Indachtig Korstens woorden over het vóórkomen van ‘het bewust doden van een pasgeboren kind’ en ‘selectieve abortus’ (256), wordt eens te meer inzichtelijk dat in hoeverre iemand als subject telt ook een kwestie is van het beschikken over talige vermogens – in sommige gevallen geeft literatuur taal aan degenen die niet zelf over die vermogens beschikken.

Niet alleen in Van den Dools bespreking van Malva, maar ook in veel van de andere bijdragen aan Van Constantijntje tot Tonio komt het belang van wie spreekt tot uitdrukking. Het spreken over de kinderdood stopt – zo wordt duidelijk – om die reden nooit; het is een verdienste dat de bundel een aantal voorbeelden van dit spreken op overtuigende wijze presenteert en van nadere duiding voorziet.

Wouter Schrover

Rick Honings, Olga van Marion & Tim Vergeer (red.), Van Constantijntje tot Tonio. Het dode kind in de Nederlandse literatuur. Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2018. 269 pp. ISBN: 9789087047238. € 29,–.

Echte leesboeken

In 2014 beklaagde Christiaan Weijts zich in De Groene Amsterdammer over de doorbraak van de ‘boekloze schrijver’: mediafenomenen als Nico Dijkshoorn, Anton Dautzenberg, Akyol Özcan (sic), Bart Chabot en Robert Vuijsje zouden ‘artiesten zonder oeuvre’ zijn, ‘wandelende auteursfoto’s die geen kaften meer nodig hebben om hun ding te doen. Ze acteren het schrijverschap.’ Weijts citeerde instemmend collega-auteur P.F. Thomése, die in zijn Albert Verweylezing van 2011 constateerde dat opvallend veel hedendaagse succesauteurs van origine acteur zijn: ‘theatergeschoolde publiekslievelingen als Japin, Launspach, Nasr of hoe ze ook mogen heten’. Een kwalijk fenomeen, verzuchtte Thom.se: ‘De hele brave middenmoot van onze vaderlandse letterkunde lijkt ermee vergeven.’

Gescheld op de brave middenmoot vanuit het hogere literaire echelon is schering en inslag sinds het lezen in de twintigste eeuw deel ging uitmaken van de vrijetijdscultuur. Het ‘leesboek’ werd een pejoratieve term voor consumptieliteratuur die de lezer niet uitdaagt, zoals ‘echte’ literatuur verondersteld wordt te doen, maar slechts passief vermaak biedt. Auteurs van echte leesboeken zijn geen echte schrijvers, zo kan de opinion chic worden samengevat.

De samenstellers van Echte leesboeken, Erica van Boven, Mathijs Sanders en Pieter Verstraeten, betogen in hun voortreffelijke inleiding dat het begrip ‘leesboeken’ de facto een synoniem is voor ‘middlebrow’. Die term is verbonden aan de opkomst van de middenklasse aan het begin van de twintigste eeuw, het ‘hoedenproletariaat’ dat meer tijd en geld kreeg om een boekenbezit op te bouwen en voor wie lezen bovendien een middel tot sociale en geestelijke verheffing was en als statussymbool gold. In de praktijk werden publieksboeken echter door een veel breder publiek gelezen dan alleen de middenlaag; slechts de intellectuele elite distantieerde zich ervan. Van Boven, Sanders en Verstraeten prefereren dan ook de ruimere term ‘publiekscultuur’ (10).

Echte leesboeken bevat uitgebreide artikelen over twaalf publieksboeken of -reeksen uit de twintigste eeuw. De bundel komt voort uit het NWO-project ‘Dutch Middlebrow Literature 1930-1940’, en met zes van de twaalf bijdragen ligt het zwaartepunt dan ook in het interbellum: de mierzoete ‘Avondliedekens’ uit de dichtbundel Op zachte Vooizekens (1921) van Alice Nahon (door Bram Lambrecht), de Joop ter Heul-meisjesboeken (1919-1925) van Cissy van Marxveldt (Monica Soeting), de ook internationaal succesvolle emancipatieroman De opstandigen (1925) van Jo van Ammers-Küller (Alex Rutten), de Merijntje Gijzen-cyclus (1925-1938) van A.M. de Jong (Erica van Boven), het vuistdikke epos De klop op de deur (1930) van Ina Boudier-Bakker (G. Vaartjes) en de klassieke streekroman Dorp aan de rivier (1934) van Antoon Coolen (Tom Sintobin, wiens bijdrage trouwens voor een belangrijk deel over de hernieuwde aandacht voor Dorp aan de rivier sinds 2006 gaat, in de vorm van bewerkingen en ensceneringen door regionale theatergezelschappen).

De overige zes bijdragen behandelen naoorlogse publiekssuccessen: de in Kraaltjes rijgen (1958) verzamelde cursiefjes van S. Carmiggelt (Koen Rymenants), de Rechter Tie mysteries (1964) van Robert van Gulik (Mathijs Sanders), romans (1944-1965) van de veelschrijver Aster Berkhof (Pieter Verstraeten), Hugo Claus’ pulpfictie Het jaar van de kreeft (1972) (Linde De Potter), de sociale roman Jan Rap en z’n maat (1977) van Yvonne Keuls (Ryanne Keltjens) en het Boekenweekgeschenk De ortolaan (1984) van Maarten ’t Hart (Esther Op de Beek).

De vraag is wat deze werken precies tussen de highbrow en de lowbrow heeft doen belanden. Waarom ontbreken ze veelal in literatuurgeschiedenissen maar rekenen we ze toch ook niet tot de lagere regionen der triviaalliteratuur? Een interessante observatie in de inleiding is dat voor publieksboeken als de hier besproken werken weliswaar vaak de term ‘genrefictie’ wordt gereserveerd, maar dat de auteurs hun succes juist te danken hebben aan het eigenzinnig combineren van typische genrekenmerken met ontleningen aan andere genres (hogere én lagere) en een persoonlijke toets. ‘Prestigieuze literaire modellen worden aangepast voor een breder publiek’ en omgekeerd putten literaire auteurs uit het arsenaal van populaire cultuur, zoals ontspanningslectuur en film, waarbij die elementen ‘een literaire upgrade’ krijgen (16). Carmiggelt bouwde bijvoorbeeld voort op een traditie van stukjesschrijvers, maar hij vernieuwde het genre ook. De Jong combineerde elementen van de Bildungsroman en Brabantse plattelandsthematiek met sociale kritiek en ridiculisering van de katholieke clerus. Claus verrijkte het eendimensionale liefdesverhaal met diepere, symbolische en mythologische lagen. Hierbij zal overigens ook de verwachtingshorizon een beslissende rol hebben gespeeld: Claus gold in 1972 als een bij uitstek literaire auteur, wat de receptie van Het jaar van de kreeft ongetwijfeld heeft gekleurd, vergelijkbaar met Mulisch’ Twee vrouwen in 1975.

