Feestelijke Bilderdijk-revue

Subliem is een groot woord, maar groot mag je de nalatenschap van de dichter Willem Bilderdijk (1756-1831) op zijn minst noemen. Wat we van hem over hebben, is het omvangrijke oeuvre van meer dan 300.000 (!) dichtregels van een ultra intelligente, zich briljant uitdrukkende geest, die nieuwsgierig was naar zo ongeveer alles, maar de neiging had dit ‘alles’ in een idiosyncratisch kader te wringen, dat gaande zijn levensjaren hoe langer hoe zwarter kleurde; Bilderdijk keek al vanaf zijn volwassenheid steeds gretiger uit naar het moment waarop hij zich uit kon strekken in het graf. Bilderdijk: ‘de opgestane Vondel’ (zo genoemd vanwege zijn ongemeen taalrijke verzen), dwarsligger, taalkundig fantast, en vooral een multitalent.

Bilderdijks dwarsliggen, zijn dichtgenie (lees maar eens wat hij van het proces van eieren koken bijeen weet te dramatiseren in het gedicht ‘Eierkoken’), zijn succesvolle zoektocht naar de ware liefde, het manische, zijn briljante onzinredeneringen. Dat alles maakt Bilderdijk voor mij tot kopstuk van de negentiende eeuw. Zij het niet als eenzaam topstuk: het ironische is dat mijn tweede held uit de periode 1800-1900 de eerste een kopje kleiner heeft gemaakt. Het is Multatuli die de reputatie van Bilderdijk als achttiende-, maar vooral negentiende-eeuwse, dichterenprins (bijna) terminale schade heeft toegebracht.

Want zo stond Bilderdijks reputatie er in 1906 voor, althans volgens een bijdrage in de De Graafschap-bode: nieuws- en advertentieblad voor stad- en ambt-Doetinchem, Hummelo en Keppel, Wehl, Zeddam, ‘s Heerenberg, Ulft, Gendringen, Sillevolde, Terborg, Varsseveld, Dinxperlo, Aalten, Breedevoorde, Lichtenvoorde, Groenlo, Neede, Eibergen en Borculo:

Geen Bilderdijk-sigaren,
Geen Bilderdijk-banket,
Geen Bilderdijk-prentbriefkaart,
Geen Bilderdijk-corset!

Geen Bilderdijk-Triumf-marsch,
Geen Bilderdijk-geblaat,
Geen huldigende stoete,
In de Bilderdijkstraat!

O, Bilderdijk, je kwaamt er
Maar allertreurigst af;
Want luttel is de eere
Die ’t nageslacht u gaf!

Maar moog’lijk brengt een kunst’naar
Een monsterhulde U,
En schrijft de heer A. Reijding
Een Bilderdijk-revue!

August Reijding (1863-1930), waar in het gedicht naar verwezen wordt, was een Nederlands lithograaf, tekenaar en bouwkundig ingenieur, maar ook schrijver van toneelstukken en liedjes, kostuumontwerper en auteursrechtdeskundige. In Parijs maakt hij kennis met de revue du fin de l’année, waarbij recente politieke gebeurtenissen door middel van sketches en satirische liedjes teruggehaald en becommentarieerd werden. Het was Reijding die in 1899 het revue-genre in Nederland introduceerde.

Recent verscheen de door Rick Honings en Gert-Jan Johannes samengestelde essaybundel Een sublieme nalatenschap. De erfenis van Willem Bilderdijk. Een Bilderdijk-revue, veelkleurig en bont als het onderwerp zelf. Het is een verbijsterend rijke voorstelling geworden. Een eerste poging tot eerherstel van Bilderdijks reusachtige talent is dit niet. Zo verscheen in 2013 reeds de biografie De gefnuikte arend van Rick Honings en Peter van Zonneveld, en al in 1997 bracht Marita Mathijsen een fraaie selectie Bilderdijk-brieven uit de jaren 1795-1797 onder de titel Liefde en ballingschap naar de moderne lezer. Is Willem Bilderdijk met deze bundel nieuwe artikelen dan eindelijk definitief terug in ons collectief geheugen?

Honings’ en Johannes’ bundeling Bilderdijk-essays opent met een bijdrage van Marleen de Vries, die toeschrijft naar een wat mij betreft problematische claim: ‘Bilderdijk is onze laatste grote dichter’. Dit komt volgens haar omdat ‘de poëzie in de achttiende eeuw haar status had moeten afstaan aan het “ondicht” (het proza)’. Pardon? Nederland geen grote dichters meer? Ze schreven misschien geen 300.000 versregels, maar we hoeven maar aan Lucebert of Leo Vroman te denken om hier de wenkbrauwen op te trekken. Ook stelt De Vries dat de term ‘ondicht’ sinds de achttiende eeuw in vergetelheid is geraakt. Ik vraag het me af. Zie bijvoorbeeld J. van Vloten, Nederlandsch dicht en ondicht uit de 19e eeuw (1861-1865), Willem Vletters Dicht en ondicht van landgenoot en vreemdeling (1872), Dicht en ondicht van J.P. Hasebroek  (1874),  de Jacques Perk-editie Proeven in dicht en ondicht uit 1958 en twee jaar later Bernard Kemps bloemlezing Gezelles ondicht.

Maar laten we de feestvreugde niet bederven met scherpslijperij, want dat is nu net wat in Een sublieme nalatenschap ontbreekt. Aan het woord is een groep moderne literatuurhistorici – ik zou ze bijna ‘bevrijd’ noemen; vlot, soms fraai schrijvende kenners die de digressie niet mijden. Het fraaiste voorbeeld daarvan is wel de bijdrage van Gert-Jan Johannes en Inger Leemans over Bilderdijk en het vliegeren, aan de hand van Bilderdijks manuscript Hanenpoot, een kinderboek voor diens zoontje Julius uit 1806. Ze dragen een verrukkelijke, kleine cultuurgeschiedenis van het vliegeren bij, en van de droom van de luchtreis per vlieger tot op heden, waaraan slechts het tegenwoordige kitesurfen ontbreekt.

De bijdrage van Joris Van Eijnatten is al even vrolijkmakend. Hij laat de nieuwste word count-technieken en grafieken op Bilderdijk los en ‘bewijst’ de (overigens niet nieuwe) stelling dat Bilderdijk geen fanatiek Oranjeklant was. En verder: Thomas von der Dunk over Bilderdijks ontwerp voor een ere-piramide voor Napoleon; Ariane Baggerman en Rudolf Dekker over Bilderdijks hoogste negatieve Engelandbeeld; Maaike Meijers stuk over dichteressen ten tijde van Bilderdijk; Lotte Jensens bijdrage over de waternoodpoëzie van Vrouwe Bilderdijk; Bilderdijkiaan Jan Wap belicht door zowel Marita Mathijsen als Olf Praamstra; Bilderdijks opiofagie ontmaskerd door Harmen Beukers. Het houdt niet op.

Een sublieme nalatenschap is een feest om te lezen. En ook… Vooruit Marleen de Vries: Bilderdijk is onze laatste grote dichter. Al was het alleen maar omdat hij 180 jaar na zijn dood nog stof genoeg biedt voor een boek als Een sublieme nalatenschap. Oké. Geen Bilderdijk-sigaren, geen dito ‘-banket, -prentbriefkaart of -corset’. De Bilderdijk-revue Een sublieme nalatenschap is een groots bewijs voor deze stelling: Bilderdijk blijft!

Atte Jongstra

Rick Honings & Gert-Jan Johannes (red.) Een sublieme nalatenschap. De erfenis van Willem Bilderdijk. Leiden: Leiden University Press, 2020. 287 pp. ISBN: 9789087283476. €39,50.

Een welbespraakte polemist

 

 

 

 

 

 

De kans dat Ton Anbeek deze recensie onder ogen krijgt lijkt verwaarloosbaar klein. Op 22 juni 2017 liet hij tijdens een gesprek met een groep Vlaamse neerlandici het volgende optekenen:

“Een paar maanden geleden kreeg ik door een toeval een paar van die literatuurwetenschappelijke bladen in handen, en die gingen allemaal over het postuur van de auteur. Daar stond dan ook altijd bij – dat was het grappigste – het gaat natuurlijk niet over de auteur, want we weten allemaal: de auteur is dood. Het werd net een beetje anders verwoord, maar wat een onzin! Het gaat over de auteur. Omdat we die interessant vinden, en omdat we ook vinden dat die een belangrijke visie heeft en dat we daar dingen over willen zeggen. Dat vind ik zo kinderlijk!”

