Het grensgebied tussen de literatuur en de documentaire

De verhouding tussen fictie en werkelijkheid wordt door schrijvers en wetenschappers voortdurend onderzocht, bediscussieerd en op de proef gesteld. In sommige periodes treedt de interactie tussen beide meer op de voorgrond dan in andere. Dat geldt bijvoorbeeld voor de eerste decennia van de twintigste eeuw, waarin literaire werken nadrukkelijk in dialoog gaan met documenten uit andere genres: met oorlogsdagboeken bijvoorbeeld, en met kranten of archiefmateriaal. De literatuur raakt daardoor in die tijd niet alleen sterk verweven met de disciplines van de geschiedschrijving, de biografie of de journalistiek, zoals blijkt uit het werk van Erich Maria Remarque of George Orwell. Ook niet-tekstuele documenten komen veel prominenter naar voren dan eerder het geval was: Bertolt Brecht en Alfred Döblin spelen in hun literaire werk met genres als fotografie en film, de laatste deed dat bijvoorbeeld in zijn bekende werk Berlin Alexanderplatz (1929), waaraan in de voorliggende bundel een hoofdstuk gewijd is. De literatuur uit de periode van de avant-garde en het modernisme is dan ook bekend geworden vanwege de veelgebruikte montage- en collagetechnieken en de typografische experimenten.

De bundel Literature as document verscheen in 2019 en is een weerslag van een internationaal congres dat in 2012 plaatsvond aan de KU Leuven, waarbij ook een tentoonstelling werd ingericht over visuele cultuur in de jaren 1930. Deze twee activiteiten vormden tevens het startpunt van een vijfjarig onderzoeksproject, dat met de publicatie van deze bundel is afgesloten. De bundel bestaat uit een paar inleidende en conceptualiserende hoofdstukken en vervolgens acht gevalstudies, waarin de auteurs de relatie onderzoeken tussen één of meerdere literaire werken en de ‘documenten’ die de schrijvers van het bestudeerde werk hebben geïnspireerd. De literaire tekst geldt hierbij dus telkens als uitgangspunt, methodologisch richt deze bundel zich overwegend op tekstanalyse, waarbij de auteurs op zoek gaan naar intertekstuele en intermediale verbanden.

Het begrip ‘document’ wordt in deze bundel zeer ruim opgevat en kan op van alles betrekking hebben, zelfs op geluiden (‘soundscapes’, p. 45) en personages (‘characters as social documents’, p. 54). Die brede scope vraagt wel om de nodige theoretische reflectie en inkadering. In de inleiding onderzoeken de auteurs Carmen Van den Bergh, Sarah Bonciarelli en Anne Reverseau welke mogelijke relaties teksten en documenten met elkaar aangaan en verkennen ze het grensgebied tussen literatuur en de documentaire. Literaire teksten gelden als historische bron, schrijven ze, maar tegelijkertijd vormen fictie en werkelijkheid elkaars tegengestelde. Dat spanningsveld vormt de leidraad van de bundel. De interessante bijdrage van Remo Ceserani (‘The difference between “Document” and “Monument”’) behandelt vervolgens de historische verhouding tussen de begrippen ‘document’ en ‘monument’. Aan de hand van teksten van onder anderen Hippolyte Taine, Michel Foucault, René Wellek, Pierre Bourdieu en ook hedendaagse onderzoekers als Raffaele Donnarumma onderzoekt hij hoe de relatie tussen fictie en werkelijkheid zich in de ogen van filosofen, historici en literatuurwetenschappers ontwikkeld heeft. Ceserani stelt vast dat er in de twintigste eeuw – om met de Franse historicus Jacques Le Goff te spreken – een ‘documentarian revolution’ (p. 16) heeft plaatsgevonden, die ervoor zorgde dat non-fictie de voorkeur kreeg boven werken die aan de verbeelding waren ontsproten. Paradoxaal genoeg hebben de canoniseringsprocessen die in de negentiende eeuw waren ingezet, hieraan bijgedragen. Door constant nieuwe lijstjes te maken van (literair) erfgoed, heeft de canon gaandeweg zijn universele waarde verloren. Dit werkte het onderscheid tussen documenten en fictie, tussen werkelijkheid en verbeelding in de hand. Tegelijkertijd kan waarheidsvinding niet alleen leunen op documenten, al zijn het er honderden, zo schrijft Ceserani, want daar zijn toch altijd zowel historische bronnen als interpretatoren voor nodig. Zo houden literaire teksten en documenten elkaar voortdurend in een ijzeren greep, laat zijn hoofdstuk zien.

