Het ‘nouveau journal’

Bijna vijftig jaar na de contestatiegolf van mei ’68 verschijnt Het ‘nouveau journal’ (2017) van Matthieu Sergier: een onderzoek naar experimenten met het dagboekgenre in de Nederlandstalige literatuur van de jaren zestig en zeventig. Sergiers studie duidt niet enkel de ‘singulariteit’ van zulke dagboekexperimenten, of wat dat soort teksten van andere onderscheidt, zijn focus haalt ook een onderbelicht genre uit de vergetelheid. Het ‘nouveau journal’, het negende deel in de boekenreeks van het Studiecentrum voor Experimentele Literatuur (SEL), is een mooie illustratie van het subversieve potentieel van (experimenten met) een literair genre in de marge.

De exemplarische teksten die in Het ‘nouveau journal’ aan bod komen zijn dagboekexperimenten van Daniël Robberechts, Maurice Gilliams, Paul De Wispelaere, Jeroen Brouwers, Ivo Michiels en Willy Roggeman. Voordat Sergier die casestudy’s uitwerkt, bakent hij zijn onderzoeksobject af. Als verzamelnaam voor de dagboekexperimenten die in zijn studie centraal staan, gebruikt hij ‘nouveau journal’, een term van Hans Vandevoorde (2009), waarmee Sergier ‘verwijs[t] naar een tijdgebonden esthetische tendens in de Nederlandstalige literatuur’ (4). Sergier toont meteen dat die tendens meer is dan enkel “esthetisch”: het experimentele dagboek speelt zowel met vormelijke als inhoudelijke kenmerken van het traditionele dagboek. Die traditionele kenmerken zet Sergier helder uiteen; op formeel vlak onderscheidt hij discontinuïteit (een reeks fragmenten die elk een gebeurtenis, meestal één dag, beschrijven), respect voor de kalendertijd, de afwezigheid van begin en einde, en de overeenstemming tussen schrijver, verteller en hoofdpersonage. Inhoudelijke elementen die vaak in een dagboek voorkomen, zijn de focus op persoonlijke ervaring van de auteur, de veronderstelde intimiteit en de daarmee gepaard gaande openheid (‘zelfs [de] intiemste gedachten lopen sowieso het gevaar om gelezen te worden’ (7)), de constructie van een tekstueel zelfbeeld (of ‘ethos’), de korte afstand tussen vertellen en het gebeurde, en het idee van een traject dat wordt afgelegd. Ook de manier waarop dat traject in taal vorm krijgt, staat in het traditionele dagboek centraal.

Spel en constructie, dat is wat het nouveau journal onderscheidt van zijn traditionele voorganger. Volgens Sergier is dit ‘experimentele schrijversdagboek een bewuste constructie, een gearrangeerde en gestileerde tekst’ die vooral reflecteert op het schrijven zelf (8). De manipulatie van traditionele inhoudelijke en formele dagboekkenmerken kan daarbij zo ver gaan dat de lezer de tekst maar moeilijk als dagboek herkent. Zoals in het traditionele schrijversdagboek staan het ethos en de ervaring van de tijd centraal in het nouveau journal; in tegenstelling tot zijn traditionele voorganger benadrukt het nouveau journal de status van het zelf en de tijd als constructie.

Dat experimentele schrijvers in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw experimenteren met het dagboekgenre is geen toeval; Sergier plaatst de toevlucht tot het marginale genre zowel in zijn historische als theoretische context. Op historisch vlak passen experimenten met het dagboekgenre perfect in de contestatiegeest van de jaren zestig. Zo kan het dagboek zelf gezien worden als een subversief genre waarin vooral minderheidsgroepen een alternatieve werkelijkheid beschrijven. Daarnaast laat het genre veel vrijheid toe. Met hun nadruk op discontinuïteit, het schrijfproces en de constructie van een (versplinterd) “ik”, zijn dagboekexperimenten ideaal om het lineaire tijdsbegrip, en daarmee het heersende vooruitgangsdenken, uit te dagen.

Sergier verbindt het nouveau journal met de nouveau roman en de nouvelle critique. Doorslaggevend is Roland Barthes’ bespreking van nouveau romancier Robbe-Grillets Les gommes (1953). Daarin zou Barthes een nieuwe schriftuur bespreken die toont dat zelfs wat schijnbaar onpersoonlijk, objectief beschreven is, toch van subjectiviteit doordrongen is. Het experimentele dagboek zou dan ook een uitmuntend genre zijn om subjectiviteit en ‘het ethos, problematischer dan ooit’ nauwgezet onder de loep te nemen (13). Op die manier beschrijft Sergier – duidelijker dan Vandevoorde die voor hem het nouveau journal onderzocht – het verband tussen de nouveau roman en het nouveau journal; een verband dat door de naamsgelijkenis onmogelijk genegeerd kan worden.

Naar analogie van zijn onderwerp volgt Sergier theoretici wier theorieën – in vergelijking met die van Barthes en Jérôme Meizoz – minder populair werden. Zo gebruikt hij het paratopie-concept van Dominique Maingueneau om de ‘paradoxale ruimte van waaruit de schrijver vormgeeft aan zijn eigen auctoriële autoriteit’ te beschrijven (16). Daarnaast staat het ethosconcept centraal als een tekstuele subcategorie van Meizoz’ postuur, dat de constructie van een zelfbeeld binnen en buiten de tekst omvat (13-14). Met de term ‘symptoom’ (de aanwezigheid, het spoor van een eerder moment dat in het moment van schrijven binnendringt) verwijst Sergier naar het anachronistische karakter van experimentele dagboeken waarin verschillende tijdsopvattingen met elkaar botsen (18).