Anbeeks opmerking is illustratief voor het genoegen waarmee deze welbespraakte polemist probeerde om theoretische ambities te ontmaskeren als holle pretenties van letterkundigen die hun wetenschappelijke distinctiedrift zwaarder zouden laten wegen dan hun respect en liefde voor de literatuur. Enkele jaren voor zijn vervroegde emeritaat in 2005 kruiste Anbeek over deze kwestie nog de degens met zijn Leuvense collega Dirk de Geest in het tijdschrift Literatuur. Naar aanleiding van vijf recent verschenen studies op het gebied van de Moderne Nederlandse Letterkunde hekelde Anbeek het gebruik van theoretische constructies. Die waren volgens hem slechts ‘verpakking van literaire voorkeuren’. Van theorie in de literatuurwetenschap kon nauwelijks sprake zijn. Theorie kwam volgens Anbeek vooral voort uit imponeergedrag en territoriumdrift. In zijn reactie benadrukte De Geest het belang van theorie voor de ontwikkeling van nieuwe vragen, hypotheses en methoden en voor de wetenschappelijke communicatie. De wat machteloze dupliek van Anbeek demonstreerde in wezen het gelijk van De Geest, dat bijna twintig jaar later alleen maar aan kracht heeft gewonnen: zonder theorievorming plaatst de letterkundige neerlandistiek zichzelf buiten spel, ook in de competitie om nationale en internationale onderzoeksgelden, waarvan het voortbestaan van ook deze academische discipline helaas afhankelijk is.

Het interview met Ton Anbeek vormt het hart van de bundel Letterkunde met lef. Het boek is een initiatief van het Studiecentrum voor Experimentele Literatuur, een gezamenlijke onderzoeksgroep van de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel. Een van de activiteiten van deze groep is het bestuderen van ‘beeldbepalers’: teksten en auteurs die een belangrijke invloed hebben uitgeoefend op het beeld van de Nederlandse literatuur en literatuurstudie. De keuze voor Ton Anbeek ligt voor de hand. Generaties studenten groeiden op met zijn studies over de naturalistische roman in Nederland en over het proza na de oorlog en met zijn Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1885-1985, terwijl ook zijn roemruchte oproep tot wat meer ‘straatrumoer’ in de Nederlandse literatuur nog altijd resoneert. Anderzijds wekt het verbazing dat uitgerekend dertien Vlaamse neerlandici eer bewijzen aan deze beeldbepaler. Niet alleen kreeg Anbeek in de jaren negentig de nodige kritiek te verduren omdat hij in zijn literatuurgeschiedenis geen aandacht schonk aan de Vlaamse literatuur, ook zijn scepsis ten aanzien van literatuurtheorie laat zich moeilijk rijmen met de aandacht voor theorievorming in juist de Vlaamse letterkundige neerlandistiek.

Die kwestie wordt in Letterkunde met lef nauwelijks geadresseerd, zoals ook het dispuut tussen Anbeek en De Geest niet wordt genoemd. De bundel wil vooral een overzicht bieden van Anbeeks oeuvre en opvattingen. Daarbij gaan de samenstellers en auteurs eerder empathisch dan kritisch te werk. Dat is passend voor een huldebundel, maar minder voor een boek dat ‘een multiperspectivisch, kritisch en grondig beeld [wil] geven van een belangrijk oeuvre uit de neerlandistiek’ en dat een rol wil spelen in de gedachtevorming over het vakgebied. Helaas hebben de interviewers zich niet laten provoceren door opmerkingen van Anbeek over zijn allergie ‘voor alle theoretische uitleg’, zoals Anbeek zich op zijn beurt niet uit de tent liet lokken door een voorzichtige vraag over de eventuele nadelen van zijn aanpak.

Multiperspectivisch en grondig is Letterkunde met lef zeker. In de inleiding plaatsen de samenstellers het werk van Anbeek in de institutionele en disciplinaire context van de neerlandistiek, onder andere door aandacht te schenken aan de vormende invloed van voorgangers als Sötemann, Oversteegen en Gomperts en (zij het nogal impliciet) aan de Nederlandstalige publicatiecultuur waarin iemand als Anbeek tot bloei kon komen. Samen met het degelijke hoofdstuk van Koen Rymenants over het vroege werk van Anbeek vormt die inleiding een bouwsteen voor de nog te schrijven geschiedenis van de letterkundige neerlandistiek in de late twintigste eeuw, een vervolg op het recente proefschrift van Marieke Winkler (Geleerd of niet) over literatuurkritiek en literatuurwetenschap in Nederland van Jonckbloet tot Gomperts. Rymenants laat in zijn hoofdstuk mooi zien hoe Anbeeks latere afkeer van theorievorming voortvloeide uit zijn vroege teleurstelling in het ontbreken van de verklarende kracht van veel literatuurtheorie. Het zou interessant zijn om na te gaan hoe zich dit bij Anbeeks generatiegenoten en opvolgers heeft ontwikkeld.

In de volgende hoofdstukken wordt aandacht geschonken aan achtereenvolgens Anbeeks proefschrift De schrijver tussen de coulissen (door Ellen Beyaert), zijn monografie De naturalistische roman in Nederland (door Nele Janssens en Alyssa Verhees), het geruchtmakende artikel over ‘straatrumoer’ in De Gids van 1981 (door Siebe Bluijs), de literatuurhistorische handboeken (door Janna Aerts, Elke Depreter en Lieselot De Taeye), Het donkere hart (door Lars Bernaerts en Linde De Potter), zijn beschouwingen over poëzie (door Carl De Strycker), zijn optreden als ‘recensent der recensenten’ (door Maxime Van Steen) en als chroniqueur van recent proza in het tijdschrift Neerlandica extra Muros tussen 1998 en 2005 (door Jan Lampaert). Uit de verzamelde beschouwingen rijst het beeld op van een bezielde neerlandicus, een gepassioneerde lezer, een literatuurbeschouwer die vaart op het kompas van zijn intuïtie en vooral een leesbaar verhaal wil vertellen. In dat opzicht is Anbeek eerder een essayist dan een academicus die zich voegt naar wetenschappelijke kennismodellen. In hun hoofdstuk over Het donkere hart, een van de meer kritische stukken in de bundel, geven Bernaerts en De Potter trefzeker weer waar het Anbeek in wezen om te doen was: ‘een vorm van close reading, vaak tegen een comparatistische achtergrond en met een intentionalistische ondertoon’. Carl De Strycker preciseert dit beeld nog door Anbeeks poëziebeschouwing te typeren als ‘een close reading waarin de structuuranalyse dienstbaar is aan de inhoudelijke analyse’.

Het is geen geringe verdienste van Letterkunde met lef dat het boek nieuwe vragen oproept. Wat maakt een letterkundige neerlandicus tot een beeldbepaler? Op grond van de bijdragen in deze bundel kan ik alleen een tentatief antwoord wagen. In het geval van Anbeek speelden zijn indrukwekkende productiviteit, zijn vlotte stijl en zijn lef beslist een rol. In verder onderzoek zou ook de literaire en wetenschappelijke infrastructuur moeten worden betrokken. Dat Anbeeks meest spraakmakende publicaties verschenen in literaire tijdschriften als Maatstaf, De Gids, De Revisor en Literatuur en bij uitgeverijen als Athenaeum – Polak & Van Gennep en De Arbeiderspers heeft beslist bijgedragen aan de bekendheid van zijn werk bij een breder publiek dan dat van de vakgenoten. Ten slotte lijkt het erop dat letterkundigen van zijn generatie vooral opgang konden maken met wat volgens Anbeek op theoretisch vlak vermoedelijk het maximaal haalbare was: het ontwikkelen van een classificatiemodel en een daarop gebaseerde typologie. Zo maakte W.J. van den Akker naam met zijn verfijning en systematisering van het poëticamodel en wordt Ton Anbeek onthouden vanwege de acht prototypische kenmerken van het naturalisme. Maar dit zijn overwegingen voor later vakhistorisch onderzoek, waar Letterkunde met lef goede bouwstenen voor aanlevert.

Anbeeks boutades tegen ‘theorie’ kunnen we beter naast ons neerleggen. Wat hij scherper dan wie dan ook zag was dat de neerlandistiek haar maatschappelijke basis moet behouden of terugwinnen, want in die basis ligt haar bestaansrecht. Anno 2021 doen we er dan ook goed aan deze onheilspellende woorden van Anbeek ter harte te nemen, uit een essay in De Gids van 1974: ‘Wij kunnen praten over de subtiliteiten van de literaire ruimte zoveel we willen, maar ten slotte zullen wij dan de enigen zijn die zich nog in die ruimte bevinden, in een verder door iedereen verlaten bibliotheek.’ Het is aan ons om toekomstige generaties te laten zien dat deze vrees ongegrond was.

Mathijs Sanders

Lars Bernaerts, Linde De Potter, Koen Rymenants (red.), Letterkunde met lef. Ton Anbeek als onderzoeker en criticus. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letteren (KANTL), 2020. – 166 pp. ISBN: 978 94 6388 671 0. € 19,50.

 

Waar is de gender bias?

‘Coowlen?’ Op het NovelTM Congres 2018 in Montreal hoor ik professor Ted Underwood – internationaal vermaard om zijn pionierswerk op het gebied van de computationele letterkunde – een poging doen de naam van Corina Koolen uit te spreken. In een discussie over literaire kwaliteit, gender en stereotypes haalt hij haar met Andreas van Cranenburgh gepubliceerde artikel ‘These are not the Stereotypes You are Looking For: Bias and Fairness in Authorial Gender Attribution’ (2017) aan. Hij is lyrisch. Niet alleen over het artikel, maar ook over het bredere onderzoeksproject The Riddle of Literary Quality (2012-2019) waar het uit voortkomt. De combinatie van grootschalig lezersonderzoek (Nationale Lezersonderzoek 2013) en computationele tekstanalyse is inderdaad uniek: niet eerder is er zulk datagedreven onderzoek gedaan naar de relatie tussen lezersoordelen en tekstkenmerken. The Riddle of Literary Quality was een aanzet tot een computationele operationalisering van de grote vraag wat literaire kwaliteit is. In plaats van te verzanden in definities die literatuurwetenschappers sinds jaar en dag vanuit hun leunstoel hebben proberen te formuleren, vertrok dit project vanuit de simpele maar heldere hypothese dat teksten die meer of minder literair beoordeeld worden wel eens meetbare kenmerken gemeen zouden kunnen hebben. Grammaticale complexiteit, bijvoorbeeld, of het gebruik van bepaalde onderwerpen of thema’s.