Men kan nog twee aanvullende factoren onderscheiden om te kunnen spreken van een publieksboek. Een eerste kenmerk valt te destilleren uit enkele terugkerende typeringen door de bundel heen: de besproken titels bevatten ‘voor elk wat wils’, spreken ‘een gemêleerd lezerspubliek’ aan en zijn ‘op meerdere manieren’ of op ‘verschillende niveaus’ te lezen. Zo combineerde Carmiggelt ‘highbrow-verwijzingen’ met ‘het lichtere genre’, waarbij het niet erg was als de lezer de referenties soms miste (189); Van Gulik bood ‘vermaak voor een groot publiek, dat tegelijkertijd werd onderwezen’ (219); Berkhof schreef in de jaren zestig ‘existentiële reflecties’ maar Dagboek van een missionaris was ook een ‘vakantieboek’ (236); Claus bood zijn publiek een ‘vlot liefdesverhaal’ maar tegelijk een ‘tegendraadse kijk op “de Grote Liefde”’ (262). Publieksboeken weten kennelijk dus niet alleen een groot publiek maar vooral een divers publiek voor zich te winnen.

Een tweede factor is dat er geregeld ook een buitenliterair aspect een grote rol speelt in het publiekssucces. Er is dan sprake van een publieksevenement met het boek als nucleus: Nahon had haar ‘spraakmakende levensverhaal’ (28), bij Van Marxveldt was er de hausse van fan fiction, Boudier-Bakkers boek werd gelanceerd met een ongekende pr-campagne, Claus ging een curieuze alliantie aan met de roddelrubriek van De Telegraaf, Carmiggelt werd een BN’er door zijn tv-optredens en het immens populaire cabaret van Wim Sonneveld bewerkte zijn teksten voor het toneel, Keuls’ roman viel midden in een verhit publiek debat over de psychiatrie, ’t Hart liftte mee op de machinerie van het CPNB, en toenemende belangstelling voor lokaal erfgoed en identiteitsthema’s (Sintobin munt hiervoor de term ‘neoregionalisme’) gaven de bewerkers van Coolens meesterwerk wind in de zeilen.

Er is in deze bundel voor de periode 1920-1980 gekozen omdat in deze decennia de kenmerken van de publiekscultuur volgens de samenstellers ‘het duidelijkste zichtbaar waren’. Na 1920 deden zich de ‘demografische, sociale en technische veranderingen’ voor die tot de ‘literaire democratisering’ van de boekenmarkt leidden, terwijl na 1980 de literatuur opging in de populaire cultuur (8-9). Menno ter Braak voorspelde dat alles op den duur middlebrow zou worden en de samenstellers van Echte leesboeken geven hem gelijk: ‘de hele literatuur is publieksliteratuur geworden en de literaire cultuur bestaat uit één omvangrijk middenveld’ (23).

Enkele van de aangestipte tendensen zijn niettemin tot op de dag van vandaag actueel, zoals de ‘strijd’ tussen ‘hoog’ en ‘laag’. In de inleiding wordt de polemiek tussen Connie Palmen en Saskia Noort uit 2009 aangehaald, maar deze wordt niet in termen van die aloude tegenstelling beschreven: ‘Zij werd hier als het ware heropgevoerd, maar oogde voor de camera als een nummer uit een voltooid verleden’ (23). Dat is echter een kwestie van perspectief, en de crux zit hier in de woorden ‘voor de camera’: inderdaad is een dergelijke discussie op prime time televisie, en bovendien in een programma waarin middelmaat de norm is, voor de gemiddelde kijker een ver-van-mijn-bed-show. In de literair-kritische en -wetenschappelijke domeinen lijkt het distinctieaspect van literatuur als ‘hoge’ kunstvorm, de aloude strijd om symbolisch kapitaal, evenwel onverminderd een prominente rol te blijven spelen, zoals de hierboven aangehaalde boutades van Weijts en Thomése al laten zien, en zie bijvoorbeeld ook de ophef over de toekenning van de Nobelprijs aan Bob Dylan, de commotie over de gedichten van Tim Hofman, en het jaarlijkse circus rond de NS Publieksprijs, waar het zij-aan-zij genomineerd zijn van lowbrow bestsellers en literaire succesnummers ongemakkelijk blijft aanvoelen. De tijd zal leren of dit de naweeën van een verdwenen cultuur zijn of dat ook op dat omvangrijke middenveld de eigenzinnige stilisten zich zullen blijven afzetten tegen de publiekslievelingen.

 

Marc van Zoggel

 

Erica van Boven, Mathijs Sanders & Pieter Verstraeten (red.), Echte leesboeken. Publieksliteratuur in de twintigste eeuw. Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2017. 332 pp. ISBN: 9789087046767. € 25,–.

Language, Literature and the Construction of a Dutch National Identity en Joost Halbertsma 1789-1869

De eerste decennia van de negentiende eeuw hebben een beslissende invloed uitgeoefend op de ontwikkeling van de neerlandistiek. Zo verscheen in 1804 voor het eerst een wettelijke vastlegging van de spelling, kreeg het verlangen naar een gezaghebbend historisch woordenboek van het Nederlands nieuwe impulsen en verschenen er zowel grammatica’s als studieboeken retorica. Een belangrijke maatregel betrof de installatie van vakgroepen Nederlands aan de verschillende universiteiten. Terwijl alle andere vakken nog het Latijn als voertaal gebruikten, dienden de hoogleraren Nederlands de Nederlandse taal te gebruiken. In de bundel van Honings e.a. wordt die ontwikkeling geschetst door een twaalftal prominente taal- en letterkundigen van de eerste generatie te presenteren. Aan elk van hen is een hoofdstuk gewijd. Het levert een aantal portretten op van bevlogen mannen die de aandacht voor de eigen taal en cultuur beschouwden als een uiterst belangrijke factor in de totstandkoming en opbouw van een bovenregionale, nationale taal.

Als complicerende factor hierbij geldt dat tijdens de samenvoeging van de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden in de periode 1815- 1830 weliswaar van regeringswege het Nederlands ook in het latere België een voorkeursbehandeling kreeg, maar dat deze taal slechts van een gedeelte van de inwoners de moedertaal was. Daar komt nog bij dat het Zuiden een volstrekt andere geschiedenis kende. De geschiedkundige kaart met de datering 1830 die de voorkaft siert, zet lezers dan ook gemakkelijk op het verkeerde been. De ‘Pays-Bas’/‘Nederlanden’ vormen daarop één geheel, een situatie die slechts vijftien jaar realiteit was.