Verrassend is de bijdrage van Gunther Martens en Thijs Festjens, die de ‘acoustic turn’ als uitgangspunt nemen voor hun onderzoek. Ook al zijn geluiden veel minder goed gedocumenteerd in de geschiedenis, dat betekent niet dat ze in de literatuur niet terug te vinden zijn, zo schrijven de onderzoekers. De ‘acoustic turn’ had betrekking op het verwerken van (uitgeschreven) geluidseffecten in romans en was erop gericht een meer waarheidsgetrouwe weergave van de werkelijkheid te kunnen geven. Op basis van twee teksten van Ernst Jünger (Storm of steel, 1920) en Irmgard Keun (The artificial silk girl, 1932) laten Martens en Festjens zien dat de auteurs het gebruik van akoestische en literaire strategieën in hun werk combineren. In het geval van Ernst Jünger gaat het over geluiden die tijdens de Eerste Wereldoorlog te horen waren op het slagveld, waarbij tussen de regels doorlopend het besef meespeelt dat het hebben van een goed gehoor een kwestie was van leven of dood. Geeft Jüngers roman een ‘soundscape’ van oorlog, Keuns roman geeft die van de metropool Berlijn. Dit werk is volgens de onderzoekers ‘a vivid archive of anything to be heard and seen at the time’ en wordt dan ook gezien als een voorbode van de Duitse popliteratuur van de jaren 1960 en 1990.

Deze bundel lijkt op het eerste gezicht een vrijblijvend samenraapsel van bijdragen over de Westerse literatuur uit de jaren 1920 en 1930, maar dat is zeker niet het geval. Doordat alle auteurs in deze bundel een vergelijkbare methodologie hanteren, namelijk tekstanalyse, krijgt de lezer gaandeweg oog voor allerlei dwarsverbanden tussen literaire teksten en documenten die eerder verborgen bleven. Het zijn allemaal doorwrochte, intelligent geschreven studies die het spectrum van onderzoek over deze periode op een zinvolle wijze verbreden en verdiepen door aandacht te besteden aan de verhouding tussen fictie en werkelijkheid. De studies werpen bovendien een nieuwe blik op de periode van het modernisme, omdat de gekende technieken van collage en montage in deze bundel ook met andere informatiedragers dan tekst worden verbonden, zoals met beeld en geluid. De grootste winst van deze bundel is wel dat deze verrassende invalshoeken aanzetten tot het lezen en herlezen van de besproken werken.

Janneke Weijermars

Carmen Van den Bergh, Sarah Bonciarelli & Anne Reverseau (eds.), Literature as document. Generic boundaries in 1930’s Western Literature. Textxet. Studies in comparative literature, volume 90. Leiden/Boston: Brill/Rodopi, 2019. 204 p.

Nog maar weer eens over porno

In een opiniebijdrage aan het tijdschrift Internationale Neerlandistiek uit 2015 wijzen Feike Dietz en Laurens Ham op het de laatste jaren veelvuldige uitkomen van ‘publieksboeken waarin de aanstootgevende kant van de (historische) Nederlandse letterkunde werd belicht’ (Dietz & Ham 2015: 213). Als voorbeelden noemen ze onder meer Venus in minirok van Piet Calis (2010) en de bundels Pornografie in de Nederlandse literatuur (Van Driel & Honings 2012) en Schokkende boeken! (Honings, Jensen & Van Marion 2014). Dietz en Ham zien deze trend als symptomatisch voor de wijze waarop (historisch-)letterkundigen anno nu geneigd zijn hun vak te ‘verkopen’ aan een breder publiek, namelijk door een voorondersteld onjuist beeld van de Nederlandse literatuur dat dit publiek zou hebben bij te stellen, waarbij het er vooral om gaat ‘een onvermoede kant van de (oudere) letterkunde’ te laten zien (Dietz & Ham 2015: 219).