Hoewel die benadering in de kringen van meer kwantitatief ingestelde letterkundigen doorgaans in goede aarde viel, is ze verre van oncontroversieel in andere regionen van de literatuurwetenschap. Literatuur door een computer halen? Literaire kwaliteit meten? Blasfemie! Die weerstand is onderdeel van een bredere discussie over de opbrengsten en gevaren van het schijnbaar oprukkende, maar nog steeds relatief marginale distant reading binnen de muren van letterenfaculteiten in binnen- en buitenland. Dat die discussie levendig is, blijkt uit het online platform dat wetenschappelijk tijdschrift Critical Inquiry oprichtte naar aanleiding van het artikel ‘The Computational Case against. Computational Literary Studies’ (2019) van Nan Z. Da, waarin door de groten der letterkunde van gedachten werd gewisseld over de intrede van de computer, waarbij de gemoederen niet zelden hoog opliepen. Ik heb hier te weinig ruimte om de relatie van Koolens nieuwe boek tot die discussie in kaart te brengen, en zal moeten volstaan met de observatie dat haar innovatieve computationele benadering in de letterkundige gemeenschap niet alleen tot fascinatie (zoals van Ted Underwood en van ondergetekende), maar ongetwijfeld ook tot scepsis zal hebben begeleid.

En dan hebben we het nog niet eens over gender gehad. Dit is geen vrouwenboek. De waarheid achter m/v-verschillen in de literatuur (2020) is een bewerking van het proefschrift Reading Beyond the Female. The Relationship Between Perception of Author Gender and Literary Quality (2018) waar Koolen op promoveerde. Dat leidde toen al tot een kleine controverse in het publieke debat, waarbij onder andere Elma Drayer en Jamal Ouariachi hun stem lieten horen. Hoewel Koolens observatie dat lezers in het Nationale Lezersonderzoek 2013 vrouwelijke schrijvers als minder literair beoordelen dan mannelijk schrijvers moeilijk aanvechtbaar is (de statistieken spreken in dit geval voor zich), bleken haar mogelijke verklaringen en interpretaties van dat patroon heel goed aanvechtbaar voor mensen die jeukerig worden van alles wat maar in de verte riekt naar identiteitspolitiek. Meestal ging de kritiek niet verder dan weinig gegronde beweringen als dat het toch wel meevalt met die biases rondom vrouwelijk auteurschap die Koolen op consciëntieuze en overtuigende wijze hard maakt in haar proefschrift.

Het publieksboek Dit is geen vrouwenboek is niet alleen een vertaling van haar onderzoeksresultaten in aangenamer proza, met minder jargon en een anekdotische, persoonlijke stijl (‘Herfst 2019. Joris grinnikt even als hij het koffietentje binnenkomt waar ik met hem heb afgesproken’ [p.11]), het bouwt ook duidelijk voort op de discussie rondom haar proefschrift in 2018. Al op de eerste bladzijden spreekt ze haar criticasters en de mensen die ze onder de grotere noemer ‘Club Gendermoeheid’ schaart expliciet toe (‘Sorry, Arnon. Ik stel voor: lees als allerlaatste actie dit boek, dan lossen we alles op en dan praten we er nooit meer over’ [p.13]). Het voordeel daarvan is dat haar kaarten meteen op tafel liggen, het nadeel is dat het een wij-zij-gevoel oproept. Op zich is het natuurlijk helemaal geen slecht idee om je te verhouden tot je (potentiële) critici, en Koolen doet dat op zeer genuanceerde wijze, waarbij ze de lezer stap voor stap door haar onderzoeksproces heen loodst. Mijn enige, bescheiden bezwaar is de soms positivistische toon die Koolen daarbij hanteert. Dat zit bijvoorbeeld in de ondertitel van het boek De waarheid achter man-vrouw-verschillen in de literatuur en in het ‘QED’ (Quod Erat Demonstrandum) waarmee ze haar conclusie afsluit. Het gaat hier niet zozeer om inhoudelijke, maar eerder om stilistische keuzes die mijns inziens onnodig suggereren dat de waarheid over gender en literaire kwaliteit nu voor eens en voor altijd boven tafel is. Het strookt ook niet met Koolens weloverwogen reflecties op het gebruik van datagedreven computeranalyse, waarbij ze eigenlijk eerder een anti-positivistische houding inneemt, zoals wanneer ze in de bijlage ‘Verklarende lijst computerprogramma’s’ nuanceert dat die computerprogramma’s ‘niet De Waarheid [opleveren], maar […] vooral nuttig [zijn] om inzicht te geven in patronen, die anders wellicht niet op zouden vallen’ (p. 211). Als er al een waarheid is over man-vrouw-verschillen in de literatuur, dan komen weinig boeken daar dichter bij in de buurt dan dat van Koolen. Maar De Waarheid bestaat natuurlijk niet, zoals Koolen zelf heel goed weet, dus waarom die suggestie wekken?

Los daarvan weet Koolens boek me veelvuldig te inspireren. Ter illustratie licht ik één aspect uit dat wat mij betreft navolging mag krijgen: haar gebruik van institutionele analyse ter aanvulling op en soms verklaring van haar computationele tekstanalyses. Het meest in het oog springend is haar concept ‘de literaire ladder’, waarmee ze onderscheid maakt tussen de mate waarin mannen en vrouwen scoren op oplopende niveaus van literair prestige, van professioneel auteur naar literair auteur naar gerecenseerd worden naar genomineerd worden voor een literaire prijs naar een prijs winnen. Hoe hoger we op de literaire ladder komen, hoe minder aanwezig vrouwelijke auteurs zijn. Als slechts 21 tot 25% van de literaire prijzen door vrouwen worden gewonnen, dan is het niet vreemd dat men literaire kwaliteit met mannelijk auteurschap blijft associëren. En dit is slechts één van de vele (institutionele en tekstuele) patronen die Koolen aanhaalt als mogelijke verklaringen van die gender bias onder lezers.

In meer algemene zin is haar drieledige methodologische raamwerk de belangrijkste bijdrage van Dit is geen vrouwenboek aan de studie van gender bias in literatuur. Op overtuigende wijze brengt ze drie dimensies samen: 1) de lezer (hoe oordelen lezers over literaire kwaliteit van vrouwelijke ten opzichte van mannelijke auteurs?); 2) de tekst (zijn er typisch mannelijke of vrouwelijke tekstkenmerken?); en 3) de institutionele context (welke positie hebben vrouwelijke auteurs in het literaire veld en welke infrastructurele factoren spelen daar een rol in?). Haar bevinding dat er andere normen gelden voor vrouwelijke dan voor mannelijke schrijvers komt waarschijnlijk niet als een verrassing; het is vooral de rijkheid van perspectieven op en mogelijke verklaringen van die normen die dit boek zo lezenswaardig maakt. Vrouwelijke schrijvers worden significant lager beoordeeld door lezers dan mannelijke schrijvers. Genre speelt daar een rol in: het romantische genre kent vooral vrouwelijke auteurs en scoort het laagst, maar ook literaire romans geschreven door vrouwen scoren lager. Niet digitale tekstanalyse maar institutionele analyse lijkt uiteindelijk tot de meest bevredigende verklaring te leiden: hoewel vrouwen een andere grammaticale stijl en onderwerpkeuze hanteren dan mannen (al is dit nogal een complexe kwestie met ruimte voor interpretatie), wijdt Koolen dat verschil in beoordeling vooral aan institutionele factoren zoals de bovengenoemde ‘literaire ladder’ (vrouwen zijn minder zichtbaar aan de ‘top’ van het literaire veld, wat bijdraagt aan de beeldvorming). Intuïtief lijkt dat misschien logisch (want we zien, bijvoorbeeld, dat vrouwen minder prijzen winnen), maar Koolens boek laat ook zien hoe complex die intuïtie is. We vinden van alles, ook over gender en literatuur, maar waarom we dat vinden heeft vaak te maken met onbewuste en niet-objectieve opvattingen die gevormd worden door vage associaties, ingesleten stereotypen, eeuwenoude culturele patronen. Kristalhelder zal het wel nooit worden, maar na lezing van Dit is geen vrouwenboek zijn die vage associaties in ieder geval een heel stuk minder vaag.

‘Her name is Corina Koolen’, antwoordde ik op de vraag van Ted Underwood, ‘her work is awesome’.

Roel Smeets

Corina Koolen, Dit is geen vrouwenboek. De waarheid achter man-vrouw-verschillen in de literatuur. Amsterdam: HarperCollins, 2020. 224 pp. ISBN: 978-94-0270-557-7. €22,50.

Een Hollandse freule?