Er worden drie promotors van het Nederlands gepresenteerd die zich vanuit de Zuidelijke Nederlanden voor deze zaak inzetten. In de bespreking van Johannes Kinker stelt Marijke van der Wal zich expliciet de vraag: ‘Why should we consider him one of the agents in the field of Dutch studies who deserves a chapter in the present study?’ (97). Zijn missie, de verdediging van de nationale eer vanuit de triade soeverein, vaderland en de Nederlandse taal, mislukt echter. In 1830 moet deze uit het Noorden komende Luikse hoogleraar het veld ruimen. Ook Ulrich Lauts wordt (volgens Wim Vandenbussche) bij zijn benoeming in Brussel gedreven door het overkoepelende culturele nationalisme (121). Hij streeft naar ‘redutchification’, wat leidt tot grote problemen met de Franssprekende onderwijsinstellingen. Hij beëindigt zijn loopbaan in de Zuidelijke Nederlanden eveneens na de Belgische opstand. De enige Zuiderling van geboorte die een hoofdstuk in de bundel krijgt toebedeeld is Jan Frans Willems. Zijn moedertaal is het Nederlands of wel ‘la langue Flamande’. Voor hem was de taalpolitiek van koning Willem I reddend, aldus Janneke Weijermars. Hij zet zich in om juist zuidelijke dichters in te brengen in de literaire canon.

De concentratie van de bundel op Nederland blijkt uit de biografie.n van (Noord-)Nederlandse taal- en letterkundigen, van wie een aantal het ambt van hoogleraar Nederlands bekleedde. Zo Matthijs Siegenbeek (gepresenteerd door Gijsbert Rutten), die al tijdens de Bataafse revolutie in 1797 werd benoemd en zijn leerstoel ook beschouwde in functie van centralisering van de staat (40). Hij moet in Leiden zeker in contact zijn geweest met de hoogleraar Adriaan Kluit, door Lo van Driel en Nicoline van der Sijs getypeerd als eerste mediëvist. In 1815 wordt Barthold Lulofs in Groningen benoemd. Francien Petiet ziet in hem minder een wetenschapper dan wel een taalliefhebber in zijn streven ‘to transmit knowledge about Dutch language, literature and rhetoric’ (69). De in Utrecht benoemde hoogleraar Adam Simons heeft zich volgens Rick Honings nauwelijks taalwetenschappelijk beziggehouden.

Ook buiten de universiteit was de belangstelling voor de Nederlandse taal als natievormend element groot. Hierbij was duidelijk een rol weggelegd voor mannen wier idealen in genootschappen waren ontwikkeld. Dat geldt voor Pieter Weiland, behandeld door Jan Noordegraaf, als grammaticus, en voor Johannes van der Palm, vooral in zijn functie als minister van onderwijs. Ellen Krol presenteert die laatste in relatie tot zijn wetenschappelijke belangstelling en de politieke actualiteit. Interesse voor het Nederlands bestond er ook bij de archivaris van het nationaal archief, Hendrik van Wijn, die door biograaf Ton van Kalmthout vooral getekend wordt vanuit zijn enorme netwerk.

Een groeiende belangstelling voor de literaire canon vanuit die genootschapscultuur laat Peter Altena zien aan de hand van ene Jacob van Dijk, wiens literair-historisch dichtwerk het niet tot een uitgave bracht. De reeks promotors van het Nederlands wordt door Lotte Jensen afgesloten met Jeronimo de Vries, die zijn indrukwekkende werk als historisch letterkundige op bewonderenswaardige wijze altijd gecombineerd heeft met zijn baan als gemeenteambtenaar.

De bundel is geschreven in het Engels, mogelijk om de Europese insteek te benadrukken, zoals die in de reeks Languages and Cultures in History, waarin het boek verscheen, beoogd zal zijn. Het Engels zal als voertaal zijn gekozen om de kennis van de ontwikkeling en het gezag van nationale talen in Europa in de negentiende eeuw te kunnen bezien in bovennationaal verband. De vraag is in hoeverre deze keuze noodzakelijk, of tenminste gerechtvaardigd is. Er zijn evidente bezwaren. Het blijkt dat niet alle auteurs zich even soepel in het Engels weten uit te drukken. Bovendien is gebruikmaken van het Engels niet voldoende om een Europees lezerspubliek goed te informeren. Er wordt nogal eens uitgegaan van voorkennis die vast niet met taalhistorici in ons gehele continent wordt gedeeld. Zo zal de formulering ‘the invention of printing by Laurens Janszoon Coster, from … Holland’ (134) onwetende lezers niet op de gedachte brengen dat de puntjes bedoeld zijn om de historische juistheid van dat feit ironiserend te betwijfelen, zeker niet omdat ook later in de bundel zonder enige restrictie gesproken wordt over Coster in relatie tot ‘the discovery of the art of printing in Haarlem’ (170, 180). En bij een schijnbaar kleine vergissing waarbij de zestiende-eeuwse stadhouder en leider van de Opstand wordt aangeduid als ‘King Willem of Orange’ (132) zullen veel lezers het spoor bijster raken. Ze lezen immers over een periode waarin een werkelijke ‘King Willem’ – de negentiende-eeuwse Oranjevorst – het koninkrijk bestuurde.

Ook in vertalingen kunnen schijnbare kleinigheden een wereld van verschil maken. Zo prijst Lauts zijn colleges (‘Voorlezingen’) in 1829 volgens zijn biograaf aan vanwege ‘the emancipatory and positivist nature of the educational project’ (131). Ze zijn ‘bestemd om de meer beschaafde standen der maatschappij met wetenschap en letterkennis te voeden, geschikt voor een ieder […]’. In de Engelse vertaling wordt dit: ‘destined to feed the more civilised ranks of society with science and knowledge of literature, suited for both genders, open for everyone, […]’ (cursivering as). Als er echter iets duidelijk wordt in de bundel is het wel dat het vakgebied exclusief wordt beheerd door mannen; ‘een ieder’ heeft hier de betekenis ‘every male’, zonder ook maar enig besef dat ook vrouwen tot de taalgemeenschap behoren.

De keuze voor bespreking van juist dit twaalftal blijkt enigszins willekeurig. Gert-Jan Johannes spreekt in het ‘Afterword’ van ‘a number of Dutchmen’, wat alleen voor Jan Frans Willems niet opgaat. Als criterium voor opname heeft gegolden dat huidige cultuurhistorici ‘would find it hard to avoid a great many of the individuals discussed in this book’ (297). De vraag blijft dan of hetzelfde ook niet opgaat voor de mannen wier afbeelding wel in de katern met portretten is opgenomen, maar aan wier leven en werk geen aparte bijdrage is gewijd. Ook miste ik node de hoogleraren neerlandistiek in Gent en Leuven in de jaren 1815-1830, om nog maar te zwijgen van Willem Bilderdijk.

Een boeiende figuur in het veld van invloedrijke negentiende-eeuwse taalkundigen en cultuurwetenschappers is ook de doopsgezinde dominee Joost Halbertsma. Hij wordt in Honings e.a. niet besproken, maar is wel tegenwoordig in het aan hem toegeschreven motto waarmee de bundel opent. Dit jaar verscheen er een biografie over deze ‘uitmiddelpuntige man’ van Alpita de Jong. De schetsmatige presentatie van een groot aantal taal- en letterkundigen in de Engelstalige bundel staat lijnrecht tegenover de 650 bladzijden tellende biografie over die ene persoon, wiens kennis en belangstelling voor taal binnen neerlandistische kaders grote invloed heeft uitgeoefend, maar die nooit een benoeming als taalwetenschapper heeft gekregen. Het is interessant de uitgaves met elkaar te vergelijken.