Bij het lezen van de bundel Gewaagde geschriften. Interacties tussen pornografie en literatuur in Vlaanderen en Nederland (2019), uitgekomen in de reeks ‘Studies over experimentele literatuur’ van het gelijknamige Gents-Brusselse onderzoekscentrum, moest ik regelmatig aan het artikel van Dietz en Ham denken. Ook deze uitgave, onder redactie van Karen Van Hove en Bart Vervaeck, lijkt zich namelijk te plaatsen binnen bovengenoemde trend ‘om een breed publiek te laten zien hoe “schokkend” en pikant Nederlandse literatuur kan zijn’ (Dietz & Ham 2015: 213), al is dat brede hier misschien minder evident, gezien de relatief sterke focus op de close reading van literaire teksten en het algehele karakter van de reeks waar Gewaagde geschriften deel van uitmaakt. Niettemin is de premisse van deze studie wel degelijk dat pornografie en (hoge) literatuur in beginsel onverenigbaar zijn en dat het bespreken van die twee in combinatie met elkaar derhalve vernieuwend, misschien zelfs gewaagd is. Dit blijkt uit de titel van de bundel en uit het feit dat Van Hove en Vervaeck in hun inleiding stellen dat ‘de nevenschikking van “literatuur” en “pornografie” geenszins voor de hand [ligt]. […] Geschreven pornografie wordt doorgaans beschouwd als een vorm van pulp- of sensatieliteratuur, en wordt dus tot de “lage” pool van de culturele productie gerekend.’ (4)

Met die laatste beweringen is op zichzelf weinig mis, natuurlijk. Toch riep dat benadrukken van zowel het ‘onliteraire’ als het gewaagde van pornografie bij mij enige wrevel op. Wordt de tegenstelling tussen hoge en lage cultuur, ‘echte’ literatuur en pulp, niet al sinds de jaren tachtig driftig bevraagd en gedeconstrueerd door onderzoekers? En bestaat er bijgevolg inmiddels geen eerbiedwaardige traditie van studies naar die vermeende pulp, waaronder pornografie? Is het, met andere woorden, nu niet eens tijd om afscheid te nemen van sleetse labels als ‘gewaagd’, ‘schokkend’ en ‘pikant’? Wat mij betreft zijn die net iets te vaak gebruikt om ons vak op een wat geforceerde manier spannend te doen overkomen. Bovendien wordt hierdoor, ironisch genoeg, het al heersende Calimero-complex van de neerlandistiek alleen maar versterkt. Alsof we slechts bestaansrecht hebben zolang we het publiek weten te choqueren of verrassen. Alsof het veelvuldige voorkomen van seks of andere ‘gewaagdheden’ het enige is dat de Nederlandse literatuur het bestuderen waard maakt.

Ik wil met dit alles geenszins beweren dat een bundel over pornografische literatuur binnen het huidige onderzoekslandschap per definitie overbodig of oninteressant is. In Gewaagde geschriften staat de twintigste-eeuwse pornografische en semi-pornografische literatuur binnen het Nederlandse taalgebied centraal. Daarmee onderscheidt de bundel zich van de meeste andere titels in dit genre, die het accent eerder op de periode vóór 1900 leggen. Een tweede, eveneens onderscheidende focus is die op experimentele literatuur, verklaarbaar vanuit de reeks waarbinnen deze uitgave is verschenen en de expertise van de redacteurs. Er valt, kortom, nog voldoende nieuws te leren.

Vooral de Vlaamse auteur C.C. Krijgelmans krijgt veel aandacht. Hij is, in de woorden van Van Hove en Vervaeck, ‘in de kwestie van pornografie en literatuur een schakel- en scharnierfiguur […] hij is tegelijk een experimenteel, neo-avant-gardistisch auteur en een pornograaf.’ (7) Twee artikelen, van Evelien Neven en Karen Van Hove, zijn aan hem gewijd. In beide staat de spanning tussen Krijgelmans als vormvernieuwer en als producent van plat vermaak centraal. Daarnaast bevat Gewaagde geschriften ook nog een voorpublicatie van een nooit-uitgegeven tekst van Krijgelmans die binnenkort bij uitgeverij Het balanseer zal verschijnen, met een inleiding van uitgever Kris Latoir. Deze vier bijdragen vormen zowel inhoudelijk als structureel het hart van de bundel.