Geboren, getogen, maar niet geaard in Holland. De intellectuele en ruimdenkende Belle van Zuylen had een moeizame relatie met haar geboorteland. Het verbaast dan ook niet dat literatuurhistorici zich al meermaals afvroegen of ze Belle wel tot de Nederlandse literatuurgeschiedenis mochten rekenen. Ze schreef immers zelden tot nooit in het Nederlands. Dat er bovendien lang weinig bekend was over Belles Hollandse jaren – waaraan een einde kwam met haar huwelijk met de Zwitser Charles-Emmanuel de Charrière – hielp niet.

Zo’n twintig jaar geleden ontdekte Kees van Strien in Nederlandse familiearchieven een grote hoeveelheid onbekend materiaal van en over de Hollandse Belle. Deze ontdekking bracht brieven aan het licht over haar eerste liefde, de Poolse graaf von Dönhoff, die ze geregeld in Utrecht ontmoette. Ook uitgebreide reacties op haar Portrait de Zélide, het geschreven zelfportret dat ze schonk aan haar Delftse vriendin Susanna Hasselaer, en Le Noble, haar eerste novelle (gepubliceerd in Amsterdam), werden onthuld. Van Strien trof daarnaast waardevolle documenten aan over Le Papillon et les deux Araignées, de fabel die ze schreef naar aanleiding van een schandaal dat mede veroorzaakt was door een van haar Hollandse huwelijkskandidaten, baron Van Pallandt. Dit en ander onbekend materiaal presenteerde Van Strien eerder al in Isabelle de Charrière (Belle de Zuylen). New material from Dutch archives (2005). Met het verschijnen van Belle van Zuylen. Een leven in Holland is hiervan nu ook een Nederlands verslag.

Belle van Zuylen. Een leven in Holland bestaat uit vijftien korte hoofdstukken, waarin Belles leven in Holland tot haar huwelijk en vertrek naar Zwitserland centraal staat. De biografie sluit af met een korte schets van haar leven als Mme de Charrière – zoals ze sinds haar huwelijk bekendstond – en een overzicht van de receptie van haar leven en werk in Nederland. Van Strien reconstrueert dit levensverhaal uit brieven, verzen en fabels van Belle en haar tijdgenoten. Illustraties zetten het verhaal kracht bij. Een leven in Holland bevat tot slot een overzicht van veelgenoemde personen: geen overbodige luxe in een beknopte biografie waarin heel wat verschillende stemmen spreken. Ondanks de compactheid blijft Belles levensverhaal overigens goed leesbaar dankzij Van Striens toegankelijke en vlotte stijl. Van meerwaarde is ook de moeiteloze manier waarop hij oorspronkelijk Franse en Engelse woorden, uitdrukkingen en zinnen van Belle en haar tijdgenoten bewust onvertaald in de tekst weet te verweven. Daarmee weerspiegelt de tekst Belles meertaligheid.

Dat Belle zelf verbaasd was een Hollandse te zijn en verlangde naar de vrijheid om uit Utrecht weg te trekken, komt in Een leven in Holland uitvoerig aan bod. Zo opent Van Strien met het beeld van Belle als een kind dat zich meteen in de Franse taal en cultuur onderdompelde. Vervolgens beschrijft hij haar zoektocht naar een geschikte echtgenoot en laat hij zien hoe Belle tijdens haar Hollandse periode correspondeerde met een schare aan internationale bewonderaars die naar haar hand dongen. Onder andere haar eerste grote liefde, Pieter von Dönhoff, haar meest constante geliefde, Constant d’Hermenches, haar Schotse aanbidder, James Boswell, en haar uiteindelijke echtgenoot, Charles-Emmanuel de Charrière passeren de revue. Verder schenkt Van Strien veel aandacht aan Belles tot dusver weinig bekende relatie met Adolf van Pallandt en Gijsbert Jan van Hardenbroeck, haar twee Nederlandse huwelijkskandidaten. Belle achtte geen van beiden geschikt, niet in de laatste plaats vanwege hun afkomst. Belles reactie op Van Hardenbroecks aanzoek sprak in dat opzicht boekdelen: met hem zou ze in de wereld van de Utrechtse beau monde blijven hangen, de wereld waarin ze opgegroeid was en waaruit ze per se weg wilde. Belle wou haar vrijheid. Vrij zijn om lief te hebben, te reizen, te corresponderen, te publiceren, toneelstukken te laten opvoeren en te componeren. Dat (b)leek enkel mogelijk wanneer ze een huwelijk aanging met een buitenlander. Het zou uiteindelijk De Charrière worden.

Toch was ook dat huwelijk niet vanzelfsprekend. Voor een man als De Charrière was Belle niet alleen te rijk maar vooral te intelligent. Ze had, zoals ze zelf treffend schreef, geen ‘talent voor ondergeschiktheid’. Ook dit aspect belicht Van Strien in Een leven in Holland. Zo onderstrepen de eerder onbekende reacties van Dönhoff en Van Hardenbroek op Belles kortverhaal Le Noble hoe Belle van Zuylen conventies aan haar laars lapte. In een brief aan Van Hardenbroeck schreef Dönhoff dat hij deze ‘al te intellectuele vrouw tot rede [moest] brengen’ (52). Later vroeg hij Van Hardenbroeck een brief aan de auteur van Le Noble te bezorgen waarin ene markies d’Arnonville speculeerde over een komedie die intellectuele vrouwen moest laten inzien dat ze niet zomaar verhalen konden publiceren. Belles reactie op dit literaire spel was spontaan en vol zelfvertrouwen: zelfs al was Le Noble geen goed verhaal, dan nog zat ze daar niet mee; ze had ervan genoten toen ze het schreef.

Aan de hand van uniek archiefmateriaal slaagt Van Strien erin Belles moeizame en onderbelichte relatie met Holland, die met een sterk verlangen naar vrijheid en intellectuele ontwikkeling gepaard ging, in een nieuw daglicht te plaatsen. Wat ontbreekt in deze synthese, is de mogelijkheid om de brieven, fabels en verzen van Belle en haar tijdgenoten uit eerste hand te ontdekken. Belle van Zuylen. Een leven in Holland prikkelt desondanks de verbeelding en zet aan tot een verdere (her)ontdekking van Belles ‘Hollandse oeuvre’. Een meer uitgebreide editie, eventueel voorzien van Nederlandse vertalingen van het oorspronkelijke materiaal en aangevuld met notities van Van Strien, zou deze (her)ontdekking mogelijk maken. Het zou bovendien een aanknopingspunt voor vervolgonderzoek naar Belles Hollandse periode kunnen vormen. Dit zou ons enkel ten goede komen, als we een van Belles toenmalige bewonderaars mogen geloven: ‘Hoe meer ik het vers van de freule lees, herlees, inzie en naga, hoe meer fraais, aardigs, kundigs en geestigs ik erin vind. En geen wonder!’ (43-44).

Amélie Jaques

Kees van Strien, Belle van Zuylen. Een leven in Holland. Soesterberg: Aspekt, 2019. 167 pp. ISBN: 978 94 633 8744 6. € 16,95.

Een plaats in de zon voor een vergeten dichter-schilder

In januari 2012 ontdekte Frederica Van Dam de bundel Tableau Poetique in het Warwickshire County Record Office op een microfiche uit 1965. Deze ontdekking zou leiden tot de uitgave van Lucas d’Heere, Tableau Poetique. Verzen van een Vlaamse migrant-kunstenaar voor de entourage van de Seymours op Wolf Hall (2016) door Frederica Van Dam en Werner Waterschoot. De protestantse kunstenaar Lucas d’Heere was zowel schilder als dichter, en vluchtte rond 1567 uit het katholieke België naar het protestantse Engeland van Elizabeth I. d’Heere wist zich goed te integreren in de hogere sociale kringen van Tudor Engeland en vond een langdurige mecenas in Edward Seymour, aan wie het Tableau Poetique is opgedragen. De wetenschappelijke ontdekking van het Tableau biedt de mogelijkheid om de lezer ‘heel wat nieuwe informatie over de schilder-dichter en zijn omgeving [te] verschaffen en zo dit portret van een kunstenaar, zijn tijd en omstandigheden meer diepgang verlenen’ (88).

Het boek begint met een tweedelige inleiding waarin Lucas d’Heere wordt geïntroduceerd en de dichtbundel letterkundig wordt geanalyseerd. Na een korte beschrijving van het handschrift volgt de transcriptie van Tableau Poetique. De Nederlandse vertaling wordt weergegeven naast de originele Franse tekst, waaronder voetnoten te vinden zijn met codicologische, kritische of letterkundige opmerkingen. De transcriptie wordt gevolgd door het hoofdstuk ‘Aantekeningen’, waar het literair commentaar, de biografische gegevens en de literatuurverwijzingen per item te vinden zijn. De sluitstukken van het boek zijn een zeer beknopte Engelse samenvatting, de literatuurlijst en illustraties in kleur.

In Van Dams inleidende hoofdstuk ‘Lucas d’Heere als schilder in Engeland’ ligt de nadruk op d’Heeres sociale en economische integratie in de hoge kringen van Elizabeth i’s Engeland. Ook d’Heeres schilderkunst, zowel bekende werken als toegeschreven stukken, worden besproken.