Het leven van Halbertsma wordt door De Jong ingedeeld in zes periodes, waarvan de eerste twee overlappen met de periode die in de bundel centraal staat. Elke periode beschrijft zij vanuit zijn persoonlijk leven waarbij steeds duidelijk blijkt hoezeer contacten met vakgenoten van diverse pluimage een geïntegreerd deel van zijn bestaan vormden. Matthijs Siegenbeek en Jeronimo de Vries – aan wie ook hoofdstukken in de Engelstalige bundel zijn toegekend – zijn voor Halbertsma belangrijke schakels, maar de biografie legt ook verbanden met vele andere taalliefhebbers die in diezelfde periode van zich lieten spreken.

Joost Halbertsma bewoog zich als betrekkelijke buitenstaander – als ‘een uitmiddelpuntig man’ – tussen al die anderen, maar vormt juist daardoor een interessante nuancering op de visie als zou in de Nederlandse taal het fundament liggen van nationale identiteit. Dit blijkt al uit het feit dat hij zich sterk heeft gemaakt voor de emancipatie van het Fries en de Friese cultuur, niet om die als uniek te beschouwen, maar om die op te nemen binnen het kader van Europese talen. Naast het Nederlands publiceerde hij ook regelmatig in het Fries. Alleen al zijn contacten met de gebroeders Grimm zijn kenmerkend voor zijn onbegrensde, internationale belangstelling. Een toevallige notitie bevestigt zijn brede visie op taal en taalgebruik. Zo maakte hij Thorbecke eens een compliment om diens zuiver klassieke Latijn (540). Ook ten aanzien van de politiek van Koning Willem I nam Halbertsma een eigenzinnige positie in. Hij critiseert de tweederangs behandeling van de Zuidnederlanders en spreekt zich, ongeacht een eventueel gedeelde gemeenschappelijke taal, uit voor de afscheiding van België.

De vuistdikke biografie is niet alleen voorbeeldig in de prettig leesbare tekst; de nawoorden (536-631) leggen minutieus verslag van allerlei achtergrondinformatie die in de lopende tekst zou storen, maar geïnteresseerden toch veel kennis en leesplezier verschaffen. Dat geldt voor spellingzaken (zowel wat het Nederlands als het Fries betreft), onderwijs, boeken, (bevriende) personen, genootschappen, dagboekaantekeningen, brieven, maar ook voor talloze bibliografische verwijzingen.

De uitspraak waarmee de bundel van Honings e.a. opent, luidt: ‘De taal is de ziel der natie, zij is de natie zelve.’ Volgens de redacteuren van de bundel getuigt dit veel aangehaalde en aan Joost Halbertsma toegeschreven citaat van ‘the ethnolinguistic essentialism of the age’ (9). Uit de diepgaande bestudering van deze taalgeleerde door De Jong in haar biografie blijkt echter juist Halbertsma in zijn publicaties en contacten een veel bredere visie op taal te tonen. Niet begrenzing binnen één specifieke taal staat hem voor ogen – dan zou het Fries immers een bedreiging hebben gevormd voor de Nederlandse natie ‘zelve’ – maar taal als zodanig ziet hij als het meest wezenlijke element (de ziel) van wat mensen verbindt.

Een eveneens verwarring gevende interpretatie rond identiteit kan ontstaan doordat in de Engelstalige bundel de taalliefhebbers steeds in verband worden gebracht met de nationale en dan specifiek de Nederlandse identiteit. Juist in de periode 1780-1830 worden evenwel in de Lage Landen voortdurend andere staatkundige constellaties van kracht. Dat maakt het uitermate moeilijk, zo niet onmogelijk, om over de natie als identiteitsvormend element te spreken. Alleen al de naamgevingen zorgen voor verwarring. Zo betreft de aanduiding ‘a shared United Kingdom’ (114) de tijdelijke vereniging van het latere België en Nederland, maar verwijst ‘the past of the United Netherlands’ (205) naar de Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden, waarvan de Zuidelijke ofwel Oostenrijkse Nederlanden geen deel uitmaakten. De titel van de bundel deelt in deze verwarring, want hoe kan men spreken van ‘a Dutch National Identity’, terwijl ook taalkundigen in het latere Belgi. aan de ontwikkeling deelnamen? Wat wel overduidelijk is, is dat de zoektocht naar een nationale (Nederlandse) identiteit op grond van taal beperkt blijft tot ‘a small layer of socio-economically privileged people’ (10). De toevoeging ‘mostly men’ (15) mag een eufemisme heten: er komen in de bundel geen vrouwelijke taalliefhebbers uit de besproken periode voor.

 

A. Agnes Sneller

 

Rick Honings, Gijsbert Rutten & Ton van Kalmthout (eds.), Language, Literature and the Construction of a Dutch National Identity (1780-1830). Amsterdam: Amsterdam University Press, 2018. 315 pp. ISBN: 978 90 8964 827 3. € 90,–.

Alpita de Jong, Joost Halbertsma 1789-1869. Triomfen en tragedies van een uitmiddelpuntig man. Een biografie. Grou: Uitgeverij Louise, 2018. 655 pp. ISBN: 978 94 91536 50 2. € 55,–.

Het ‘nouveau journal’

Bijna vijftig jaar na de contestatiegolf van mei ’68 verschijnt Het ‘nouveau journal’ (2017) van Matthieu Sergier: een onderzoek naar experimenten met het dagboekgenre in de Nederlandstalige literatuur van de jaren zestig en zeventig. Sergiers studie duidt niet enkel de ‘singulariteit’ van zulke dagboekexperimenten, of wat dat soort teksten van andere onderscheidt, zijn focus haalt ook een onderbelicht genre uit de vergetelheid. Het ‘nouveau journal’, het negende deel in de boekenreeks van het Studiecentrum voor Experimentele Literatuur (SEL), is een mooie illustratie van het subversieve potentieel van (experimenten met) een literair genre in de marge.

De exemplarische teksten die in Het ‘nouveau journal’ aan bod komen zijn dagboekexperimenten van Daniël Robberechts, Maurice Gilliams, Paul De Wispelaere, Jeroen Brouwers, Ivo Michiels en Willy Roggeman. Voordat Sergier die casestudy’s uitwerkt, bakent hij zijn onderzoeksobject af. Als verzamelnaam voor de dagboekexperimenten die in zijn studie centraal staan, gebruikt hij ‘nouveau journal’, een term van Hans Vandevoorde (2009), waarmee Sergier ‘verwijs[t] naar een tijdgebonden esthetische tendens in de Nederlandstalige literatuur’ (4). Sergier toont meteen dat die tendens meer is dan enkel “esthetisch”: het experimentele dagboek speelt zowel met vormelijke als inhoudelijke kenmerken van het traditionele dagboek. Die traditionele kenmerken zet Sergier helder uiteen; op formeel vlak onderscheidt hij discontinuïteit (een reeks fragmenten die elk een gebeurtenis, meestal één dag, beschrijven), respect voor de kalendertijd, de afwezigheid van begin en einde, en de overeenstemming tussen schrijver, verteller en hoofdpersonage. Inhoudelijke elementen die vaak in een dagboek voorkomen, zijn de focus op persoonlijke ervaring van de auteur, de veronderstelde intimiteit en de daarmee gepaard gaande openheid (‘zelfs [de] intiemste gedachten lopen sowieso het gevaar om gelezen te worden’ (7)), de constructie van een tekstueel zelfbeeld (of ‘ethos’), de korte afstand tussen vertellen en het gebeurde, en het idee van een traject dat wordt afgelegd. Ook de manier waarop dat traject in taal vorm krijgt, staat in het traditionele dagboek centraal.