Vanuit dat kader onderzoekt Het ‘nouveau journal’ een voordien onderbelichte experimentele tendens. Vóór Sergier wijdde Hans Vandevoorde enkele artikels aan de Nederlandstalige dagboekexperimenten van zestig en zeventig. Vandevoorde maakt een onderscheid tussen fictieve dagboeken, non-fictie dagboeken en het nouveau journal – een mengsoort of ‘encyclopedisch dagboek’, dat meer reflecteert over het schrijven en “bewuster” bewerkt is dan het fictiedagboek. Zelf-reflexieve dagboeken worden echter beschreven onder de titel ‘fictiedagboek’ of ‘dagboekromans [met] speciale vorm’ (2009: 49-50). Sergier vermijdt dergelijke begripsverwarring door zijn onderzoeksobject historischtheoretisch te situeren en door een eenvoudig onderscheid te maken tussen ‘schrijversdagboeken’ en ‘experimentele schrijversdagboeken’, de zogenaamde ‘nouveau journalen’.

Hoe bruikbaar een overzichtelijk onderscheid ook kan zijn, iedere categorisering loopt het risico op reductie. Sergier weet die valkuil echter te vermijden door genres, in navolging van Lars Bernaerts, vanuit een cognitief standpunt te benaderen. Zo is het dagboekgenre geen vaste verzameling van kenmerken, maar wel een systeem van kenmerken met semantische, syntactische en pragmatische voorkeuren, wat resulteert in prototypes; ieder individueel dagboek bestaat uit een selectie van die kenmerken, maar zal nooit samenvallen met het prototypische dagboek, dat alle kenmerken bevat (5).

Sergiers benadering mag dan wel toepasbaar zijn op de uiteenlopende teksten die hij in Het ‘nouveau journal’ analyseert, het losse theoretische kader heeft als nadeel dat het kan worden toegepast op nagenoeg iedere literaire tekst. Zijn analyses volgen ‘geen strak toegepast stappenplan’, maar gaan uit van het ‘principe dat tekststudie voortkomt uit de ontmoeting van respectvolle lezer en een singuliere tekst’ (17). Door die methode dreigen Sergiers casestudy’s soms focus te verliezen. Hij hanteert de ‘sterke begrippen’ (17) uit zijn theoretische kader wel erg los in de casestudy’s. Zo wordt een ‘ethos’ dan eens formeel-thematisch geanalyseerd op basis van een dagboekprocedé (in de analyses van De Wispelaere, Michiels en Roggeman) dan eens thematisch op basis van een dagboekfragment (in de analyse Brouwers).

De vraagstelling die Sergier aan het einde van de inleiding introduceert, zorgt echter voor een duidelijke lijn in zijn studie. Door te focussen op de manier waarop ‘een tekst de lezer uitnodigt tot een specifieke lectuur van het ethos die het toestaat om het auteursbeeld op te vatten als een uitdaging van een lineaire tijdsopvatting’ slaagt Sergier in zijn opzet om de singulariteit van het nouveau journal in verschillende teksten te ontsluiten (17). Zijn analyses tonen wat een experimenteel dagboek vermag door het te verbinden met de tijdgeest en de poëtica van schrijvers. Zo heeft Sergier respect voor het nouveau journal als tijdgebonden tendens én als individuele tekst.

De analyse van Daniel Robberechts’ Dagboek ’64-’65 (1894), Dagboek ’66-’68 (1987), Dagboek ’68-’69 (2010) en De grote schaamlippen (1969) illustreert hoe dagboekexperimenten vormgeven aan een ‘ethos dat in dienst staat van een postuur’ (24). Waar de analyse eerst focust op thematische ingrepen, parateksten en Robberechts’ (extra-tekstuele) postuur, concentreert het grootste deel zich op het formeel-thematisch spel met dagboekkenmerken, zoals symptomen, de gemarkeerde vertelling en de tijdsaanduiding. Het is die formeel-thematische analyse die, in de context van het spel met dagboekkenmerken, het best de singulariteit van het dagboekexperiment aantoont. Meer dan in het hoofdstuk over Robberechts komt in het Brouwershoofdstuk de analyse van formeel-thematische kenmerken op de tweede plaats. Zo bestudeert Sergier eerst Brouwers’ filiaties in het kunstenaarsmilieu en zijn poëtica-gerichte postuur. Het ethos dat daarbij aansluit, beschrijft hij aan de hand van een dagboekfragment uit Groetjes uit Brussel (1969). Pas in de laatste bladzijden heeft Sergier oog voor experimenten met dagboekprocedés zoals de structuur van het boek die de lineaire tijd problematiseert (73).

Maurice Gilliams’ De man voor het venster (1942) construeert een ethos dat bijdraagt tot een postuur dat de (lichamelijke) schrijver overleeft. In zijn analyse heeft Sergier vooral oog voor de parallellen tussen Gilliams’ zelfportret voor het titelblad, de schilderijen van Henri De Braekeleer die Gilliams in zijn tekst opneemt en bespreekt, en het ethos dat uit Gilliams’ tekst spreekt. Opvallend genoeg doet Gilliams met schilderijen hetzelfde als wat Sergier doet met schrijversdagboeken: zowel Gilliams als Sergier analyseren het ethos dat het werk van de kunstenaar uitdraagt. Sergier presenteert Gilliams’ analyse van De Braekeleers schilderijen terecht als een ‘handleiding voor wie een of ander stuk zou willen schrijven over Gilliams en zijn oeuvre’ (38). Dat Gilliams’ bespreking ook kan gelden als metacommentaar die de status van zijn eigen ethos als constructie in de verf zet, ziet Sergier jammer genoeg over het hoofd.

