Naar een volwaardige biografie over Jacob Israël de Haan

Ingezonden door Rob Delvigne

Begin 2018 kwam op de site van de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren (dbnl.org) de Brieven van en aan Jacob Israël de Haan 1899-1908 beschikbaar. Dit proefschrift van Leo Ross en mij uit 1994 is meer dan een ‘studie over de brieven’, zoals Jan Fontijn het noemt in zijn biografie van De Haan: Onrust. Het leven van Jacob Israël de Haan, 1881-1924 (2015, p. 618). Eigenlijk is het een documentatie van De Haans leven en werk tot in de jaren ‘10, waarbij de brieven in extenso zijn opgenomen en toegelicht. Voor de helft van zijn biografie kon Fontijn terugvallen op deze en andere publicaties van Ross en mij. Het spitwerk was dus al gedaan; Fontijn kon de krenten uit onze pap vissen. Helaas valt het resultaat tegen.

De eerste brief die De Haan aan de twintig jaar oudere Frederik van Eeden stuurde, was van maart 1899. In augustus 1899 bezocht De Haan Van Eeden op zijn kolonie Walden in Bussum. Van Eeden herinnerde zich die dag 25 jaar later nog in zijn artikel ‘Bij den dood van Jacob Israël de Haan’ (De Maasbode12 juli 1924): die dag ‘dat hij als schuchter schooljongen uuren in mijn werkkamer zat zonder een woord te spreeken, dankbaar voor mijn teegenwoordigheid alleen, nog niet in staat zelf zijn booterham te smeeren’. De Haan was in 1899 17 jaar en zat op de kweekschool. De eerste bewaarde brief van De Haan is van 24 oktober 1899, waarin hij schreef: ‘Ik zou nu graag Engelsch kennen, om de Anglo-Dutchman te lezen’. Van Eeden had daarin in het Engels over de Boerenoorlog geschreven, en die taal kon De Haan niet lezen: Engels had hij op school niet gehad. In maart 1912 maakte De Haan voorbereidingen om samen met Van Eeden naar Engeland te gaan. Hij zag erg op tegen het schrijven van een Engelse brief, want het Engels ging hem nog steeds niet goed af (Fontijn p. 208). Ze gingen met trein en boot. ‘Den trein zal ik laten nazien. Ik kan geen treinen nazien, maar wel mijn eigen boterham maken. Over tien jaar kijk ik de treinen na’ (brief aan Van Eeden 24 maart 1912). De citaten laten De Haans groeiende zelfbewustheid zien; je wilt niet één van zijn uitspraken missen. Het laatste citaat, waaruit vertrouwelijkheid spreekt, ontbreekt bij Fontijn.

Fontijn beweert op p. 33, dat De Haan als 18-jarige in Londen verbleef, dus in 1900. Fontijn ontleent die wijsheid aan het reisverhaal ‘Een tocht door Londen’, dat De Haan in het Handelsblad publiceerde nadat hij er in december 1918 was geweest op weg naar Palestina. Maar in dit feuilleton staat niets over een tot nu toe onbekend verblijf in Londen in 1900. Dat zou ook niet voorstelbaar zijn met zijn toen ontbrekende kennis van het Engels en zijn gebrekkige redzaamheid (geen boterham kunnen smeren!). Deze gegevens alleen al hadden Fontijn voor deze uitglijder moeten behoeden. Fontijn heeft waarschijnlijk een aantekening bij dit feuilleton gemaakt in de trant van ‘Londen ‘18’, wat hij later heeft teruggelezen als ‘Londen 18’ [jaar].

Tussen de brieven van De Haan aan Van Eeden zitten twee gedichten, de eerste met de datum 26 april 1896. De gedichten, geëxalteerd en doorwrocht, zijn niet ondertekend. Fontijn schrijft ze aan De Haan toe (die toen 14 jaar was), eerst in zijn Van Eeden-biografie Tweespalt (1990 p. 396), vervolgens in het boekje Tederheid en storm (2012 p. 31) en nu weer in Onrust (p. 57-58). De datering van het gedicht spreekt dit tegen: die datum viel drie jaar voor het eerste contact tussen De Haan en Van Eeden. In een latere brief vraagt De Haan aan Van Eeden: ‘Zijn die verzen van Ada v. Heijningen?’. Zij was volgens het Dagboekvan Van Eeden op Walden komen wonen op (let op de datum) 26 april 1896. De gedichten zijn dus niet van De Haan, dat maakten Ross en ik al duidelijk in ons proefschrift van 1994 (op p. 24 van editie 2018): Van Eeden had blijkbaar haar verzen naar De Haan gestuurd. Fontijn weigert zonder deugdelijk argument zijn mening aan te passen.