Spel en constructie, dat is wat het nouveau journal onderscheidt van zijn traditionele voorganger. Volgens Sergier is dit ‘experimentele schrijversdagboek een bewuste constructie, een gearrangeerde en gestileerde tekst’ die vooral reflecteert op het schrijven zelf (8). De manipulatie van traditionele inhoudelijke en formele dagboekkenmerken kan daarbij zo ver gaan dat de lezer de tekst maar moeilijk als dagboek herkent. Zoals in het traditionele schrijversdagboek staan het ethos en de ervaring van de tijd centraal in het nouveau journal; in tegenstelling tot zijn traditionele voorganger benadrukt het nouveau journal de status van het zelf en de tijd als constructie.

Dat experimentele schrijvers in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw experimenteren met het dagboekgenre is geen toeval; Sergier plaatst de toevlucht tot het marginale genre zowel in zijn historische als theoretische context. Op historisch vlak passen experimenten met het dagboekgenre perfect in de contestatiegeest van de jaren zestig. Zo kan het dagboek zelf gezien worden als een subversief genre waarin vooral minderheidsgroepen een alternatieve werkelijkheid beschrijven. Daarnaast laat het genre veel vrijheid toe. Met hun nadruk op discontinuïteit, het schrijfproces en de constructie van een (versplinterd) “ik”, zijn dagboekexperimenten ideaal om het lineaire tijdsbegrip, en daarmee het heersende vooruitgangsdenken, uit te dagen.

Sergier verbindt het nouveau journal met de nouveau roman en de nouvelle critique. Doorslaggevend is Roland Barthes’ bespreking van nouveau romancier Robbe-Grillets Les gommes (1953). Daarin zou Barthes een nieuwe schriftuur bespreken die toont dat zelfs wat schijnbaar onpersoonlijk, objectief beschreven is, toch van subjectiviteit doordrongen is. Het experimentele dagboek zou dan ook een uitmuntend genre zijn om subjectiviteit en ‘het ethos, problematischer dan ooit’ nauwgezet onder de loep te nemen (13). Op die manier beschrijft Sergier – duidelijker dan Vandevoorde die voor hem het nouveau journal onderzocht – het verband tussen de nouveau roman en het nouveau journal; een verband dat door de naamsgelijkenis onmogelijk genegeerd kan worden.

Naar analogie van zijn onderwerp volgt Sergier theoretici wier theorieën – in vergelijking met die van Barthes en Jérôme Meizoz – minder populair werden. Zo gebruikt hij het paratopie-concept van Dominique Maingueneau om de ‘paradoxale ruimte van waaruit de schrijver vormgeeft aan zijn eigen auctoriële autoriteit’ te beschrijven (16). Daarnaast staat het ethosconcept centraal als een tekstuele subcategorie van Meizoz’ postuur, dat de constructie van een zelfbeeld binnen en buiten de tekst omvat (13-14). Met de term ‘symptoom’ (de aanwezigheid, het spoor van een eerder moment dat in het moment van schrijven binnendringt) verwijst Sergier naar het anachronistische karakter van experimentele dagboeken waarin verschillende tijdsopvattingen met elkaar botsen (18).

Vanuit dat kader onderzoekt Het ‘nouveau journal’ een voordien onderbelichte experimentele tendens. Vóór Sergier wijdde Hans Vandevoorde enkele artikels aan de Nederlandstalige dagboekexperimenten van zestig en zeventig. Vandevoorde maakt een onderscheid tussen fictieve dagboeken, non-fictie dagboeken en het nouveau journal – een mengsoort of ‘encyclopedisch dagboek’, dat meer reflecteert over het schrijven en “bewuster” bewerkt is dan het fictiedagboek. Zelf-reflexieve dagboeken worden echter beschreven onder de titel ‘fictiedagboek’ of ‘dagboekromans [met] speciale vorm’ (2009: 49-50). Sergier vermijdt dergelijke begripsverwarring door zijn onderzoeksobject historischtheoretisch te situeren en door een eenvoudig onderscheid te maken tussen ‘schrijversdagboeken’ en ‘experimentele schrijversdagboeken’, de zogenaamde ‘nouveau journalen’.

Hoe bruikbaar een overzichtelijk onderscheid ook kan zijn, iedere categorisering loopt het risico op reductie. Sergier weet die valkuil echter te vermijden door genres, in navolging van Lars Bernaerts, vanuit een cognitief standpunt te benaderen. Zo is het dagboekgenre geen vaste verzameling van kenmerken, maar wel een systeem van kenmerken met semantische, syntactische en pragmatische voorkeuren, wat resulteert in prototypes; ieder individueel dagboek bestaat uit een selectie van die kenmerken, maar zal nooit samenvallen met het prototypische dagboek, dat alle kenmerken bevat (5).

Sergiers benadering mag dan wel toepasbaar zijn op de uiteenlopende teksten die hij in Het ‘nouveau journal’ analyseert, het losse theoretische kader heeft als nadeel dat het kan worden toegepast op nagenoeg iedere literaire tekst. Zijn analyses volgen ‘geen strak toegepast stappenplan’, maar gaan uit van het ‘principe dat tekststudie voortkomt uit de ontmoeting van respectvolle lezer en een singuliere tekst’ (17). Door die methode dreigen Sergiers casestudy’s soms focus te verliezen. Hij hanteert de ‘sterke begrippen’ (17) uit zijn theoretische kader wel erg los in de casestudy’s. Zo wordt een ‘ethos’ dan eens formeel-thematisch geanalyseerd op basis van een dagboekprocedé (in de analyses van De Wispelaere, Michiels en Roggeman) dan eens thematisch op basis van een dagboekfragment (in de analyse Brouwers).

De vraagstelling die Sergier aan het einde van de inleiding introduceert, zorgt echter voor een duidelijke lijn in zijn studie. Door te focussen op de manier waarop ‘een tekst de lezer uitnodigt tot een specifieke lectuur van het ethos die het toestaat om het auteursbeeld op te vatten als een uitdaging van een lineaire tijdsopvatting’ slaagt Sergier in zijn opzet om de singulariteit van het nouveau journal in verschillende teksten te ontsluiten (17). Zijn analyses tonen wat een experimenteel dagboek vermag door het te verbinden met de tijdgeest en de poëtica van schrijvers. Zo heeft Sergier respect voor het nouveau journal als tijdgebonden tendens én als individuele tekst.