In de sterkste casestudy’s lijkt Sergier niets over het hoofd te zien. Zo illustreert de analyse van De Wispelaeres Paul-tegenpaul (1970) en Het verkoolde alfabet (1992) hoe dagboekexperimenten op erg uiteenlopende manieren het ethos van de schrijver vormgeven als kunstcriticus en dagboekschrijver (62) en tegelijkertijd de lineariteit van de tijd uitdagen. Ook de analyse van Michiels’ Ikjes sprokkelen (1958) ontsluit de mogelijkheden om met dagboekexperimenten een ‘ “ik” als tekstuele pluraliteit [te] ensceneren’ (77). Meer dan de andere dagboeken nodigt Michiels’ tekst uit om vooral de taal onder de loep te nemen. In die context ziet Sergier dat de differentiatiedynamiek in Ikjes sprokkelen de typische discontinuïteit van het dagboek compliceert: het “ik” valt nooit samen met de som van de delen, maar de schrijver verzamelt toch momenten uit het verleden, tegen beter weten in. Samen met die discontinuïteit, de vage tijdsaanduidingen (in plaats van exacte datering) en de cyclische structuur ensceneert Michiels’ dagboek een tragisch ‘dagboekschrijfgebeuren’ van een ik dat zichzelf enkel ten opzichte van het verleden kan definiëren, maar zichzelf op die manier nooit volledig zal kennen.

Voor de analyse van Roggemans De goddelijke hagedisjes (1969) concentreert Sergier zich expliciet op de bijdrage van het dagboekgenre in de constructie van een “ik”. Volgens Sergier ‘biedt het dagboek de mogelijkheid om nog dieper in te gaan op de poëticale beschouwingen die problematisering het ik vergezellen’ (89). Roggemans ethos zoekt een evenwicht tussen noodzakelijke zichtbaarheid en nederigheid. De openbaring van een afgebakend zelfbeeld moet dus gepaard gaan met het bewustzijn van de schijnvolledigheid van dat ik. Het dagboek geeft Roggemans de mogelijkheid om dat poëticale standpunt verder uit te diepen. Sergier verbindt de deconstructie van de kalendertijd met de deconstructie van het alomvattend ik: zoals de deconstructie van de kalendertijd wordt verwezenlijkt in de schijnconformiteit aan die tijd, zo deconstrueert Roggenmans dagboek een ik dat het door het schrijfproces construeert (92).

In casestudy’s slaagt Sergier in zijn opzet om ‘aan te tonen dat het experimentele schrijversdagboek, beter dan om het even welk ander literair genre, door middel van een ethos dat het construeert, tot een zeker schrijverspostuur bijdraagt dat het opneemt tegen de historische tijd en de manier waarop tijd wordt ervaren’ (95). Het ‘nouveau journal’ getuigt van een theoretisch inzicht en een uitmuntend analytisch vermogen. Met die kwaliteiten ontsluit Sergier een vergeten deel van (Nederlandstalig) experimenteel proza. Waar hij soms focus dreigt te verliezen door de losse omgang met begrippen, houdt de vraagstelling de studie op de rails. Zo wordt Het ‘nouveau journal’ de ‘toegankelijke en bruikbare inleiding’ die de achterflap belooft.

 

Nele Janssens

 

Matthieu Sergier, Het ‘nouveau journal’. Dagboekexperimenten voor een nieuwe tijd. Gent: Academia Press, 2017. 110 pp. ISBN: 9789038226668. € 29,99.

Willem Elsschot. Dichter

Het gonsde op de Frankfurter Buchmesse in 2016, waar Vlaanderen en Nederland samen eregast waren. Bij de openingsplechtigheid ontving koning Willem-Alexander uit handen van zijn Belgische ambtgenoot Filip naast de Duitse Käse ook het verzameld werk van Willem Elsschot. Een prachtige band, uitgegeven in de Gouden Reeks van het Nederlandse Athenaeum-Polak & Van Gennep (Singel Uitgeverijen).

Koud drie dagen later maakte Polis (ressorterend onder de Vlaamse uitgever Pelckmans) bekend de rechten op het werk te hebben verworven en voortvarend aan de slag te zullen gaan met gloednieuwe heruitgaven. Singel Uitgeverijen dreigde met juridisch wapengekletter. Anderhalf jaar later gelooft alleen bol.com nog dat hun aangekondigde uitgaven van Kaas, Het Dwaallicht en Verzen daadwerkelijk zullen verschijnen.

Polis gaf intussen Een Ontgoocheling, De Verlossing, Lijmen/Het Been, Kaas, Tsjip/De Leeuwentemmer, Het Tankschip en Pensioen uit op papier en als e-book en belooft dat de rest van het oeuvre vlot volgt. Peter de Bruijn bezorgt deze herspelde uitgaven en voorziet ze van de annotaties die hij eerder bij het door hem bezorgde Volledige werk (2001-2006) voegde. Elke uitgave krijgt een nieuw nawoord, geschreven door auteurs van divers pluimage: van Vrouwkje Tuinman tot Peter Vandermeersch en van Eric Rinckhout tot Alma Mathijsen. De ontvangst is tot nog toe positief.

Naast deze primaire fictiewerken, verschenen de weinig opzienbarende index Van Aasgaard tot Van der Zijpen van Steven Walland, het rommelig geredigeerde doch intrigerende puzzelboek Van onzen correspondent van M.C. van Etten en C.J. Aarts (met daarin journalistiek werk dat al dan niet aan Alfons de Ridder toe te schrijven is) en Willem Elsschot. Dichter, verzameld en ingeleid door Koen Rymenants en Carl De Strycker. Over dat laatste boek gaat de rest van deze bespreking.

Willem Elsschot. Dichter bundelt en becommentarieert in vijfentwintig artikelen de tweeëntwintig gedichten die steevast achterin het Verzameld werk van Elsschot onder de titel Verzen zijn gepubliceerd, aangevuld met een vijftal andere gedichten die reeds hun weg naar het Nagelaten werk (2006) vonden: het jeugdvers ‘Zomerverlangen’, een Franse vertaling van een gedicht van Greshoff, het over Daan Boens handelende tweespan ‘Gentsche groeters’ en ‘Alarm in Gent’ én ‘Richard Minne’ dat door Yves T’Sjoen handig integraal in zijn bespreking van de Gentse gedichten is gesmokkeld (270-279).