Tijdens het eerste bezoek aan Walden kreeg De Haan van Van Eeden een boek met opdracht: ‘Jacob de Haan van F. van Eeden 6 aug. 99’. De reproductie bij Fontijn (p. 58) heeft als onderschrift: ‘Opdracht van Van Eeden in De kleine Johannes, 1899’. Maar de tekst onder de opdracht is niet het begin van dat boek (‘Ik zal u iets van den kleinen Johannes vertellen’) maar een fragment verderop uit het boek. Het is de Bloemlezing uit Van Eeden’s werken, toen juist verschenen, die De Haan cadeau kreeg. In de brief aan Van Eeden van 24 oktober 1899 verwijst De Haan naar p. 4 van de Bloemlezing om de relatie met Van Eeden te typeren (Fontijn geeft die passage niet): ‘Zou hij net zooveel van mij houden, als ik van hem? […] Maar misschien heeft hij meer vrienden. Zou hij daar ook van houden, meer dan van mij?’. De Haan heeft Van Eeden altijd als zijn beste vriend beschouwd, en dat gold andersom ook, ondanks het leeftijdsverschil. Met behulp van deze details bouw je een beeld van deze relatie op, maar dan moet de biograaf deze niet overslaan.

Tegen een leraar op de kweekschool durfde De Haan te zeggen: ‘U moet niet zo tegen me te keer gaan, want u moet bedenken, dat ik over enkele weken uw collega ben’ (2018 p. 8). Fontijn maakt ervan: ‘U moet niet zo tegen hem te keer gaan’ (p. 53), waardoor de anekdote onbegrijpelijk wordt.

Een veelzeggende brief van een medeleerling aan Van Eeden uit mei 1899 namen we in de Brieven in zijn geheel op. Daarin staat over De Haan: ‘Nadat hij een paar weken voor zijn gezondheid naar huis was geweest, kwam hij op ’t idee u te schrijven en de verrukking, die uw brief hem bracht, is niet te beschrijven’ (2018 p. 9). Dat moet De Haans brief van maart 1899 zijn geweest. Ook hier weet Fontijn iets onduidelijks van te maken: volgens hem was het niet De Haan maar de medeleerling die besloot na het genoemde ziekteverlof Van Eeden te schrijven (p. 59).

En dit is nog maar 1899, het eerste jaar uit het leven van De Haan dat Ross en ik uitvoerig gedocumenteerd hebben.

In Brieven (2018 p. 170) suggereren Ross en ik een verband tussen een zin uit een brief van Van Eeden aan De Haan en een passage uit De Haans roman Pathologieën (1908). Die suggestie neemt Fontijn nu eens wel over (p. 176): ‘Van Eeden had in zijn brief [van 14 november 1905] De Haan gewezen op de uitspraak van John Ruskin dat kunst door vreugde om Gods werk moet ontstaan. Mogelijk reageerde De Haan hierop in zijn roman door de vader van Johan een uitspraak van Ruskin te laten citeren’. Fontijn formuleert hier wel erg vlak, want met dit Ruskin-citaat wijst de vader zijn zoon en diens homoseksualiteit af. De Haans reactie op de brief van Van Eeden, in een brief aan Lodewijk van Deyssel, is hilarisch: ‘Wat kan mij Ruskin schelen? […] Waarom moet ik doen wat Ruskin dee, zou Ruskin doen, wat ik doe?’. Onbegrijpelijk dat Fontijn deze puntige stellingname van De Haan de lezer onthoudt.

Een belangrijk man in het leven van De Haan was Albert Verwey; hij noemde hem ‘meester’. In een brief aan Verwey kwam de dichter Ernest Dowson ter sprake, wiens Poems hij zeer waardeerde blijkens een aforisme uit 1907: ‘Er is een boek van Ernest Dowson met platen van Aubrey Beardsley. Ik heb dat boek nooit willen bezitten, omdat ik dan het verlangen ernaar kwijt zou zijn’. De Haan is gezwicht voor dat mateloos verlangen. Aan Verwey schreef hij op 12 april 1912 vanuit Londen: ‘Ernest Dowson wordt hier veel gelezen. Ik heb de vierde druk van zijn gedichten hier gekocht’. Fontijn meent de titel van dat boek te hebben achterhaald: Verses (p. 327) maar deze bundel bevat geen platen van Beardsley, Poemswél. Op p. 203 citeert Fontijn een briefkaart aan Verwey uit 1911 waarop De Haan had geschreven: ‘Calm, sad, secure behind high convent walls’. Waarom schrijft De Haan dit en het voorafgaande juist aan Verwey? Omdat Verwey in een opstel ‘Een tocht door Londen’ (herkent u de titel?) aandacht aan Dowson had besteed en een gedicht van hem vertaald had dat begint met: ‘kalm, droef, beschermd; in ’t hooge ommuurd konvent’ (geciteerd in Brieven2018 p. 291). Heel dit cluster verwijzingen geeft aan waar De Haans poëtische belangstelling lag: bij een decadent als Dowson en bij ‘meester’ Verwey. Fontijn houdt de lezer onkundig van deze verbanden.