De analyse van Daniel Robberechts’ Dagboek ’64-’65 (1894), Dagboek ’66-’68 (1987), Dagboek ’68-’69 (2010) en De grote schaamlippen (1969) illustreert hoe dagboekexperimenten vormgeven aan een ‘ethos dat in dienst staat van een postuur’ (24). Waar de analyse eerst focust op thematische ingrepen, parateksten en Robberechts’ (extra-tekstuele) postuur, concentreert het grootste deel zich op het formeel-thematisch spel met dagboekkenmerken, zoals symptomen, de gemarkeerde vertelling en de tijdsaanduiding. Het is die formeel-thematische analyse die, in de context van het spel met dagboekkenmerken, het best de singulariteit van het dagboekexperiment aantoont. Meer dan in het hoofdstuk over Robberechts komt in het Brouwershoofdstuk de analyse van formeel-thematische kenmerken op de tweede plaats. Zo bestudeert Sergier eerst Brouwers’ filiaties in het kunstenaarsmilieu en zijn poëtica-gerichte postuur. Het ethos dat daarbij aansluit, beschrijft hij aan de hand van een dagboekfragment uit Groetjes uit Brussel (1969). Pas in de laatste bladzijden heeft Sergier oog voor experimenten met dagboekprocedés zoals de structuur van het boek die de lineaire tijd problematiseert (73).

Maurice Gilliams’ De man voor het venster (1942) construeert een ethos dat bijdraagt tot een postuur dat de (lichamelijke) schrijver overleeft. In zijn analyse heeft Sergier vooral oog voor de parallellen tussen Gilliams’ zelfportret voor het titelblad, de schilderijen van Henri De Braekeleer die Gilliams in zijn tekst opneemt en bespreekt, en het ethos dat uit Gilliams’ tekst spreekt. Opvallend genoeg doet Gilliams met schilderijen hetzelfde als wat Sergier doet met schrijversdagboeken: zowel Gilliams als Sergier analyseren het ethos dat het werk van de kunstenaar uitdraagt. Sergier presenteert Gilliams’ analyse van De Braekeleers schilderijen terecht als een ‘handleiding voor wie een of ander stuk zou willen schrijven over Gilliams en zijn oeuvre’ (38). Dat Gilliams’ bespreking ook kan gelden als metacommentaar die de status van zijn eigen ethos als constructie in de verf zet, ziet Sergier jammer genoeg over het hoofd.

In de sterkste casestudy’s lijkt Sergier niets over het hoofd te zien. Zo illustreert de analyse van De Wispelaeres Paul-tegenpaul (1970) en Het verkoolde alfabet (1992) hoe dagboekexperimenten op erg uiteenlopende manieren het ethos van de schrijver vormgeven als kunstcriticus en dagboekschrijver (62) en tegelijkertijd de lineariteit van de tijd uitdagen. Ook de analyse van Michiels’ Ikjes sprokkelen (1958) ontsluit de mogelijkheden om met dagboekexperimenten een ‘ “ik” als tekstuele pluraliteit [te] ensceneren’ (77). Meer dan de andere dagboeken nodigt Michiels’ tekst uit om vooral de taal onder de loep te nemen. In die context ziet Sergier dat de differentiatiedynamiek in Ikjes sprokkelen de typische discontinuïteit van het dagboek compliceert: het “ik” valt nooit samen met de som van de delen, maar de schrijver verzamelt toch momenten uit het verleden, tegen beter weten in. Samen met die discontinuïteit, de vage tijdsaanduidingen (in plaats van exacte datering) en de cyclische structuur ensceneert Michiels’ dagboek een tragisch ‘dagboekschrijfgebeuren’ van een ik dat zichzelf enkel ten opzichte van het verleden kan definiëren, maar zichzelf op die manier nooit volledig zal kennen.

Voor de analyse van Roggemans De goddelijke hagedisjes (1969) concentreert Sergier zich expliciet op de bijdrage van het dagboekgenre in de constructie van een “ik”. Volgens Sergier ‘biedt het dagboek de mogelijkheid om nog dieper in te gaan op de poëticale beschouwingen die problematisering het ik vergezellen’ (89). Roggemans ethos zoekt een evenwicht tussen noodzakelijke zichtbaarheid en nederigheid. De openbaring van een afgebakend zelfbeeld moet dus gepaard gaan met het bewustzijn van de schijnvolledigheid van dat ik. Het dagboek geeft Roggemans de mogelijkheid om dat poëticale standpunt verder uit te diepen. Sergier verbindt de deconstructie van de kalendertijd met de deconstructie van het alomvattend ik: zoals de deconstructie van de kalendertijd wordt verwezenlijkt in de schijnconformiteit aan die tijd, zo deconstrueert Roggenmans dagboek een ik dat het door het schrijfproces construeert (92).

In casestudy’s slaagt Sergier in zijn opzet om ‘aan te tonen dat het experimentele schrijversdagboek, beter dan om het even welk ander literair genre, door middel van een ethos dat het construeert, tot een zeker schrijverspostuur bijdraagt dat het opneemt tegen de historische tijd en de manier waarop tijd wordt ervaren’ (95). Het ‘nouveau journal’ getuigt van een theoretisch inzicht en een uitmuntend analytisch vermogen. Met die kwaliteiten ontsluit Sergier een vergeten deel van (Nederlandstalig) experimenteel proza. Waar hij soms focus dreigt te verliezen door de losse omgang met begrippen, houdt de vraagstelling de studie op de rails. Zo wordt Het ‘nouveau journal’ de ‘toegankelijke en bruikbare inleiding’ die de achterflap belooft.

 

Nele Janssens

 

Matthieu Sergier, Het ‘nouveau journal’. Dagboekexperimenten voor een nieuwe tijd. Gent: Academia Press, 2017. 110 pp. ISBN: 9789038226668. € 29,99.

Willem Elsschot. Dichter

Het gonsde op de Frankfurter Buchmesse in 2016, waar Vlaanderen en Nederland samen eregast waren. Bij de openingsplechtigheid ontving koning Willem-Alexander uit handen van zijn Belgische ambtgenoot Filip naast de Duitse Käse ook het verzameld werk van Willem Elsschot. Een prachtige band, uitgegeven in de Gouden Reeks van het Nederlandse Athenaeum-Polak & Van Gennep (Singel Uitgeverijen).

Koud drie dagen later maakte Polis (ressorterend onder de Vlaamse uitgever Pelckmans) bekend de rechten op het werk te hebben verworven en voortvarend aan de slag te zullen gaan met gloednieuwe heruitgaven. Singel Uitgeverijen dreigde met juridisch wapengekletter. Anderhalf jaar later gelooft alleen bol.com nog dat hun aangekondigde uitgaven van Kaas, Het Dwaallicht en Verzen daadwerkelijk zullen verschijnen.