In tegenstelling tot wat de kaft (‘Alle Verzen verzameld en toegelicht’) en het voorwoord (‘de hele poëzie van Elsschot’ (16)) beloven, zijn dit niet alle overgeleverde gedichten. Het Nagelaten werk bundelt nog vierendertig jeugdverzen, drie Greshoff-vertalingen en zes andere gedichten. Sinds de biografie Elsschot – Leven en werken van Alfons de Ridder (2011) van Vic van de Reijt kennen we ook het vers waarin Elsschot de verdediging van de collaborateur-advocaat Edgar Boone op zich neemt. Voorts citeren de samenstellers in hun inleiding een van de reclameverzen die De Ridder in opdracht van mosterdfabrikant Tierenteyn schreef en hullen ze zich in onverbeterlijk zwijgen over ongeautoriseerde gedichten en liederen als ‘Schele Vanderlinde’.

Gezien de twee hoofddoelen van deze bundel – het faciliteren van een kennismaking met de gedichten en het bieden van een podium aan minder bekende poëziecritici – zijn deze keuzes goed te verantwoorden en de lacunes die ze laten vallen zijn overkomelijk. Ik kan er alleen slecht tegen als me ‘alles’ beloofd wordt en ik nog niet de helft krijg. Daarnaast had ik het in een bundel waarin Elsschot om de haverklap een amateurdichter wordt genoemd, wel aardig gevonden als ze zijn enige echte Sinterklaasversje hadden opgenomen, al was het louter omdat het zijn laatste gedicht én een koudeoorlogscuriosum betreft.

Willem Elsschot. Dichter brengt poëzielezers van verschillende generaties samen: er ligt bijna een halve eeuw tussen de geboortejaren van Joris Gerits (1943) en Bram Lambrecht (1991). Deze reikwijdte vertaalt zich in een bonte mengeling van lees- en onderzoeksmethoden die elkaar vrijelijk tegenspreken of kruisbestuiven. Zo speelt zich een polemiekje af tussen hen die de dichter graag als epigoon van Tachtig of zelfs als Fransman lezen en iemand als Hans Vandevoorde die – mijns inziens terecht – Elsschot eerder na de gezusters Loveling en naast de Rotterdamse dichter-zanger Koos Speenhoff plaatst. Een klein voorbeeld van kruisbestuiving is Kris Pint die richtregels van Reve citeert (172) en daarmee ongeweten de intertekstuele interpretatie van een dichtregel van Adriaan van Dis’ Elsschotpastiche ‘Zo gruwelijk’ (160) verrijkt.

De helft van de lezers wijdt hun bijdrage  vooral aan de in de inleiding aangekondigde ‘zorgvuldige lezing van afzonderlijke gedichten’ (17). Interessanter vond ik de stukken die literair-historische duiding bieden en een soms onvermoede samenhang met andere gedichten, prozateksten of brieven zichtbaar maken. Essays dus die, in de woorden van Odile Heynders, ‘een nieuw netwerk van betekenismogelijkheden tot stand […] brengen’ (213). Haar ‘corresponderende lezing’ van Elsschot, De Coninck en Van Bastelaere toont hoe de drie dichters de geschiedenis de poëzie binnenhalen en had wat mij betreft minstens dubbel zo lang mogen zijn. Dat betekent echter niet dat ik me kan vinden in haar stelling dat het gedicht ‘Van der Lubbe’ kritisch zou zijn zonder ‘politiek betrokken te zijn’ (222). Veel politieker wordt het volgens mij niet dan wanneer een dichter zich in 1934 uitspreekt tegen de nazi’s, het laffe Nederland kapittelt én een gedicht afsluit met de strofe: ‘Moog je geest in Leipzig spoken / tot die gruwel wordt gewroken, / tot je beulen, groot en klein, / door den Rus vernietigd zijn.’

De ‘frisse blik’ die de inleiders voorspellen, had verrassender en inclusiever uitgepakt als bij de selectie van de auteurs was gekozen voor een evenwichtige genderverdeling en er sprake zou zijn van culturele diversiteit. Naast de twee witte mannelijke samenstellers, tel ik onder de zesentwintig besprekers (Jan Schoolmeesters en Pieter Verstraeten schreven samen hun stuk) slechts zes vrouwen en geen zwarte schrijvers of auteurs met een migratieachtergrond. Ik mis de scherpe stemmen van Saskia Pieterse of Sarah Posman en denk ook aan iemand als Chokri Ben Chika die met zijn dwarse opmerkingen bij Het Dwaallicht misschien wel de enige originele bijdrage leverde aan de achtdelige radioreeks Zot van Elsschot (2010).

Gelukkig ontbreekt het in Willem Elsschot. Dichter niet aan oorspronkelijke inzichten. Ik stip graag de degelijke en inzichtelijke bijdragen van Gaston Franssen, Koen Rymenants, Jos Joosten en Matthijs de Ridder aan. Franssen zet nauwkeurig de Bijbelse verwijzingen in ‘De Bedelaar’ in voor een tegendraadse lectuur, Rymenants plaatst ‘De Bult spreekt’ in een literairhistorische context, Joosten onderwijst ons naar aanleiding van ‘Aan Willem Gijssels’ over het gelegenheidsgedicht in het algemeen en het lofdicht in het bijzonder en De Ridder herschreef een ferm stuk uit zijn onvolprezen essay Aan Borms (2007).