Hieromheen vinden we enkele meer cultuurhistorisch getinte bijdragen aan de voorzijde, en een aantal close readings van individuele literaire teksten aan de achterkant. Globaal wordt daarbij een chronologische lijn gevolgd, te beginnen met een nogal beschrijvend artikel van Bert Sliggers, over Tweede Wereldoorlog-porno in een aantal romans en strips uit de jaren vijftig en zestig – compleet met kampbeulen als sm-meesters – en eindigend met een fraaie diepteanalyse van de rol van het pornografische in de ‘roman in verhalen’ Als op de eerste dag (2001) van Stefan Hertmans, van de hand van Bart Vervaeck.

De kwaliteit van de artikelen is wisselend. Sommige, zoals dat van Vervaeck, maar bijvoorbeeld ook de bijdrage van Siebe Bluijs en Bram Ieven over de betekenis van pornografie in het befaamde gedicht N30 (2011) van Jeroen Mettes, bieden relevante nieuwe inzichten aangaande de functie en doorwerking van het pornografische in de hedendaagse Nederlandse literatuur en vormen zo een bruikbaar referentiepunt voor toekomstig onderzoek. Andere teksten missen scherpte. Dat geldt voor het artikel van Sliggers, maar sterker nog voor dat van Gert Hekma. Diens bijdrage neigt teveel naar het verongelijkte en pamflettistische om echt te overtuigen, hoewel hij een relevante kwestie op tafel legt, namelijk dat het label ‘pornografisch’ in de recente geschiedenis maar al te vaak is ingezet om afwijkende vormen van seksualiteit, zoals homofilie, te onderdrukken.

Voorts bevat Gewaagde geschriften een viertal artikelen dat geschreven is door jonge onderzoekers van de Katholieke Universiteit Leuven. Naast de al genoemde Karen Van Hove en Evelien Neven leverden ook Bram Lambrecht en Thomas Pierrart een bijdrage. Hun teksten zijn stuk voor stuk helder en degelijk, al ogen ze soms ook wel wat schools. Tenslotte is er dan nog een tamelijk vrijblijvend relaas van de voormalige ‘pornokoning’ Peter J. Muller, die herinneringen ophaalt aan zijn tijd als uitgever van het pornoblad Candy.

Al met al leidt deze bundel aan een euvel waaraan wel meer wetenschappelijke bundels leiden: een gebrek aan samenhang. Als geheel ontbeert Gewaagde geschriften een conceptuele rode draad die stevig genoeg is om de losse bijdragen samen te binden en als overkoepelend programma te dienen. Wat rest zijn een aantal goede artikelen, met regelmatig prikkelende interpretaties van bekende en minder bekende primaire werken, die een relevante aanvulling vormen op wat we al wisten over de rol en betekenis van pornografie binnen de Nederlandse letteren.

Ivo Nieuwenhuis

Karen Van Hove en Bart Vervaeck (red.), Gewaagde geschriften. Interacties tussen pornografie en literatuur in Vlaanderen en Nederland. Gent: Academia Press, 2019. Studies over experimentele literatuur 12. 218 pp. ISBN: 9789401459259. € 34,99

Calis 2010 – P. Calis, Venus in minirok. Seks in de literatuur na 1945. Amsterdam: Meulenhoff, 2010.

Dietz & Ham 2015 – F. Dietz & L. Ham, ‘De verleiding van de lezer. Wetenschapscommunicatie over oudere Nederlandse letterkunde’. In: Internationale neerlandistiek 53 (2015) 3, p. 213-227.

Van Driel & Honings 2012 – J. van Driel & R. Honings (red.), Pornografie in de Nederlandse literatuur. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2012.

Honings, Jensen & Van Marion 2014 – R. Honings, L. Jensen & O. van Marion (red.), Schokkende boeken! Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2014.