Polis gaf intussen Een Ontgoocheling, De Verlossing, Lijmen/Het Been, Kaas, Tsjip/De Leeuwentemmer, Het Tankschip en Pensioen uit op papier en als e-book en belooft dat de rest van het oeuvre vlot volgt. Peter de Bruijn bezorgt deze herspelde uitgaven en voorziet ze van de annotaties die hij eerder bij het door hem bezorgde Volledige werk (2001-2006) voegde. Elke uitgave krijgt een nieuw nawoord, geschreven door auteurs van divers pluimage: van Vrouwkje Tuinman tot Peter Vandermeersch en van Eric Rinckhout tot Alma Mathijsen. De ontvangst is tot nog toe positief.

Naast deze primaire fictiewerken, verschenen de weinig opzienbarende index Van Aasgaard tot Van der Zijpen van Steven Walland, het rommelig geredigeerde doch intrigerende puzzelboek Van onzen correspondent van M.C. van Etten en C.J. Aarts (met daarin journalistiek werk dat al dan niet aan Alfons de Ridder toe te schrijven is) en Willem Elsschot. Dichter, verzameld en ingeleid door Koen Rymenants en Carl De Strycker. Over dat laatste boek gaat de rest van deze bespreking.

Willem Elsschot. Dichter bundelt en becommentarieert in vijfentwintig artikelen de tweeëntwintig gedichten die steevast achterin het Verzameld werk van Elsschot onder de titel Verzen zijn gepubliceerd, aangevuld met een vijftal andere gedichten die reeds hun weg naar het Nagelaten werk (2006) vonden: het jeugdvers ‘Zomerverlangen’, een Franse vertaling van een gedicht van Greshoff, het over Daan Boens handelende tweespan ‘Gentsche groeters’ en ‘Alarm in Gent’ én ‘Richard Minne’ dat door Yves T’Sjoen handig integraal in zijn bespreking van de Gentse gedichten is gesmokkeld (270-279).

In tegenstelling tot wat de kaft (‘Alle Verzen verzameld en toegelicht’) en het voorwoord (‘de hele poëzie van Elsschot’ (16)) beloven, zijn dit niet alle overgeleverde gedichten. Het Nagelaten werk bundelt nog vierendertig jeugdverzen, drie Greshoff-vertalingen en zes andere gedichten. Sinds de biografie Elsschot – Leven en werken van Alfons de Ridder (2011) van Vic van de Reijt kennen we ook het vers waarin Elsschot de verdediging van de collaborateur-advocaat Edgar Boone op zich neemt. Voorts citeren de samenstellers in hun inleiding een van de reclameverzen die De Ridder in opdracht van mosterdfabrikant Tierenteyn schreef en hullen ze zich in onverbeterlijk zwijgen over ongeautoriseerde gedichten en liederen als ‘Schele Vanderlinde’.

Gezien de twee hoofddoelen van deze bundel – het faciliteren van een kennismaking met de gedichten en het bieden van een podium aan minder bekende poëziecritici – zijn deze keuzes goed te verantwoorden en de lacunes die ze laten vallen zijn overkomelijk. Ik kan er alleen slecht tegen als me ‘alles’ beloofd wordt en ik nog niet de helft krijg. Daarnaast had ik het in een bundel waarin Elsschot om de haverklap een amateurdichter wordt genoemd, wel aardig gevonden als ze zijn enige echte Sinterklaasversje hadden opgenomen, al was het louter omdat het zijn laatste gedicht én een koudeoorlogscuriosum betreft.

Willem Elsschot. Dichter brengt poëzielezers van verschillende generaties samen: er ligt bijna een halve eeuw tussen de geboortejaren van Joris Gerits (1943) en Bram Lambrecht (1991). Deze reikwijdte vertaalt zich in een bonte mengeling van lees- en onderzoeksmethoden die elkaar vrijelijk tegenspreken of kruisbestuiven. Zo speelt zich een polemiekje af tussen hen die de dichter graag als epigoon van Tachtig of zelfs als Fransman lezen en iemand als Hans Vandevoorde die – mijns inziens terecht – Elsschot eerder na de gezusters Loveling en naast de Rotterdamse dichter-zanger Koos Speenhoff plaatst. Een klein voorbeeld van kruisbestuiving is Kris Pint die richtregels van Reve citeert (172) en daarmee ongeweten de intertekstuele interpretatie van een dichtregel van Adriaan van Dis’ Elsschotpastiche ‘Zo gruwelijk’ (160) verrijkt.

De helft van de lezers wijdt hun bijdrage  vooral aan de in de inleiding aangekondigde ‘zorgvuldige lezing van afzonderlijke gedichten’ (17). Interessanter vond ik de stukken die literair-historische duiding bieden en een soms onvermoede samenhang met andere gedichten, prozateksten of brieven zichtbaar maken. Essays dus die, in de woorden van Odile Heynders, ‘een nieuw netwerk van betekenismogelijkheden tot stand […] brengen’ (213). Haar ‘corresponderende lezing’ van Elsschot, De Coninck en Van Bastelaere toont hoe de drie dichters de geschiedenis de poëzie binnenhalen en had wat mij betreft minstens dubbel zo lang mogen zijn. Dat betekent echter niet dat ik me kan vinden in haar stelling dat het gedicht ‘Van der Lubbe’ kritisch zou zijn zonder ‘politiek betrokken te zijn’ (222). Veel politieker wordt het volgens mij niet dan wanneer een dichter zich in 1934 uitspreekt tegen de nazi’s, het laffe Nederland kapittelt én een gedicht afsluit met de strofe: ‘Moog je geest in Leipzig spoken / tot die gruwel wordt gewroken, / tot je beulen, groot en klein, / door den Rus vernietigd zijn.’

De ‘frisse blik’ die de inleiders voorspellen, had verrassender en inclusiever uitgepakt als bij de selectie van de auteurs was gekozen voor een evenwichtige genderverdeling en er sprake zou zijn van culturele diversiteit. Naast de twee witte mannelijke samenstellers, tel ik onder de zesentwintig besprekers (Jan Schoolmeesters en Pieter Verstraeten schreven samen hun stuk) slechts zes vrouwen en geen zwarte schrijvers of auteurs met een migratieachtergrond. Ik mis de scherpe stemmen van Saskia Pieterse of Sarah Posman en denk ook aan iemand als Chokri Ben Chika die met zijn dwarse opmerkingen bij Het Dwaallicht misschien wel de enige originele bijdrage leverde aan de achtdelige radioreeks Zot van Elsschot (2010).

Gelukkig ontbreekt het in Willem Elsschot. Dichter niet aan oorspronkelijke inzichten. Ik stip graag de degelijke en inzichtelijke bijdragen van Gaston Franssen, Koen Rymenants, Jos Joosten en Matthijs de Ridder aan. Franssen zet nauwkeurig de Bijbelse verwijzingen in ‘De Bedelaar’ in voor een tegendraadse lectuur, Rymenants plaatst ‘De Bult spreekt’ in een literairhistorische context, Joosten onderwijst ons naar aanleiding van ‘Aan Willem Gijssels’ over het gelegenheidsgedicht in het algemeen en het lofdicht in het bijzonder en De Ridder herschreef een ferm stuk uit zijn onvolprezen essay Aan Borms (2007).