De Haan zette zich als jurist in voor de politieke gevangenen in tsaristisch Rusland. Hij bezocht Russische gevangenissen driemaal, voor het laatst eind 1913. Voorafgaand aan het laatste bezoek aan Rusland zou De Haan samen met Frederik van Eeden bij minister van Buitenlandse Zaken Loudon op bezoek gaan. ‘Het is onduidelijk of het gesprek met Loudon heeft plaatsgevonden’ volgens Fontijn (p. 239). Toch maakte Fontijn al in zijn biografie van Van Eeden (Trots verbrijzeld, 1996 p. 286) melding vande brief aan Van Eeden, die Loudon na dit bezoek had geschreven. Alleen heeft Fontijn de foutieve datering van Loudon (1 januari 1913 in plaats van 1 januari 1914) overgenomen. Volgens zijn postboek heeft Van Eeden deze brief op 4 januari 1914 ontvangen (‘met copie brief gezant’). Ross en ik hebben de brief-met-bijlage-gezant in ons artikel over De Haans ‘Russisch engagement’ van de juiste datum 1 januari 1914 voorzien (Het oog in ‘t zeil 1986-7 / 1-2 p. 32; herdrukt in Een uitmuntend letterkundig kunstenaar, 2002). Het gesprek tussen Van Eeden en Loudon vond op 18 november 1913 plaats. Met resultaat: Loudon verzocht zijn Russische collega-minister om De Haan te ontvangen. Vergezeld door de Nederlandse gezant te Sint-Petersburg bezocht De Haan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De Haan drong aan op het in vrijheid stellen van een ‘bijzonder sympathieke jongeman’, die naar zijn mening er te sympathiek uitzag om schuldig te zijn. ‘Toen zijn toehoorder daarop niet zonder grond verwonderd had opgekeken, had hij er aan toegevoegd, dat zijne vrouw van de zaak alles afwist’, staat er in het verslag van de gezant. Als De Haan van ‘mijn man’ had gesproken, was het voorval nog Reviaanser geweest dan het nu al is. Aan een andere ambtenaar deed De Haan het voorstel om gezamenlijk de jongeman te doen ontsnappen. Fontijn had in zijn Van Eeden-biografie de brief samengevat met: ‘De Haan bracht door zijn onconventionele gedrag allerlei mensen in verlegenheid’. Door ons artikel te gebruiken had Fontijn dit onconventionele gedrag niet hoeven benoemen maar het in detail kunnen beschrijven.

De brieven uit Rusland die De Haan van gevangenen ontving, zijn niet vertaald door zijn penvriend Arnold Saalborn (Onrustp. 231 en 242) maar door diens vader Alexander. In Het oog in ‘t zeil hebben Ross en ik een vertaalde brief met het naamstempel van deze geboren Rus en ‘beëdigd translateur’ opgenomen.

Fontijn houdt van ferme uitspraken. Dat De Haan het joodse geloof vaarwel zei, noemt hij desertie (p. 41). Alsof geloofsafval aan niet te tolereren verraad gelijk staat! Op p. 246 is De Haan ‘van het joods geloof vervreemd […] vanaf de tijd dat hij het ouderlijk huis verliet’. Nu het proefschrift van Ross en mij op internet staat, is eenvoudig op te zoeken hoe geregeld hij nog met zijn joods-zijn bezig was.

Fontijn noemt de homo-erotisch getinte bundel Libertijnsche liederen (1914) een provocatie (p. 253). ‘Over zijn hartstochten durfde De Haan tijdens zijn leven evenwel niet met [zijn vader] te praten’ (p. 39); aan de andere kant gaf De Haan zijn vader een exemplaar van deze openhartige bundel(met de opdracht ‘Vader van Joop’, niet bij Fontijn vermeld). Met de provocatie viel het dus wel mee. Zijn vader kende een ‘zekere vrijzinnigheid’ (p. 24), zoals ook valt te lezen in een recent proefschrift: rabbijn Izak de Haan trouwde socialistische joden die zich nauwelijks aan de joodse leefregels hielden (Adriaan van Veldhuizen, De Partij, over het politieke leven in de vroege S.D.A.P., 2015, p. 73 en p. 296).

Fontijn wijdt bladzijden lang uit over Remy de Gourmont (p. 179-185) en heeft het over ‘zijn schitterende serie geschreven portretten’ (p. 254; lees: ‘zijn serie schitterend geschreven portretten’). De Haan daarentegen moet het in de tweede zin van de biografie met een zuinige pluim doen: ‘een talentvolle schrijver’.