Binnen het huishouden van de Seymours was Lucas d’Heere verantwoordelijk voor allerhande schilderwerk, waaronder het kopiëren van bestaande portretten en het zetten van muurschilderingen. Deze veelzijdigheid kwam verder naar voren in zijn dichtkunst. Hierin kon hij ‘zijn artistieke bestaan, capaciteiten én veelzijdigheid demonstreren aan Hertford, de Seymours en hun adellijke en andere contacten’ (23).

De connectie tussen d’Heeres schilderkunst en zijn poëzie is in theorie duidelijk aanwijsbaar, maar in de praktijk niet zo evident. Hoewel het Tableau diverse aanwijzingen bevat over de portretten die d’Heere mogelijk geschilderd heeft, is er niets over deze werken bekend. Daarnaast zijn vele privéverzamelingen in Engeland ontoegankelijk, wat verder onderzoek bemoeilijkt. Ook is men het in kunsthistorische kringen niet eens over de werken die gerekend kunnen worden tot het oeuvre van d’Heere en dat maakt de identificatie van onbekende werken lastiger.

Van Dams argumentatie voor de nieuwe toeschrijving van werken aan Lucas d’Heere is dan ook niet geheel overtuigend. Het gaat om het Salomonsoordeel (eerder toegeschreven aan Anthuenis Claessins) en Portret van een jonge vrouw (toegeschreven aan Pieter Pourbus) – beide werken zijn ongedateerd. In het geval van het Salomonsoordeel noemt Van Dam d’Heeres Sheba voor Salomo (1559) als vergelijkingsmateriaal. De compositie komt inderdaad overeen, maar deze is zeer gebruikelijk bij deze voorstelling. Van Dam noemt ook de stilistische overeenkomsten tussen beide werken, en de gelijkenissen met figuren uit d’Heeres Kostuumboek. Het meest overtuigende argument voor toeschrijving is de gelijkaardige manier waarop handen, ogen en haar zijn geschilderd in Sheba voor Salomo en het Salomonsoordeel.

Bij het Portret van een jonge vrouw staat een gebrek aan informatie een grondig onderzoek danig in de weg – het werk bevindt zich in een privéverzameling en de infrarood opname van het paneel is niet openbaar. Aldus is het werk door de auteurs aan d’Heere toegeschreven op stilistische gronden. De toeschrijving van het haast maniëristische De Vrije Kunsten slapen tijdens oorlogstijd (ca. 1567?), wordt overtuigend ontkracht op stilistische, theoretische en praktische gronden.

Het hoofdstuk bevat verder uitgebreide uitweidingen over specifieke personen, locaties en sociale relaties. Deze uiteenzettingen zijn helaas ook een zwak punt in dit hoofdstuk: het gebrek aan structuur en de onbeduidende details maken het lastig voor de lezer om de hoofdlijnen te scheiden van de bijzaken. Van Dams rommelige schrijfstijl en het gebrek aan nummering bij de gebruikte afbeeldingen maakt bovendien dat haar argumentaties lastig te volgen zijn.

Het tweede deel van de inleiding, ‘De bundel Tableau Poetique’, is geschreven door Werner Waterschoot. In dit hoofdstuk worden de totstandkoming van de bundel, de gebruikte dichtvormen en de thematische constanten in de gedichten behandeld. De geschiedenis van d’Heeres poëtische output wordt behandeld door Waterschoot, evenals zijn literaire vooruitgang.

Volgens Waterschoot is de opzet en lay-out van de bundel nauw verbonden met de functie van Tableau Poetique: ‘De bundel manifesteert niet meer in de eerste plaats de poëtische werdegang [ontwikkelingsproces; zh] van een individu, maar fungeert daarvoor als representatie van de grootheid van het hoogadellijk huis Seymour in het algemeen en van het hoofd van dat geslacht, Edward, graaf van Hertford, in het bijzonder’ (90).

De bundel verleende prestige en literaire grandeur aan het geslacht Seymour, en was daarnaast een gelegenheid voor d’Heere om zich te profileren als dichter binnen deze hoge kringen. De plaats van d’Heere in de huishouding van de Seymours verleende hem toegang tot de hooggeplaatste protestantse elite. Het kernstuk van de bundel betreft dan ook sonnetten geschreven voor (en waarschijnlijk voorgedragen aan) deze leden van de Engelse aristocratie.

In dit hoofdstuk worden de gedichten onderworpen aan een grondige letterkundige analyse. Deze analyse is voor de leek ietwat lastig te volgen: ‘Het derde epigram (F.32r) telt 12 decasyllaben en bezit een zuiver gekruist rijmschema ababbcbccdcd met regelmatige alternantie van mannelijk en vrouwelijk rijm en normale cesuur na de vierde syllabe. Korter is het vierde epigram (F.32v): slechts 7 verzen, octosyllaben met rijmschema aabccbb (tweemaal gepaard rijm met tussenrijm en cauda) en regelmatige alternantie van mannelijk en vrouwelijk rijm’ (Waterschoot 2016: 106). Dit technische element zal de poëziekenner echter zeker waarderen.

Binnen de analyse worden ook de literaire invloeden op d’Heeres werk benoemd en vergeleken, waarbij vooral Jan van Noot naar voren komt. Als laatste punt worden de thematische constanten in de bundel benoemd, die aansluiten bij Van Dams sociaalhistorische analyse. De focus op het protestantse gedachtegoed en de verering van Elizabeth i komt duidelijk naar voren in de gedichten. Deze elementen lijken niet alleen belangrijk te zijn geweest in d’Heeres eigen leven, maar konden ook op bijval rekenen onder de adellijke toehoorders.

De historische achtergrondinformatie in beide inleidende hoofdstukken helpt de lezer bij het duiden van de gedichten. De vele namen die genoemd zijn in Van Dams hoofdstuk komen vaak terug als onderwerpen van lofdichten. Aldus geeft de bundel een interessant beeld weer van de sociale en politieke omgeving van de Seymours in de late zestiende eeuw, en hun prioriteiten binnen deze kringen. Waar sommige personen een enkel lofdicht ontvangen, komen andere figuren veel vaker en nadrukkelijker aan bod. Deze verschillen binnen het Tableau laten de ingewikkelde sociale en politieke conventies zien in de wereld van de Seymours – conventies die d’Heere als buitenstaander moest zien te begrijpen.

Kortom, hoewel de opzet en de verschillen in schrijfstijl de editie wat onevenwichtig maken, is het werk zeker geslaagd in de opzet van de auteurs: het beeld van de auteur aanvullen, en de schilder meer waardering geven. De ontdekking van het Tableau heeft geleid tot een beter begrip van niet alleen d’Heere, maar ook van de Seymours en hun sociale omgeving. In Lucas d’Heere, Tableau Poetique wordt een vrij onbekende kunstenaar een zeer verdiende plaats in de zon geboden.

Zaida Hesta

Frederica Van Dam & Werner Waterschoot (ed.), Lucas d’Heere, Tableau Poetique. Verzen van een Vlaamse migrant-kunstenaar voor de entourage van de Seymours op Wolf Hall. Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 2016. 328 pp. ISBN: 978-90-72474-96-4. € 59,50.

Luisterrijk der letteren

Begin 2020: geen geschikter moment om een bundel over het hoorspel in handen te krijgen. Niet alleen lezen werd immers populairder in de coronacrisis, maar ook luisteren: podcasts, luisterboeken, voorlezingen – ze waren niet aan te slepen voor literatuurliefhebbers met vermoeide schermogen. Toen liet zich het gemis van een goede en online beschikbare hoorspelcanon goed voelen.

Weinig literaire genres zijn in de literatuurgeschiedenis zo stiefmoederlijk behandeld als het hoorspel. Komt toneel er vaak al vrij bekaaid af, in bijvoorbeeld Brems’ Altijd weer vogels die nesten beginnen over de literatuur van na 1945 komt het hoorspel zelfs helemaal niet aan de orde, hoewel de auteurs van Luisterrijk der letteren dat opmerkelijke feit hoffelijk verzwijgen. En die veronachtzaming is onterecht te noemen, want met name de jaren ’50 toonden spannende experimenten met het hoorspel waarin literaire auteurs hoorspelen schreven, vertaalden of adapteerden.

Hugo Claus en Ivo Michiels zijn dan ook namen die veel vallen in Luisterrijk der letteren, de bundel onder redactie van de Gentse letterkundigen Lars Bernaerts en Siebe Bluijs. Hun verzameling van elf artikelen en een ‘audiobibliografie’ maakt een flinke inhaalslag, doordat het net wijd wordt uitgegooid naar ‘Hoorspel en literatuur in Nederland en Vlaanderen’. In die ondertitel zit veel informatie: hij wijst erop dat er aandacht is voor de institutioneel en historisch zo verschillende context van de twee lage landen – wat bijvoorbeeld ontbrak in het overzichtswerk van Ineke Bulte uit 1984. Bovendien ligt de nadruk anders dan elders op het hoorspel als literatuur. ‘De geschiedenis van het literaire hoorspel in Nederland’, zo staat er in de uitvoerige inleiding, ‘is grotendeels een verhaal over wal en schip: binnen de literatuur kon het genre geen plek vinden en ook binnen de wereld van het hoorspel was het vernieuwende en literaire hoorspel een marginaal fenomeen’ (17).