Hoewel sommige andere auteurs zich verliezen in frikkerig, fantasieloos formalisme – met de stiekem intentioneel gelezen iconische antimetrie als heilige graal (genre: zie je, juist als hij als de trappers verliest, is hij steengoed!) – hebben de samenstellers gelijk als zij stellen dat zelfs de kenners ‘veel nieuws zullen ontdekken’ (17).

De openingstekst van Kris Steyaert is meteen zo’n voltreffer. Hij neemt ‘afwezigheid van communicatie of het falen ervan’ (27) als uitgangspunt en trekt, vertrekkende van het nog nooit zo geavanceerd gelezen gedicht ‘De Zee’, een lijn door het hele oeuvre: van vroege en latere gedichten tot en met meerdere romans. Zijn indrukwekkende close-reading van dit jeugdgedicht kenschetst Elsschot niet als bloedeloze navolger van Kloos, zoals over diens jeugdverzen regelmatig is beweerd, maar plaatst hem via een ingenieuze impliciet-po.ticale lezing juist tegenover die Tachtiger: waar de laatste de taal ‘gebruikt als middel tot zelfbevestiging en zelfverheffing’, thematiseert Elsschot ‘het isolement dat elke taaldaad blijkt te genereren, en ziet in dat proces de manifestatie van een existentieel tekort’ (33).

Even prikkelend maar problematischer vind ik de bijdrage van Wilbert Smulders die hopelijk de voorbode vormt van zijn langverwachte Elsschotboek. Evenals Steyaert plaatst Smulders Elsschots gedichten daar waar ze thuishoren: midden tussen het proza en niet weggestopt achterin een verzameldwerkuitgave. Aanvankelijk was ik overtuigd door zijn lectuur en in mijn hoofd liepen tal van nieuwe krachtlijnen door het oeuvre toen ik las dat volgens Smulders het ‘moederlichaam’ en de ‘mannenpraatjes’ de polen zijn ‘die heel Elsschots oeuvre onder spanning zetten’ (53). Bij herlezing gingen enkele vooraannames knagen. Waarom zou de positie van de ‘autoriteit’ in Kaas automatisch die van ‘de vaderfiguur’ (49) zijn? Is het niet juist de moeder die de hoofdpersoon emotioneel en financieel had kunnen redden, ware zij nog in leven geweest? En waarom schaart Smulders in zijn interpretatie van Lijmen de typische attributen van de Vlaamse Beweging (‘baard, hoed, poëzie en revolutionaire neigingen’) onder Laarmans’ ‘zachte [= bij Smulders ‘vrouwelijke’] kant’? (51) Ik zou bijna denken dat er in deze Freudiaanse lezing sprake is van verdringing van die twee andere met naam genoemde voorwerpen waarvan Laarmans onder druk van Boorman nadrukkelijk afscheid moet nemen: zijn knuppel en zijn pijp. Misschien kan een onderdompeling in actuele gendertheorieën Smulders’ lectuur nog kruiden.

Een omgekeerde leeservaring bood het essay van Gillis Dorleijn me. Door zijn flauwe boutade aan het begin van zijn tekst, had ik weinig zin in het vervolg. Elsschots werk zou ‘naast de Nederlandse literatuur’ staan, waardoor het beter  zou zijn de gedichten ‘niet Nederlands te noemen (laat staan Vlaams [sic]), maar Frans’ (177- 178). Gaandeweg trok Dorleijn me mee in zijn interpretatie van het gedicht ‘Aan Jan Greshoff’ dat, door zijn positie in Kaas, een van de meest gedrukte en vertaalde Nederlandstalige gedichten ooit is. Op een korte en vlakke interpretatie volgt zijn expliciete weigering om beter zijn hermeneutische best te doen omdat ‘deconstructieve krachten’ volgens Dorleijn ‘het gedicht in het donker [laten] staan’ (179). Daarna wordt het interessanter: via de ontstaanscontext, het falen van een adequate biografische lectuur en een tweede poging om tekstgericht lezend het gedicht in een Kaas-context te plaatsen, komt hij op voor hem vertrouwd terrein: de intertekstuele lezing. Die is overtuigend omdat hij met een weldadige overdaad van citaten laat zien dat de ‘Jan Greshoff’ in het gedicht niet de biografische persoon betreft maar ‘een beeld van de dichter-criticus zoals dat oprijst uit diens gedichten’ (184). Deze lectuur is extra belangwekkend omdat Elsschot te vaak is neergezet als een profeet die wel schreef, maar nauwelijks las.

De lezer van deze kritiek zal het me vergeven dat ik niet op alle bijdragen inga. De laatste kanttekening die ik wil plaatsen, betreft de ambitie die de samenstellers in de inleiding uitspreken. Ze hopen dat de lezer die ‘de poëzie van Elsschot nog niet zou kennen’ hier een ‘kennismaking met zijn verzen [vindt].’ Die hoop lijkt me, hoe mooi ook, tamelijk naïef. De kans lijkt me klein dat iemand die de poëzie van Elsschot niet kent, wel meer dan twintig euro betaalt voor een dik boek met lange artikelen van in de buitenwereld onbekende letterkundigen. Dit is eerder een boek voor liefhebbers en kenners die er trek in hebben zich driehonderd pagina’s lang te verhouden tot academische analyses en interpretaties.

Mocht er nog een herziene en uitgebreide uitgave komen – in de zeer productieve Elsschottologie is zoiets niet ondenkbaar – dan zou ik het fijn vinden als een diverser gezelschap zich over zijn werk zou buigen, als er iemand op zou staan die veel weet van humanisme én van Elsschot en eens iets zinnigs kan zeggen over de verhouding tussen die twee en als een scherpzinnig wetenschapper zich buigt over de mercantiele gedichten van Alfons de Ridder in vergelijking met de karamellenverzen uit zijn tijd. Naast de verschillende speculaties op basis van buikgevoel en andere voorkennis, zou het ook mooi zijn als iemand Elsschots (jeugd)verzen middels een uitgebreid contemporain corpusonderzoek literair-historisch duidt. Een aanzet hiertoe biedt Fabian Stolk die zijn stuk besluit met een cliffhanger. Na een voorproefje van een stilistisch-vergelijkende lezing, neemt hij zich voor zich te bekwamen in de ‘zakelijke, computationele stilistiek’.

Ik hoop van harte dat hij dit doet en dat hij de lessen die hij leert, toepast op zowel het poëtisch als het vooralsnog gebrekkig onderzochte journalistiek werk. Zo kan bij een volgende Buchmesse koningin Mathilde haar ambtgenote Amalia een mooie band geven met daarin eindelijk het echte volledige werk van Elsschot – gedichten, romans en krantenartikelen – chronologisch na en generisch dus dwars door elkaar. De toekomst zal uitwijzen wie tegen die tijd zijn uitgever is.

 

Willem Bongers-Dek

 

Koen Rymenants & Carl De Strycker (red.), Willem Elsschot. Dichter. Antwerpen: Polis, 2017. 303 pp. ISBN: 9789463102902. € 22,50.