De laatste brief van Johanna van Maarseveen aan haar man in Palestina heeft Fontijn gereproduceerd in Tederheid en storm p. 97-100. In Onrust (p. 535-6) heeft hij de brief getranscribeerd. Daar dateert hij de brief op 13 juni 1924 (de brief is van 13-15 juni, blijkt uit de reproductie). Van Maarseveen schreef volgens Fontijn: ‘Doe jij wat je veinst dat je moet doen’. Het venijnige ‘veinst’ komt in de brief niet voor. Er staat: ‘Doe jij wat je vindt dat je moet doen’.

L.M. Hermans komt op p. 128 tweemaal voor, als schrijver over homoseksualiteit (afwijzend) in De nieuwe tijd (1904) en als bespreker van Pijpelijntjes (ook afwijzend). Het artikel in De nieuwe tijd is niet van L. H[ermans] maar van L. H[eijermans] (dat is Louis, broer van de toneelschrijver, 2018 p. 108) en het oordeel over Pijpelijntjes had een vindplaats verdiend: Het volk 24 februari 1905 (2018 p. 141/2).

Op p. 153 is sprake van het tijdschrift Levensrecht, dat Pijpelijntjes redelijk besproken had. De lezer van de biografie herinnert zich de vermelding van een recensie in Levensrecht op p. 130 van Onrust, maar dat is een uiterst negatieve kritiek. In 1907 verscheen er nogmaals een recensie in dat blad, en die was veel positiever. Maar die bespreking vermeldt Fontijn niet.

Fontijn noemt de ontvangst van Pijpelijntjes vijandig, zoals blijkt uit de afwijzing door Van Deyssel (p. 130). Van Deyssel weigerde een voorwoord te schrijven, dat klopt, maar over de roman was hij positief. Zijn recensie is onvoltooid en toentertijd niet gepubliceerd, omdat de eerste druk van de roman uit de handel werd genomen. De tekst is te lezen bij Jaap Meijer (De zoon van een gazzen, 1967 p. 352) en in Harry Pricks Een vreemdeling op de wegen (2003 p. 685).

‘De kwatrijnen zijn De Haans dagboek, zijn autobiografie, zo men wil’ (p. 14). Het lijkt een uitspraak van De Haan zelf, maar een andere passage bij hem geeft te denken, Fontijn citeert haar zonder commentaar: ‘Ik denk aan rozen. Of misschien denk ik aan het woord “rozen”, Misschien is mijn geheele ziel valschheid en litteratuur. Houd ik van wijn? Ben ik een drinker? Hoe dikwijls vindt men in mijn gedichten niet de woorden “rozen en wijn”. Het is alles valsch. IJdelheid en letterkunde’ (p. 522; het geciteerde artikel uit het Handelsblad is niet van 28/9 maar van 29/8/1923). Zo laat De Haan in een gedicht de sobere sabbatviering contrasterenmet ‘de drinkgelagen’ met zijn vrienden (p. 37). Maar Fontijn citeert ook een uitspraak ‘dat ik niets drink, dat schadelijk is’ (p. 90). Kortom: de werkelijkheid kan anders zijn dan de weergave in literatuur.

In de proloog van de biografie bedankt Fontijn 13 personen voor het aanleveren van illustraties. Daarbij is van alles misgegaan. De portretfoto op p. 196 is niet uit 1915; het is met  onderschrift  in april 1910 door De Haan verzonden aan broer Gerson, San Francisco. De foto op p. 516 (De Haan met tas onder de arm) is niet in Jeruzalem gemaakt, maar in Amsterdam door (atelier) J. Huysen. Zo staat het onder deze foto in Den gulden winckel van 15 juli 1916. De foto op p. 250 is van dezelfde fotograaf, uit 1913. Het portret van De Haan in bedoeïenendracht op het omslag (en op p. 521) is van fotograaf G. Krikorian, maar diens naam wordt niet vermeld.

De titelpagina van In Russische gevangenissenis door Berlage ontworpen (p. 239), jawel, maar niet door architect H.P. maar door diens dochter A.C., zoals te zien is op het afgebeelde omslag op de volgende bladzij. De voorkant van een prentbriefkaart is volgens het onderschrift op p. 492 van 23 oktober 1923, maar de achterkant is gedateerd 21 oktober blijkens de afbeelding op de tegenoverliggende bladzij.

Enzovoort.

‘Ik zou wensen dat iemand eindelijk De Haans volwaardige biografie zou schrijven’ staat op het stofomslag van Onrust. De wens van criticus Hans Renders is bedoeld als een aanbeveling voor Fontijns biografie, maar ik zie het eerder als een aansporing voor een toekomstige biograaf. In de tussentijd moeten we het met Onrust doen, verrijkt met bovenstaande verbeteringen.

 

Rob Delvigne