Tegelijk doen we Luisterrijk der letteren flink tekort door de bundel te presenteren als een literair-historische inhaalslag, als een supplement op het bestaande verhaal. Je kan het ook omdraaien en deze analyse van het hoorspel zien als een nieuw zoeklicht op de literatuurgeschiedenis zelf. Omdat er zoveel op scherp komt te staan binnen dit hybride en multimodale genre, biedt het zicht op de balans tussen autonomie en heteronomie, tussen experiment en bevestiging van oude vormen, tussen literatuur en documentaire en vooral: tussen tekst en medium.

Bovendien laat Luisterrijk der letteren zien dat ieder kunstwerk een knoop is in een complex netwerk en op die manier bestudeerd moet worden. Hoewel er voor de bundel een handzame structuur is bedacht van vier domeinen – technisch-institutioneel, individuele auteurs, adaptaties en vertalingen – blijkt het genre van het hoorspel nooit op zichzelf te staan, al is het maar omdat het een ‘redelijk omslachtig, collectief en technologisch maakproces’ vergt (20). Vorm en inhoud zijn sterk afhankelijk van andere, vaak materiële of ideologische factoren, zoals de verzuiling van de omroepen en hun dito eisen. Zo bespreekt Jeroen Dera in zijn mooie bijdrage een hoorspel voor de VARA in opdracht van de Vereniging voor geheelonthouders. Je hebt Dera’s samenvatting niet nodig om te voorspellen hoe een hoorspeldrama rond een alcoholistische spoorwegovergangbewaker zal aflopen. De bloederige ontknoping is een heldere waarschuwing tegen drankgebruik. Volksverheffing via de radio kon in de praktijk ‘weerbarstig uitpakken’, concludeert Dera (106).

Naast de ideologische eisen zijn ook de technische en mediale restricties van invloed op het hoorspel. Zo werd de weergave van muziek op de radio beter dankzij de ontwikkeling van de ‘magneetband’, blijkt uit de bijdrage van Philomeen Lelieveldt.

Het medium bepaalt en structureert vooral ook de inhoud van hoorspelen. Dat geldt voor de radio zelf, maar ook de media waarmee radio concurreerde waren bepalend. Vooral de opkomst van de televisie is van beslissende invloed geweest voor de inhoud van de hoorspelen, die steeds in een zelfreflexief verband staan met de niet ‘blinde’ literaire genres en platforms: toneel, film en televisie. ‘Hypermediacy’ heet in de mediastudies die nadruk op het medium zelf, naar de klassieker Remediation van Bolter & Grusin uit 1999, een boek dat wonderbaarlijk afwezig is in Luisterrijk der letteren. En dat terwijl hypermedialiteit schering en inslag is in het genre van het hoorspel. Siebe Bluijs analyseert bijvoorbeeld ‘Inspraak’ van Bert Schierbeek, en laat knap zien dat de informatiestromen daarin verbonden konden worden met het rouwproces waar de oorspronkelijke roman over ging. Juist in een ‘spookachtig medium’ (179) als de radio kon de dood worden gethematiseerd.

Schierbeeks werk kwam zo vast en zeker in de buurt van het ‘radiofonische ideaal’ dat Paul Rodenko voorstond, waarin het woord, ingebed in de specifieke geluidsruimte, ‘lichaam’ zou krijgen. Het meest experimenteel zijn wellicht de  ‘audiodramatische collages van literaire fragmenten’ en ander radiowerk van Ivo Michiels, waarvan Lars Bernaerts in close-listenings demonstreert dat de stemmen vooral in het teken staan van machtsrelaties en van de narratieve versplintering van de anekdote. Zo blijkt hoe zelf-reflexief het genre bij Michiels uitpakte; als een soort opgelegde schrijfbeperking: een contrainte in de trant van Oulipo. Net zo goed als de volksverheffende hoorspelen die Dera besprak, blijkt ook dit werk veel van de luisteraar te kunnen vergen. Vandaar dat de vraag naar empathie bij het hoorspelpubliek, gesteld door Ellen Beyaert, een welkome aanvulling is. Ze laat zien hoe identificatie met de personages door allerlei ingrepen kan worden vergroot en verkleind.

Waar ik geen expliciete verwijzing naar ben tegengekomen in de analyses, maar wat wel impliciet in veel van de geanalyseerde hoorspelen meespeelt, is het idee dat ‘the medium the message’ uitmaakt, om met McLuhan te spreken – een naam die eveneens ontbreekt in de bundel. Het gaat immers niet alleen om een voor literatuur nieuw materieel medium, maar ook om een literair massamedium dat een grote hoeveelheid luisteraars tegelijkertijd beluisterde. Dat geeft een simultane verbondenheid, een gemeenschap, die ook weer bijdraagt aan het effect van het hoorspel en die de inhoud beïnvloedt.

Dat de adaptatie van het papieren naar het orale medium ook gelijk een nieuwe interpretatie inhield, laat Eline Grootaert zien aan de hand van Louis Paul Boons novelle Menuet. De drie stemmen daarin lenen zich goed voor ‘audiofonische’ vertolking. Net als Linda Hutcheon in haar adaptatietheorie, wil Grootaert de loyaliteitsgedachte vermijden: het gaat niet om hoe trouw het hoorspel is aan de bron, al blijkt het lastig om niet precies daarover toch conclusies te trekken. Dat de door Hutcheon verguisde ‘loyaliteit’ best een interessante invalshoek kan zijn, blijkt ook uit de bijdrage van Geertjan Willems over de radio-adaptatie van het experimentele toneelstuk ‘De vertraagde film’ uit 1922 van Teirlinck. De institutionele context (de cultureel-educatieve lijn van de brt) bleek van cruciale en in dit geval conservatieve invloed op het omzetten van het toneelstuk: veel meer dan een verlate audio-opname van het toneelstuk leek het niet, terwijl Teirlinck zelf in een latere film veel verder ging met zijn aanpassingen.

Ook Linde de Potter wil in haar bijdrage iets weten over Claus, maar vooral ook over adaptaties zelf. ‘Moeten we “De Getuigen” beschouwen als “theater voor de blinden”’, vraagt ze zich af, ‘alsof iemand met een bandopnemer een theatervoorstelling heeft opgenomen?’ (231) Bij Claus hoefde er niet zoveel aangepast te worden, want zijn experimentele stuk had al veel niet-visuele aspecten en legde veel nadruk op dialoog en op klank en geluid in de regieaanwijzingen. Juist door te zien hoe makkelijk de toneeltekst een hoorspel wordt, krijgen we inzicht in de oorspronkelijke ‘hoorspelachtigheid’ van het toneelstuk.

De internationale context die veel wordt genoemd in Luisterrijk der letteren geeft reliëf aan de Nederlandse casussen, bijvoorbeeld door de censuur die werd toepast op een Claus-vertaling van Under Milkwood uit 1958. Pim Verhulst legt in zijn hoofdstuk daarover ook helder uit waarom het hoorspel en het modernisme zo goed bij elkaar passen, en hoe een documentaire en een literaire techniek daarin samen kunnen komen.

Omdat het losse artikelen zijn, mis je als lezer soms wel overzicht in al deze overvloed. Juist hier had een nieuw medium wel soelaas kunnen bieden. Wat deze rijke bundel nodig heeft is een elektronische omgeving, waarin diachrone en synchrone verbanden tussen de bijdragen hadden kunnen worden uitgestippeld. Beter nog: dan zouden de voorbeelden hoorbaar gemaakt kunnen worden. De lezer van dit boek gaat er al lezende immers steeds meer naar verlangen ook luisteraar te worden: een teken dat dit pleidooi voor de fascinatie van het hoorspel geslaagd is. Ik weet in ieder geval nu hoe ik mijn online corona-literatuurgeschiedeniscolleges luister moet bijzetten komend semester.

Yra van Dijk

Lars Bernaerts & Siebe Bluijs (red.), Luisterrijk der letteren. Hoorspel en literatuur in Nederland en Vlaanderen. SEL-reeks 13. Gent: Academia Press, 2019. 311 pp. ISBN: 9789401463942. € 34,99.

‘Hier aan boord kan je studiën maken…’

De zeereis tussen Nederland en Nederlands-Indië maakte tussen 1850 en 1940 ingrijpende veranderingen door. Zo wijzigden schepen, reisduur en route. Stoomschip en Suezkanaal wonnen het van zeilschip en Kaap de Goede Hoop. Nederlandstalige fictie over de zeereis bleef al die decennia echter verschijnen. Tientallen (inmiddels vaak vergeten) schrijvers uit de Indisch-Nederlandse letterkunde vertellen in hun romans, novellen en korte verhalen over de overtocht en de intriges tussen de opvarenden. Hun fictie is soms hartverscheurend: wanneer een huwelijkscrisis uitmondt in een zelfmoord. Af en toe is ze dweepziek: bij de zoveelste ontluikende ‘zoutwaterliefde’. Dan weer zijn de teksten bloedstollend: als er schipbreuk wordt geleden en een redder in nood net op tijd verschijnt.