Hoewel sommige andere auteurs zich verliezen in frikkerig, fantasieloos formalisme – met de stiekem intentioneel gelezen iconische antimetrie als heilige graal (genre: zie je, juist als hij als de trappers verliest, is hij steengoed!) – hebben de samenstellers gelijk als zij stellen dat zelfs de kenners ‘veel nieuws zullen ontdekken’ (17).

De openingstekst van Kris Steyaert is meteen zo’n voltreffer. Hij neemt ‘afwezigheid van communicatie of het falen ervan’ (27) als uitgangspunt en trekt, vertrekkende van het nog nooit zo geavanceerd gelezen gedicht ‘De Zee’, een lijn door het hele oeuvre: van vroege en latere gedichten tot en met meerdere romans. Zijn indrukwekkende close-reading van dit jeugdgedicht kenschetst Elsschot niet als bloedeloze navolger van Kloos, zoals over diens jeugdverzen regelmatig is beweerd, maar plaatst hem via een ingenieuze impliciet-po.ticale lezing juist tegenover die Tachtiger: waar de laatste de taal ‘gebruikt als middel tot zelfbevestiging en zelfverheffing’, thematiseert Elsschot ‘het isolement dat elke taaldaad blijkt te genereren, en ziet in dat proces de manifestatie van een existentieel tekort’ (33).

Even prikkelend maar problematischer vind ik de bijdrage van Wilbert Smulders die hopelijk de voorbode vormt van zijn langverwachte Elsschotboek. Evenals Steyaert plaatst Smulders Elsschots gedichten daar waar ze thuishoren: midden tussen het proza en niet weggestopt achterin een verzameldwerkuitgave. Aanvankelijk was ik overtuigd door zijn lectuur en in mijn hoofd liepen tal van nieuwe krachtlijnen door het oeuvre toen ik las dat volgens Smulders het ‘moederlichaam’ en de ‘mannenpraatjes’ de polen zijn ‘die heel Elsschots oeuvre onder spanning zetten’ (53). Bij herlezing gingen enkele vooraannames knagen. Waarom zou de positie van de ‘autoriteit’ in Kaas automatisch die van ‘de vaderfiguur’ (49) zijn? Is het niet juist de moeder die de hoofdpersoon emotioneel en financieel had kunnen redden, ware zij nog in leven geweest? En waarom schaart Smulders in zijn interpretatie van Lijmen de typische attributen van de Vlaamse Beweging (‘baard, hoed, poëzie en revolutionaire neigingen’) onder Laarmans’ ‘zachte [= bij Smulders ‘vrouwelijke’] kant’? (51) Ik zou bijna denken dat er in deze Freudiaanse lezing sprake is van verdringing van die twee andere met naam genoemde voorwerpen waarvan Laarmans onder druk van Boorman nadrukkelijk afscheid moet nemen: zijn knuppel en zijn pijp. Misschien kan een onderdompeling in actuele gendertheorieën Smulders’ lectuur nog kruiden.

Een omgekeerde leeservaring bood het essay van Gillis Dorleijn me. Door zijn flauwe boutade aan het begin van zijn tekst, had ik weinig zin in het vervolg. Elsschots werk zou ‘naast de Nederlandse literatuur’ staan, waardoor het beter  zou zijn de gedichten ‘niet Nederlands te noemen (laat staan Vlaams [sic]), maar Frans’ (177- 178). Gaandeweg trok Dorleijn me mee in zijn interpretatie van het gedicht ‘Aan Jan Greshoff’ dat, door zijn positie in Kaas, een van de meest gedrukte en vertaalde Nederlandstalige gedichten ooit is. Op een korte en vlakke interpretatie volgt zijn expliciete weigering om beter zijn hermeneutische best te doen omdat ‘deconstructieve krachten’ volgens Dorleijn ‘het gedicht in het donker [laten] staan’ (179). Daarna wordt het interessanter: via de ontstaanscontext, het falen van een adequate biografische lectuur en een tweede poging om tekstgericht lezend het gedicht in een Kaas-context te plaatsen, komt hij op voor hem vertrouwd terrein: de intertekstuele lezing. Die is overtuigend omdat hij met een weldadige overdaad van citaten laat zien dat de ‘Jan Greshoff’ in het gedicht niet de biografische persoon betreft maar ‘een beeld van de dichter-criticus zoals dat oprijst uit diens gedichten’ (184). Deze lectuur is extra belangwekkend omdat Elsschot te vaak is neergezet als een profeet die wel schreef, maar nauwelijks las.

De lezer van deze kritiek zal het me vergeven dat ik niet op alle bijdragen inga. De laatste kanttekening die ik wil plaatsen, betreft de ambitie die de samenstellers in de inleiding uitspreken. Ze hopen dat de lezer die ‘de poëzie van Elsschot nog niet zou kennen’ hier een ‘kennismaking met zijn verzen [vindt].’ Die hoop lijkt me, hoe mooi ook, tamelijk naïef. De kans lijkt me klein dat iemand die de poëzie van Elsschot niet kent, wel meer dan twintig euro betaalt voor een dik boek met lange artikelen van in de buitenwereld onbekende letterkundigen. Dit is eerder een boek voor liefhebbers en kenners die er trek in hebben zich driehonderd pagina’s lang te verhouden tot academische analyses en interpretaties.

Mocht er nog een herziene en uitgebreide uitgave komen – in de zeer productieve Elsschottologie is zoiets niet ondenkbaar – dan zou ik het fijn vinden als een diverser gezelschap zich over zijn werk zou buigen, als er iemand op zou staan die veel weet van humanisme én van Elsschot en eens iets zinnigs kan zeggen over de verhouding tussen die twee en als een scherpzinnig wetenschapper zich buigt over de mercantiele gedichten van Alfons de Ridder in vergelijking met de karamellenverzen uit zijn tijd. Naast de verschillende speculaties op basis van buikgevoel en andere voorkennis, zou het ook mooi zijn als iemand Elsschots (jeugd)verzen middels een uitgebreid contemporain corpusonderzoek literair-historisch duidt. Een aanzet hiertoe biedt Fabian Stolk die zijn stuk besluit met een cliffhanger. Na een voorproefje van een stilistisch-vergelijkende lezing, neemt hij zich voor zich te bekwamen in de ‘zakelijke, computationele stilistiek’.