 

Luceberts postume schandaal

De openbaring in de biografie van Wim Hazeu van een reeks brieven die Lucebert (toen nog Bertus Swaanswijk) in 1943-44 op negentienjarige leeftijd schreef aan jeugdvriendin Tiny Koppijn bracht in 2018 een golf van geschokte reacties teweeg in de Nederlandse literaire wereld. In de brieven gaf Swaanswijk uiting aan nazisympathie, liet hij allerhande antisemitische oprispingen de vrije loop en ondertekende hij soms met ‘Heil Hitler.’ Het leidde tot een lange reeks van artikelen, brieven en debatten in onder andere de NRC, De Groene Amsterdammer en Buitenhof, waarin de dichter gepassioneerd werd verketterd, dan wel werd verdedigd of waarin genuanceerd werd gesteld dat we werk van auteur dienen te onderscheiden. De bundel Door de schaduwen bestormd biedt zowel een reeks van reflecties op de onthullingen zelf, als ook een reactie op de controverse in de media, en vormt een getuigenis van de impact die beiden hadden op een groep jonge, bevriende literatuurwetenschappers en neerlandici uit (voornamelijk) Leiden. Centraal is de vraag, gesteld door Tommy van Avermaete (met Yi Fong Au de redacteur van de bundel), in een van de eerste brieven: wat moeten ‘wij’ – hedendaagse Lucebertlezers – nu met deze kennis doen? Hoe moeten we hem vanaf nu lezen?

Het project begon als een kettingbrief, geschreven allereerst door Andrew Ricca (de enige brief in het Engels), waarop Tommy van Avermaete en Jessie de Geus reageerden, gevolgd door onder andere Esther Edelmann, Nike van Helden en Thalia Ostendorf. Deze brieven, geschreven tussen maart 2018 en januari 2019, waren expliciet gericht aan lezers die elkaar kenden (elke volgende brief kent een langere aanhef totdat de dertiende en laatste opent met ‘Beste Andrew, Tommy, Jessie, Tessa, Frans-Willem, Esther, Marijke, Nike, Hubertus, Lieke, Bram en Thalia’). De brieven werden direct geplaatst in het online tijdschrift SKUT en worden in deze bundel integraal weergegeven en aangevuld met nieuwe essays van o.a. Sander Bax, Piet Gerbrandy, Cyrille Offermans en Elsbeth Etty, een reeks van reproducties van tekeningen van Lucebert, en een nieuw interview met Wim Hazeu waarin hij gevraagd wordt terug te kijken op de affaire.

Het meest levendige gedeelte van de bundel is de 103 pagina’s tellende kettingbrief, die, zoals het een brief die circuleert onder vrienden betaamt, vooral zoekend, vragend en aftastend is. Elke brief begint bijna verontschuldigend met de vraag naar de juiste toon waarop dit debat gevoerd kan worden en een expliciet verlangen om, zoals Jessie de Geus het stelt, te ontkomen aan de beperkte keuzemogelijkheden die de media-discussie steeds weer lijkt te presenteren. Lucebert wordt ofwel gezien als ‘halve oorlogsmisdadiger’, of zijn antisemitische uitlatingen worden gezien als het product van een ‘jeugdzonde, een vergissing waarbij hij uiteindelijk niemand echt in gevaar heeft gebracht’. (27) Daarnaast reflecteren de meeste brieven op de controverse zelf, en de huidige mediasituatie waarin deze uitgespeeld wordt. Zo neemt Frans-Willem Korsten afstand van de ‘afrekencultuur’ en de verleidelijkheid van het mediagenieke spektakel waarin een Literaire Held van zijn voetstuk wordt getrokken (37), terwijl Tessa de Zeeuw constateert dat de meningen die op twitter samenkoekten rond de hashtag #Lucebert overwegend de dichter ‘verdedigen’ tegen de ‘aanval’ van zogenaamde ‘fatsoensrakkers.’