Alle geledingen van de koloniale maatschappij komen in het genre voor: baren (nieuwkomers) en oudgasten, officieren uit adellijke geslachten en ‘eenvoudige’ commandanten, ambtenaren en particulieren, nonna’s en blanda’s, kokki’s en baboes. Om die reden kan de gemeenschap aan boord gezien worden als een microkolonie, waarin de kleine ruimte en het lange samenzijn ervoor zorgden dat de verschillen tussen alle groepen uit de Nederlands-Indische maatschappij intensifieerden. Het tekstcorpus van Indisch-Nederlandse fictie is daarmee een unieke bron voor onderzoek naar de veranderende representatie en constructie van de ideale koloniale identiteit.

Deze gedachtegang vormt het vertrekpunt in Coen van ’t Veers proefschrift De kolonie op drift. De representatie en constructie van koloniale identiteit in fictie over de zeereis tussen Nederland en Nederlands-Indië (1850-1940), dat bij Verloren in een fraai uitgegeven handelseditie is verschenen, en waarin 43 Nederlandstalige romans en verhalen over de zeereis tussen Nederland en Nederlands-Indië vanuit postkoloniaal perspectief worden geanalyseerd. In navolging van Engelstalige literatuurwetenschappers als Edward Said, Mary Louise Pratt en Elleke Boehmer, beziet Van ’t Veer koloniale literatuur als vormgever en bestendiger van een imperialistische werkelijkheid door de impliciet en expliciet uitgedragen superioriteit van het Westen en de ideale koloniale identiteit keer op keer in deze teksten te tonen.

De kolonie op drift valt uiteen in vier hoofdstukken die gezamenlijk de periode 1850-1940 omspannen. De keuze voor begin- en eindpunt is ingegeven door het feit dat het oudst gevonden verhaal dateert uit 1853 en in 1940 kwam er door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog een einde aan de geregelde mailreizen tussen Nederland en Nederlands-Indië. De eerste twee hoofdstukken handelen beide over literatuur uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Waar in het eerste hoofdstuk de verhalen over de zeilreis om de Kaap (1850-1895) geanalyseerd worden, bevat hoofdstuk twee de analyse van romans over de overtocht per Suezstoomschip (1870-1895). Hierna komen achtereenvolgens fictie over de reis per mailboot tussen 1895-1925 en 1925-1940 aan bod. De afbakening van de tijdvakken is gemaakt op basis van (technologische) vernieuwingen in de scheepvaart en politieke ontwikkelingen. Zo zien we tussen 1925 en 1940 niet alleen de ‘varende zeepaleizen’ (A. Alberts) verschijnen, maar bloeide in die jaren ook het Indonesische nationalisme.

De hoofdstukken zijn steeds op dezelfde manier opgebouwd. Na een inleiding en een historisch kader, worden de auteurs en de geselecteerde teksten een voor een beknopt geïntroduceerd. Vervolgens volgen een analyse van de werken en een conclusie. De analyse van de representaties, die in elk hoofdstuk het leeuwendeel vormt, is steeds opgedeeld in vier categorieën, te weten: de relatie tussen geografie en identiteit, stand en status, gender en etniciteit. De evenwichtige structuur van de hoofdstukken en de paragrafen draagt zonder meer bij aan de helderheid van het proefschrift. Tegelijkertijd krijgt het werk door deze indeling een repetitief karakter, waardoor de tekst aan aantrekkingskracht inboet. Mijns inziens had een hoofdstukindeling die gebaseerd is op centrale thema’s uit de verhalen, zoals liefde en erotiek aan boord, de leesbaarheid vergroot.

De resultaten van de studie tonen dat alle verhalen uit het tekstcorpus het dominante koloniale discours uitdragen; het bestaan van het koloniale systeem op zich wordt nergens afgekeurd. De fictie laat duidelijk zien hoe de ideale koloniale identiteit in de verschillende geledingen uit de Nederlands-Indische maatschappij tussen 1850-1940 werd gerepresenteerd en gepromoot. Raciale ideologieën blijken bij de vormgeving van koloniale idealen de belangrijkste rol te spelen. In de fictie wordt getoond hoe een ‘beschaafde’, ‘superieure’ Europeaan zich in de koloniale samenleving zou moeten gedragen en hoe niet, waarbij die ‘ongemanierde’ houding steevast wordt afgekeurd. Doordat de inheemse bevolkingsgroep daarnaast als minderwaardig wordt afgebeeld – als de ‘onbeschaafde’ en ‘primitieve’ ‘Ander’ – wordt het veronderstelde onderscheid tussen het Oosten en het Westen, dat de legitimatie vormt voor de koloniale overheersing, steeds opnieuw gecreëerd en geconsolideerd. Bovendien blijkt uit de analyses dat de koloniale identiteit voor een belangrijk deel al tijdens de reis van Nederland naar Indië wordt gecreëerd.

Daarnaast laten de analyses zien dat er in de loop van de tijd veranderingen optraden in het koloniale discours en de daarin ingebedde koloniale identiteit. Waar de koloniale ideologie voor 1895 een zekere mate van acculturatie voor Europeanen propageerde, moest onder druk van de ethische koloniale politiek de scheiding tussen het Oosten en het Westen na die tijd strikt worden gehandhaafd. Het doel van deze politiek was immers om de Indonesiër naar westers model te ‘beschaven’. Op hetzelfde moment, zo laat Van ’t Veer aan de hand van de verhalen zien, sloop de angst voor degeneratie van witte mensen in het discours en veranderde de ‘shade bar’ in een ‘colour line’: bevolkingsgroepen vloeiden niet meer in elkaar over, maar harde ‘raciale’ scheidslijnen deden hun intrede. Als de veronderstelde etnische kloof zou wegvallen, zou de rechtvaardiging van het kolonialisme onder druk komen te staan. Dit laatste lijkt in de verhalen over de zeereis in de loop der tijd ook te gebeuren: ‘De claim dat de westerse, witte man over een superieure vorm van beschaving zou beschikken, blijkt naarmate de tijd verstrijkt in de verhalen steeds minder goed houdbaar’ (273).

Hoewel bovenstaande uitkomsten zonder meer waardevol zijn – ze geven bijvoorbeeld inzicht in de wijze waarop koloniale machtsmechanismen ook vandaag de dag nog doorwerken – bevestigt De kolonie op drift voor een groot deel de bevindingen die andere literatuurwetenschappers, zoals Pamela Pattynama en Petra Boudewijn in hun postkoloniale onderzoek naar de Indisch-Nederlandse letterkunde al naar voren hebben gebracht. Hieronder vallen vaststellingen als: de Indische jonge vrouw in ‘oosterse’ kleding wordt in de koloniale teksten als hoogst aantrekkelijk gerepresenteerd voor de Europese man, terwijl zij tegelijkertijd een bedreiging voor hem vormt. En: de verindischte Europeaan wordt afgebeeld als een gevaar voor de legitimiteit van het kolonialisme.

Of we dit Van ’t Veer moeten aanrekenen is een kwestie van perspectief. Enerzijds kon hij voorafgaand aan het onderzoek niet weten dat het resultaat voor een belangrijk deel neer zou komen op een herhaling van zetten. Anderzijds had hij door een meer originele (theoretische) invalshoek te kiezen, de kans op nieuwe inzichten wel kunnen vergroten. De teksten die het theoretisch fundament van het onderzoek vormen (met name de studies van Said, Pratt en Boehmer) zijn beperkt in aantal en richten al sinds jaar en dag de blik van de postkoloniale onderzoeker van de Indische literatuur. De afwezigheid van bijvoorbeeld intersectionaliteit als theoretisch kader om te analyseren hoe de onderdrukkingsmechanismen die werkzaam zijn op het gebied van ‘ras’, stand, klasse en gender binnen de koloniale retoriek op elkaar inwerken, lijkt mij bijvoorbeeld een gemiste kans. Een verbreding van de theoretische horizon, of een radicalere bijstelling van de Angelsaksische theorievorming ten aanzien van dit specifieke Nederlandstalige materiaal, had zonder meer een originelere, meer uitdagende, studie opgeleverd.

Dit neemt niet weg dat in De kolonie op drift op heldere wijze een genre ontsloten, beschreven en geanalyseerd wordt dat tot op heden voor een groot deel nog onbekend was. Hoewel enkele werken en auteurs, met name binnen de Indische letteren, een zekere bekendheid genieten, zoals P.A. Daum en zijn roman Hoe hij raad van Indië werd (1888), weet Van ’t Veer met bewonderenswaardige ijver ook veel, soms zeer zeldzame, verhalen uit deze groep aan de vergetelheid te ontrukken. Dat is te prijzen, omdat uit het proefschrift zonder meer blijkt dat we dankzij deze teksten de complexiteit van de Nederlandse koloniale ideologie in ‘de Oost’, en de koloniale erfenis waar we vandaag de dag nog altijd mee worstelen, beter kunnen leren begrijpen.

Nick Tomberge

Coen van ’t Veer, De kolonie op drift. De representatie en constructie van koloniale identiteit in fictie over de zeereis tussen Nederland en Nederlands-Indië (1850-1940). Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2020. 320 pp. ISBN: 978-90-8704-825-9. € 29,-.