Ik hoop van harte dat hij dit doet en dat hij de lessen die hij leert, toepast op zowel het poëtisch als het vooralsnog gebrekkig onderzochte journalistiek werk. Zo kan bij een volgende Buchmesse koningin Mathilde haar ambtgenote Amalia een mooie band geven met daarin eindelijk het echte volledige werk van Elsschot – gedichten, romans en krantenartikelen – chronologisch na en generisch dus dwars door elkaar. De toekomst zal uitwijzen wie tegen die tijd zijn uitgever is.

 

Willem Bongers-Dek

 

Koen Rymenants & Carl De Strycker (red.), Willem Elsschot. Dichter. Antwerpen: Polis, 2017. 303 pp. ISBN: 9789463102902. € 22,50.

Sprekend kritiek

Onlangs publiceerde de website van New York Magazine een opiniestuk waarin de schrijver constateerde dat het internet niet meer is wat het geweest is. De magische wereld van ‘blogs and forums and weird personal sites and early, college-era Facebook’ heeft plaatsgemaakt voor ‘a utility world’: ‘efficient and all-encompassing’ (Nosowitz 2018). Daarmee heeft het internet een traject afgelegd dat misschien wel geldt voor alle succesvolle media. Van een beginperiode, vlak na de introductie, waarin vroege enthousiastelingen de mogelijkheden van het medium verkennen en duizend bloemen laten bloeien, naar consolidatie in formats en genres die ervoor zorgen dat het publiek in ieder geval qua vorm nauwelijks meer verrast zal worden. Van nieuwe media naar vertrouwde – maar daarmee misschien ook wel saaie – media.

Het interessante van media-archeologie is dat het laat zien hoe spannend en veelvormig inmiddels mondaine media ooit waren. In Sprekend kritiek. Literatuurprogramma’s in de vroege jaren van de Nederlandse radio en televisie kijkt Jeroen Dera naar de vroege geschiedenis van twee ooit ‘nieuwe’ media om te analyseren hoe in deze media literatuurkritiek bedreven werd voordat zij volledig geïnstitutionaliseerd raakten. Voor de radio is dat de periode van 1923 tot 1940, voor televisie die van 1951 tot 1975, het moment waarop zij volgens Dera nog ‘nieuw’ zijn. Dera volgt daarbij mediatheoretici als Lisa Gitelman en definieert nieuwe media als media waarvan de sociale, economische en materiële inbedding nog in formatie zijn. Dit is wat hij bedoelt wanneer hij zegt dat radio en televisie in de periodes waar hij onderzoek naar doet nog niet geïnstitutionaliseerd waren. Net als de rest van de vormgeving en inhoud van radio- en televisieprogramma’s, werden ook die programma’s die aan te merken zijn als literatuurkritiek in deze periodes als het ware nog ‘op de tast’ gemaakt.

Dit blijkt een zeer vruchtbare uitgangspositie te zijn voor Dera’s onderzoek. De hoofdconclusie van zijn studie is dat literatuurprogramma’s op radio en televisie deels remediaties waren van papieren literatuurkritiek en deels mediumspecifiek waren. Dat wil zeggen: terwijl literatuurkritiek in de ether en op de buis aan de ene kant een herhaling was van men al gewend was van de dag- en weekbladen (remediatie), werd deze aan de andere kant bepaald door wat Dera, in navolging van Gitelman, ‘protocollen’ noemt: als vanzelfsprekend beschouwde regels, vormen en normen die sturend zijn in de vormgeving van mediaproducten. Wat daarbij opvalt is dat Dera constateert dat ook in deze beginperioden allerlei ‘mediumspecifieke normen en gedragspatronen’ sturend zijn voor de vorm die literatuurkritiek op radio en televisie krijgt.

Zo droog geformuleerd lijkt Dera’s studie een wat voor de hand liggende conclusie te trekken. Maar deze korte opsomming gaat aan twee zaken voorbij. Ten eerste verricht Dera hier absoluut pionierswerk. De auteur herhaalt het terecht meerdere keren tijdens zijn studie: nog nooit eerder is er zo uitgebreid en zo grondig onderzoek gedaan naar literatuurkritiek op radio en televisie. Dera ontsluit dan ook een grote rijkdom aan archiefmateriaal. Ten tweede, en daarmee samenhangend, maakt Dera de gelukkige keuze om zich niet te concentreren op enkele case studies, maar in plaats daarvan deze periodes in de volle breedte te beschrijven. Zo ontstaat een compleet overzicht, waarbij Dera vooral bij televisie schakelt tussen de grote lijnen van de ontwikkeling van de literatuurkritiek in deze media en een aantal zeer scherpe close readings van specifieke uitzendingen. Hij doet dat in uiterst leesbaar proza.

Dera’s grondige archiefonderzoek en oog voor detail levert mooie analyses op. Zo constateert hij dat meerdere radiorecensenten een compleet andere toon aanslaan voor de microfoon dan op papier. Dat laat hij zien aan de hand van gevallen waarin dezelfde persoon zowel een geschreven recensie van een literair werk als een radiobespreking verzorgd heeft. En wat zien we dan? ‘Wat in de dagbladkritiek nog een hoofdbezwaar was, wordt op de radio […] niet meer dan een kanttekening’ (126). Dera spreekt hier van een ‘positiviteitsprotocol’, dat ook aansluit bij ‘het cultuurbemiddelende ideaal’ dat een belangrijke rol speelt bij literatuurkritiek op de radio, en later ook op televisie: van deze nieuwe media werd verwacht dat zij literatuur en andere ‘hoge’ kunst zou promoten en daar paste een negatieve bespreking van literaire werken niet bij (127-128).