De Zeeuw stelt daarbij de vraag of deze defensieve houding, waarbij de twitteraars zich vooral lijken te identificeren met de dichter, niet ook het product is van de mediale ruimte (Twitter) waarin de discussie gevoerd wordt, die een specifieke vorm van spreken afdwingt. ‘Misschien moeten we zoeken naar een manier om over het vraagstuk te praten zonder dat we verlangen naar antwoorden,’ stelt ze. ‘Maar de vraag is in wat voor soort ruimte, of in wat voor vorm kan zo’n gesprek plaatsvinden? In welke vorm kunnen “lezen” en “denken” naast diepgang en complexiteit ook een noodzakelijke openheid behouden?’ (34). Het schrijven van een kettingbrief, die semi-openbaar circuleert onder vrienden, zo stelt De Zeeuw, is een poging om een alternatieve ‘ruimte’ te creëren, ‘omdat die als keten per definitie de individuele auteurs ontstijgt en potentieel zonder einde of conclusie is…’ (35).

Deze brieven worden aangevuld met een reeks van essays waarin verschillende onderwerpen, aangesneden door de brieven, worden uitgediept. Sommigen daarvan (zoals die van Offermans en Beurskens) gaan op een kritische manier in op de biografie van Hazeu. Elsbeth Etty verwijt Hazeu bijvoorbeeld dat de ontoegankelijkheid van de volledige correspondentie tussen Swaanswijk en Koppijn, en Hazeu’s gebrekkige notenapparaat en onvolledige verantwoording het voor andere lezers onmogelijk heeft gemaakt om zijn uitspraken te controleren en de brieven in hun juiste context te lezen, waardoor een afgewogen oordeel onmogelijk is geworden. Dit lijkt me een vanuit wetenschappelijk oogpunt valide kritiek. In het interview reageert Hazeu (die vooraf had aangegeven niet met Etty in debat te willen) kortweg dat pragmatische overwegingen, zoals afspraken met de eigenaar van de correspondentie, een dergelijke openheid onmogelijk maakt. Ook dat lijkt me een valide punt.

Interessanter dan deze discussie vond ik de essays die het latere werk van Lucebert proberen te herlezen op een manier die programmatisch verwoord wordt door Sven Schaepkens, die oproept om de brieven van de jonge Swaanswijk te interpreteren met behulp van de gedichten van Lucebert (en andersom) waardoor ‘een wisselwerking tussen heden en verleden [ontstaat] waardoor ze elkaar wederkerig openbreken.’ (111) Een prachtig voorbeeld daarvan is het essay van Sander Bax, waarin hij de brieven van Swaanswijk leest aan de hand van Klaus Theweleits analyse van de correspondentie van de Duitse leden van de proto-fascistische Vrijkorps, die gedreven worden door angsten voor lichamelijkheid, besmettingen, en angst voor modder, slijm, stront, ‘vloeibare en smerige elementen die zich voordoen aan of in nabijheid van het eigen lichaam’ (125), en masculiene fantasieën over ‘harde’ collectieve lichamen van het leger en de geïdealiseerde natie – angsten, beelden en fantasieën die ook terug te vinden zijn in Swaanswijk’s brieven. Bax stelt daarna de vraag of het latere werk van Lucebert, en zijn fascinatie met wat Cyrille Offermans ‘de vlek’ noemt – ‘een vormloos worden, desintegreren, verpulveren, vergaan tot stof, aarde, modder, walm, lucht’ – niet begrepen moet worden als een reactie, juist op het cluster van fantasieën uit zijn jeugd (144-145).

Siebe Bluijs maakt een vergelijkbaar gebaar, als hij in het relatief obscure Lucebert-hoorspel De perfecte misdaad (1955) een specifieke reflectie ziet op zijn vrijwillige dienstneming in de Duitse wapenindustrie, terwijl Niels Molenkamp voorstelt om juist het hardnekkige latere zwijgen van Lucebert te zien als een paradoxale getuigenis van zijn oorlogsverleden. In een essay dat geïnspireerd is door de essay van Shoshana Felman over het zwijgen van literatuurwetenschapper Paul de Man over zijn oorlogsverleden uit haar boek Testimony (1992), laat Molenkamp zien dat de preoccupatie met ‘zwijgen’ en het ‘onuitspreekbare’ (centrale motieven in een aantal gedichten van Lucebert) als het ware een poëtische verklaring bieden voor de verantwoording die de dichter zelf nooit expliciet aflegde. Luceberts zwijgen wordt daardoor leesbaar als en getuigenis van het ‘onverantwoordbare’ van zijn jeugdbrieven, en een poging het veroordelende ‘geklets’ te doorbreken dat het verleden juist op afstand plaatst, en daardoor onzichtbaar maakt hoe het heden vervlochten is met het verleden.