Tegelijkertijd wijst Dera er echter op dat dergelijke ‘protocollen’ niet het hele verhaal zijn. Mediumspecificiteit speelt absoluut een belangrijke rol in de literatuurkritiek, maar tegelijkertijd zien we ook dat de literaire kritiek op radio en televisie, net als de papieren tegenhanger ervan, gebruikt wordt voor positionering en het vormen van een posture in het literaire veld. De critici die de programma’s maken, gebruiken hun zendtijd om ideeën over wat goede en wat geen goede literatuur is voor het voetlicht te brengen. En de auteurs die geïnterviewd worden gebruiken de aandacht die ze krijgen om een bepaald schrijversbeeld neer te zetten. Hierin verschilt de uitgezonden kritiek dus niet van die in de dag- en weekbladen. Wel komt uit Dera’s bespreking naar voren dat een bepaalde positionering in het literaire veld ook een bepaalde houding ten opzichte van radio of televisie met zich mee kan brengen. Wie zich als serieuze literator wil profileren, kan zich laatdunkend uitlaten over massamedia, die vanwege hun populariteit als recht tegen de authentieke, hoge literatuur staand voorgesteld kunnen worden. Dera laat zien dat dit, ironisch genoeg, soms via die media zelf gebeurt: geïnterviewde auteurs, en soms zelfs de makers, moeten dan eigenlijk niets van radio en televisie hebben en geven dit regelmatig ook te kennen. Tegelijkertijd komt samen met deze massamedia – en dan met name met de televisie – een nieuw soort schrijver op, zoals W.F. Hermans, Harry Mulisch en Gerard Reve: de sterauteur die de nieuwe media perfect weet te bespelen en daarmee oude grenzen tussen hoge en lage cultuur laat vervagen.

Al met al voegt Dera met deze rijke en goed geschreven studie een dimensie toe aan onze kennis van de ontwikkelingen in het literaire veld in de twintigste eeuw. Daarmee is Sprekend kritiek van belang voor de neerlandistiek, maar er is ook bijvangst voor de geschiedenis en de theorie van de media. Dera sluit af met een kleine onderzoeksagenda voor vergelijkbaar onderzoek naar de beginjaren van het internet. De kwaliteit van dit werk rond radio en televisie doet hopen dat hij zich daar zelf ook nog aan zal zetten. Zo niet, dan vormt Sprekend kritiek een goed voorbeeld voor wie dat wel gaat doen.

 

Sjoerd-Jeroen Moenandar

 

Jeroen Dera, Sprekend kritiek. Literatuurprogramma’s in de vroege jaren van de Nederlandse radio en televisie. Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2017. 338 pp. ISBN: 9789087046583. € 29,–

De eindeloze stad

Als middeleeuwse vorst wilde je goed voor de dag komen. Een dozijn illustere voorouders was daarbij een van de eerste vereisten. Wilma Keesmans proefschrift De eindeloze stad. Troje en Trojaanse oorsprongsmythen in de (laat)middeleeuwse en vroegmoderne Nederlanden laat zien dat de zoektocht naar roemrijke voorouders in de late middeleeuwen vrijwel altijd bij het mythische Troje eindigt.

‘Zoek jij dat Troje-gedoe maar uit’, was mijn opdracht (p. 12).

Met deze woorden introduceert Keesman de immense taak die haar werd toegewezen. Het resultaat van deze exercitie is – niet verrassend – een dikke uitgave van 750 bladzijdes waarin vooral de Trojaanse oorsprongssagen die chroniqueurs en genealogen schreven centraal staan. Het boek is opgebouwd uit zeven hoofdstukken, gevolgd door een overzicht van alle (mythische) stambomen, samenvattingen in zowel Nederlands als Engels en een uitgebreid register met daarin ook een lijst van de gebruikte handschriften. Na het inleidende hoofdstuk volgt een hoofdstuk waarin het klassieke Trojeverhaal eerst uitgebreid samengevat wordt, waarna een historisch kader wordt geschetst met aandacht voor de belangrijkste bronnen en bewerkers van de Trojestof. Het derde hoofdstuk bevat een summier theoretisch kader dat gevolgd wordt door een hoofdstuk waarin de Europese traditie van Trojaanse oorsprongsmythen uitgebreid beschreven wordt. Hiermee worden de hoofdstukken vijf en zes over de oorsprongsmythen in de Nederlanden, die de hoofdmoot van het boek vormen, in een breed, transnationaal kader geplaatst. Het eerste deel van dit tweeluik over de Nederlanden concentreert zich volledig op de Brabantse oorsprongsmythen; met name de Brabo-sage wordt onderworpen aan een diepgaande en uitgebreide analyse van ruim 200 pagina’s. Keesman onderscheidt vier versies of stadia in de ontwikkeling van de Brabo-sage, waarin zowel Nederlandstalige alsook Latijnse en Oudfranse bronnen een belangrijke rol blijken te spelen. Het zesde hoofdstuk bespreekt de Trojaanse oorsprongsmythen in andere delen van de Nederlanden: Vlaanderen, Henegouwen, Holland, Gelre, de Friese landen en de verschillende bisdommen. Tot slot volgt er een hoofdstuk met de belangrijkste conclusies.

Als Keesman zich beperkt had tot enkel het Troje-materiaal in het Middelnederlands, had waarschijnlijk niemand vreemd opgekeken. Er is immers materiaal in overvloed. Ze heeft echter een moedige keuze gemaakt om uit te gaan van de Nederlanden als Kulturraum; een keuze die erg goed uitpakt. Overtuigend wordt gedemonstreerd dat ook in het Latijn, Oudfrans en (in mindere mate) Middelnederduits over de Trojaanse oorsprong van de Nederlanden geschreven wordt. Zo ontstaat een breder beeld van hoe de Trojemythen functioneerden in de Nederlanden. Ook de tijdspanne die Keesman beschrijft is zeer ruim en laat een grote belezenheid zien. Het leeuwendeel van het gebruikte corpus stamt uit de veertiende of vijftiende eeuw, maar met net zoveel gemak komt een tiende-eeuwse tekst als de Vlaamse Genealogia Arnulfi comitis (p. 485 e.v.) of de laat-zestiende-eeuwse Friese Chronike ende warachtige beschrijvinghe van Vrieslant (p. 618 e.v.) aan bod. Het moge duidelijk zijn dat Keesman zeer grondig en doortastend te werk is gegaan om alle literatuur uit de Nederlanden die in verband gebracht kan worden met Troje te verwerken in een monografie.

De stijl waarin Keesman schrijft is vlot en direct. Minder belangwekkende discussies voor de lijn der redenering worden uitgebreid in de voetnoten besproken waardoor het geheel prettig leest. De vlotte stijl heeft echter wel een keerzijde. Soms worden aantrekkelijke (maar vaak moeilijk te bewijzen) hypotheses te scherp geformuleerd of te breed uitgemeten. Dit geeft sommige analyses of besprekingen een wat speculatief karakter. Keesman besteedt bijvoorbeeld ruim vier pagina’s aan de mogelijkheid dat de Brabantse genealogie.n van circa 1270 door Jan I van Brabant gebruikt konden zijn om een mogelijke claim op de Duitse keizerskroon kracht bij te zetten. Keesman oordeelt na een uitgebreide bespreking zelf dat ‘bij gebrek aan ondersteunende gegevens […] zij echter niet meer dan een aantrekkelijke hypothese [kan] worden genoemd’ (p. 229). Aantrekkelijk is deze theorie inderdaad, maar zoals Keesman zelf ook toegeeft: niet erg waarschijnlijk. Vergelijkbaar is de veronderstelling dat de, op enkele verzen na, verloren gegane roman Godevaert metten baerde misschien over Olivier van Leefdale zou gaan. Aanvullend bewijs vindt Keesman in een toneelspel genaamd het spel van Olivier van Leefdale uit 1532:

Over de inhoud van het stuk is niets bekend. Maar het lijkt waarschijnlijk dat de stof werd ontleend aan de verloren roman. […] Het is heel goed mogelijk dat de voorvader van de veronderstelde destinaris ook in de roman een (nog) grotere rol speelde dan uit de overgebleven brokstukken en het résumé in De Thimo en in Hennens Cornicke blijkt. (p. 299)

Hoewel zij nog een kleine slag om de arm houdt, is het bewijs mijns inziens te schaars om dergelijke uitspraken over de romaninhoud te doen. Van de roman zijn slechts een schamele tachtig verzen bewaard en van het toneelspel enkel de titel. Er zit bovendien ruim twee eeuwen tussen de twee teksten. Er is, kortom, weinig reden om te veronderstellen dat de roman over Van Leefdale zou gaan. Dat Keesman in het reconstrueren van verloren gegane teksten soms wel erg optimistisch is blijkt vooral uit de bespreking van pseudo-Maerlants Clarasien. Hennen van Merchtenen nam, zoals hij zelf meldt in zijn kroniek, delen van deze tekst over voor de vroegste geschiedenis van Brabant. Echter, welke delen van Hennen ook al in de Clarasien voorkwamen is niet te achterhalen aangezien deze niet is overgeleverd. Toch doet Keesman meerdere keren uitspraken over wat er in de tekst heeft moeten staan. Hennen zou in het ene geval informatie uit de Clarasien slordig hebben overgenomen (p. 327, n. 406), maar andere fouten waren volgens Keesman reeds in de brontekst aanwezig (p. 333, n. 421). Ook hier is onvoldoende bewijs voor in de overgeleverde teksten.

Het boek bevat veel afbeeldingen die goed aansluiten op de tekst. Bij incunabelen of andere gedrukte teksten wordt helaas niet consequent het gebruikte exemplaar vermeld. Ook in het vertalen en/of toelichten van citaten of fragmenten uit andere talen lijkt er soms wat willekeur bespeurbaar. Het citaat van Boendale op pagina 27-28 bevat woordverklaringen voor relatief hoogfrequente Middelnederlandse woorden als ‘wale’ [goed] en ‘heten’ [noemen]. Oudfranse teksten worden daarentegen vrijwel nooit vertaald. Ook qua structuur zijn er wat slordigheden in de tekst geslopen. De bespreking van de Divisiekroniek maakt uitgebreid gebruik van de studie van Karin Tilmans. Na haar onderzoek meerdere keren te hebben aangehaald wordt haar studie op pagina 578 nog eens geïntroduceerd alsof deze voor de eerste maal genoemd wordt. Ook het Gouds kroniekje wordt op bladzijde 594 nogmaals geïntroduceerd na reeds uitgebreid te zijn behandeld.

De genoemde bezwaren daargelaten heeft Keesman een lovenswaardige prestatie geleverd door het (laat)middeleeuwse en vroegmoderne Trojemateriaal in kaart te brengen en te duiden. Met een overdaad aan materiaal heeft ze het voor elkaar gekregen om een overzichtelijke monografie te schrijven die behalve alle Trojaanse oorsprongsmythen zelfs ook die paar gevallen beschrijft waar men de eigen geschiedenis niet terugvoerde op Troje.

 

Mark Visscher

 

Wilma Keesman, De eindeloze stad. Troje en Trojaanse oorsprongsmythen in de (laat)middeleeuwse en vroegmoderne Nederlanden. Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2017. 751 pp., geïllustreerd (z/w). isbn: 9789087045531. € 49,–.