De oproep in de kettingbrief om het oordeel op te schorten heeft in de beste gevallen (Bax, Bluijs, Molenkamp) geleid tot interpretaties die inspirerend en origineel zijn en die uitnodigen om het werk van Lucebert opnieuw te lezen. De ‘zaak’ Lucebert zal daar natuurlijk niet mee gesloten worden, en ik kan me voorstellen dat dit niet voor alle lezers bevredigend zal zijn. De essays van Shoshana Felman en Jacques Derrida over Paul de Man’s oorlogsverleden werden in de jaren negentig ook gezien weigeringen van de auteurs om zich kritisch uit te spreken over de Belgische literatuurwetenschapper, en zelfs als symptomen van de onmogelijkheid van (deconstructieve en psychoanalytische) literatuurtheorie om überhaupt politiek stelling te nemen.

En, om eerlijk te zijn, ook voor mij (bewonderaar van Lucebert maar geen fanboy) blijft na lezing van de vele citaten uit de brieven een ‘smaakje’ aan het werk Lucebert kleven dat niet geheel wordt weggespoeld door de essays. Ik ben bang dat het oproepen van de ‘Boreale’ mythologie door Thierry Baudet na zijn verkiezingsoverwinning in maart 2019 aantoonde dat de fantasieën over een zuivere Europese cultuur, waar ook Swaanswijk van droomde, helaas wat minder gedateerd zijn dan velen hoopten. Hierdoor is het misschien, anno 2019, wel degelijk nodig om wat explicieter te breken met het giftige cluster van fantasieën dat ook Swaanswijk besmette – zij het in andere ‘ruimtes’ dan die van de kettingbrief. Zoals Bram Ieven stelt in zijn brief: literatuur is een terrein van complexiteit, het ‘rukt de ene na de andere grond onder onze voeten weg’ (83), en laat ons achter zonder moreel kompas – terwijl een politiek engagement altijd roept om een beslissing, een oordeel en een uitspraak. ‘Dat is engagement volgens mij,’ schrijft Ieven, ‘doordrongen zijn van complexiteit en toch handelen.’ En ondanks de openheid van het boek, miste ik op momenten ook een oordeel, een beslissing, een geëngageerde uitspraak.

Desondanks is dit een bundel die inspireert, vragen stelt en in zijn genuanceerdheid de lezer uitnodigt om haar eigen brief over Lucebert aan deze keten toe te voegen. Het laat daardoor op voorbeeldige wijze zien dat een discussie over literatuur nog steeds de kracht heeft om een ruimte te openen waarin gezocht kan worden naar complexiteit en gesproken kan worden op een toon die afwijkt van de beperkingen die de (sociale) media opleggen. Het feit dat dit gesprek me bovendien terugbracht bij Lucebert (na lezing trok ik de bundels weer uit de kast) laat bovendien zien dat een door het heden geïnspireerde discussie nodig is om een literair werk in leven te houden. Zoals Lieke Smits stelt (op p. 79): een literair werk is het product van een historische context, maar het overstijgt deze altijd na publicatie. Elke literaire tekst is als een gevonden brief (of een online gepubliceerde kettingbrief). Het spreekt tot meer lezers dan de expliciet geadresseerden en belandt steeds (met een plof) in een nieuwe context, waardoor de golven van emoties, gedachten en reacties die het oproept het ook weer nieuw leven inblazen.  Je zou – kortom – elke dichter haar eigen postume schandaal toewensen.

Yasco Horsman

Yi Fong Au & Tommy van Avermaete, Door de schaduwen bestormd. Reflecties op de controverse rond de oorlogsjaren van Lucebert. Zaandam: Uitgeverij Oevers, 2019. 316 pp. ISBN: 978 94 920 6826 2. €19,95.