De wijze koopman

‘Een lofrede op de wijze koopman’. Zo is de oratie van Caspar Barlaeus (1584-1648) bij de opening van het Amsterdamse Atheneum Illustre op 9 januari 1632 vanouds opgevat. En terecht, zo laat deze uitgave zien, maar met een belangrijke clausule: het onderwerp waren niet de Amsterdamse kooplieden die in de zaal zaten. Al dachten ze zelf misschien van wel.

Caspar Barlaeus was opgeleid als theoloog en schoolde zich na de synode van Dordrecht (1618-1619) noodgedwongen om tot medicus, maar heeft nooit gepraktiseerd. Wel maakte hij naam als (privé)docent en Latijns dichter en toen Amsterdam hem in 1631 aanzocht voor de leerstoel filosofie aan de nieuw op te richten Illustere School was hij geen onlogische kandidaat. Wilde hij ook naar Amsterdam? Uit een brief van 16 april 1631 (in deze uitgave aangehaald op p. 10) spreekt bepaald geen enthousiasme voor een stad waar iedereen bezig was met handeldrijven en geld verdienen. Descartes vond het zoals bekend heerlijk om in zo’n omgeving te kunnen ‘onderduiken’, maar Barlaeus zag er vooral een intellectuele woestijn. Leiden of Utrecht spraken hem meer aan. Als vader van een groeiend gezin, zonder vast inkomen, had Barlaeus niettemin weinig keus en uiteindelijk schijnt het tussen hem en Amsterdam goed te zijn gekomen. Maar als één ding uit deze uitgave duidelijk wordt, dan is het wel dat het anno 1632 nog niet zo ver was.

Wie het betoog leest door de bril die deze uitgave aanreikt, ziet pas goed welk punt Barlaeus maakt. Hij begint met de lof van de uit haar voegen barstende koopstad, waar voor elk praktisch probleem een oplossing wordt gevonden. Maar vervolgens zegt hij bijna met zoveel woorden dat men er aan het belangrijkste nog nauwelijks is toegekomen: wijsheid en wetenschap, het domein van de filosofie. Zonder die kan een koopman nooit meer zijn dan een blinde materialist. Zo leidt Barlaeus de hoofdstelling van zijn betoog in: een koopman is een beter en gelukkiger mens naarmate hij beter in de filosofie is onderlegd (77). Deze stelling wordt op klassieke wijze onderbouwd met een reeks historische en (moraal)filosofische argumenten; een refutatio (weerlegging van mogelijke tegenwerpingen) ontbreekt niet. In de peroratio worden bestuur, burgers en jeugd van Amsterdam tenslotte opgeroepen om de nieuw gestichte Illustere School in ere te houden. Maar dus niet omdat ze wijze kooplieden zijn, maar omdat ze het moeten worden.

De kooplieden in het gehoor hadden dus weinig reden zich te koesteren in de lof van de geleerde man. Ze worden niet geprezen, maar onderricht. Alle mooie woorden ten spijt staat er niets anders dan dat hun culturele vorming nog zeer te wensen overlaat (52). Wie Barlaeus precies leest (zoals hier gebeurt) moet zelfs concluderen dat hij ‘de wijze’ sowieso ver boven ‘de koopman’ verheft. Met Pythagoras onderscheidt hij drie mensentypes op een markt: kopers, verkopers en toeschouwers. De laatsten – de filosofen, die onthecht naar de wereld kijken – schat hij het hoogst in (81). En zulke mensen zou de Illustere School moeten opleiden? Men had zich kunnen afvragen hoe het dan verder had gemoeten met Amsterdam.

Zo’n vraag is destijds en ook later niet gesteld, en dat laat alleen maar zien hoe knap Barlaeus zijn boodschap (en zijn publiek) heeft verpakt (en ingepakt). Dat neemt niet weg dat een goede verstaander een ietwat dubbel gevoel kan hebben gehad, ook al door de houding die de nieuwe professor aannam ten opzichte van de godsdienst. De ene na de andere klassieke autoriteit haalt hij aan, maar de Schrift wordt hooguit in bepaalde zinswendingen bekend verondersteld. Natuurlijk, Barlaeus sprak als filosoof en niet als theoloog. Maar ging het niet toch heel ver als hij, vanachter de brede rug van Erasmus, Cicero aanhaalt als hoogste autoriteit op moreel gebied (101)? En nadrukkelijk roept hij zijn Amsterdamse kooplieden op om toch vooral geen acht te slaan op wat een viertal beroemde (en ook in de protestantse traditie hooggeschatte) kerkvaders over de koophandel hebben gezegd, maar om liever te luisteren naar Solon, Thales, Plato (115-117). Nota bene: de enige christelijke auteurs die hij (behalve Erasmus) aanhaalt, noemt hij dus enkel om ze als irrelevant af te serveren. We kunnen Barlaeus met zijn 48 jaar misschien moeilijk een ‘jonge hond’ noemen, zoals nieuw aantredende hoogleraren in Amsterdam nog wel eens heten, maar naast de meer bezadigde Vossius zette hij in 1632 toch een mooi voorbeeld neer.

Het is een plezier om de deze zo ‘vaak geciteerde maar zelden gelezen’ tekst (citaat van Anthony Grafton op het achterplat) zo gepresenteerd en uitgelegd te krijgen als hier gebeurt. Er valt (in de paragraaf over de historische context) een vraagteken te zetten bij de voorstelling van de Dordtse synode als een plaats waar ‘both parties tried to settle the [religious] controversy’ (9), maar dat is in dit verband maar een heel klein detail. Belangrijker en weer volkomen overtuigend is de bespreking van de vraag of Barlaeus, zoals Howard Cook heeft gesuggereerd, zich in deze oratie een aanhanger toont van de ‘new philosophy’ (43, 51). Jonge hond of niet, daar blijkt niets van. Wetenschap was voor Barlaeus nagenoeg synoniem met studie van de klassieke literatuur; dat gold voor de moraalfilosofie, maar ook voor de meer praktische wetenschappen waar de koopman in thuis moest zijn, zoals de sociale en fysische geografie. Voor alle vragen op die gebieden kon de koopman terecht bij de beste auteurs uit de Oudheid, die nu (eindelijk) in Amsterdam een podium hadden gekregen.

Ton van Strien

Caspar Barlaeus, The Wise Merchant. Edited by Anna Luna Post; critical text and translation by Corinna Vermeulen. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2019. 134 pp. ISBN: 978 94 6298 800 2. € 29,95. Open access download: https://www.aup.nl/nl/book/9789048540020/the-wise-merchant.

Beschouwing van een Wijze Draak

Met een titel als Verhalen van de Drakendochter is een eerste aanname dat het hier om een fantasy-verhaal zou gaan niet geheel ongepast. Maar: de ‘Drakendochter’ in kwestie is de letterkundige en keltoloog Maartje Draak (1907-1995). De ‘verhalen’ vormen haar biografie, opgetekend door Willem Gerritsen (1935-2019), haar leerling en later collega. Het is ter nagedachtenis van diens overlijden dat de redactie mij, als jonge wetenschapper, gevraagd heeft dit boek te recenseren. Nu ik het boek gelezen heb, kan ik stellen dat die eerste indruk toch dichter bij de waarheid zat dan wellicht lijkt.

In zijn inleiding stelt Gerritsen zichzelf een nobel doel. Draaks wetenschappelijke oeuvre wordt nog steeds gelezen, maar het aantal mensen dat haar persoonlijk gekend heeft wordt steeds kleiner. Om te zorgen dat Draak als persoon niet uit ons collectieve geheugen verdwijnt, heeft Gerritsen de rol van biograaf op zich genomen. In de voetsporen van Draak stelt hij zichzelf daarnaast nog een tweede doel: ‘[r]echt echt te doen aan haar streven om bij een breed publiek interesse te wekken voor boeiende verhalen uit het verleden’ (11).

Gerritsen biedt ons een uitgebreide blik op de belangrijkste gebeurtenissen in het leven van zijn leermeesteres, van haar geboorte in Venlo tot aan haar overlijden in haar ‘Drakenhuis’ te Amsterdam, omgeven door vrienden en, zoals het een draak betaamt, de vele schatten die ze in haar leven verzameld heeft. De lezer volgt haar tijdens haar opleiding in de jaren twintig, kijkt mee naar de ook toen al lastige aanpassingsperiode na de studie, woont haar promotie bij in 1936 en loopt uiteindelijk mee met een uitzonderlijk succesvolle carrière.

Dit alles wordt met oog voor detail gepresenteerd. Gerritsen had een enorm uitgebreide verzameling bronnen die Draak achtergelaten heeft tot zijn beschikking: brieven, dagboeken, notitieschriften, kladversies van publicaties, reisverslagen, en veel meer. Een bijzonder voorbeeld: een verlanglijstje voor ‘Sintniekoolaas’, geschreven door een zes- of zevenjarige Maartje Draak (16).

Hoewel Draak uiteraard de focus van het boek is, krijgt de lezer vanuit haar oogpunt ook veel informatie over een verscheidenheid aan andere zaken. Zo wordt er beschreven hoe het geweest moet zijn om als vrouw te studeren in de jaren twintig – al heeft Draak hier zelf weinig over geschreven en ontbreekt dus juist hier haar persoonlijke ervaring (32). Net zo interessant is de blik die Draaks nalatenschap biedt op het leven als keltoloog tijdens de Tweede Wereldoorlog (119-121). Gedurende de oorlog had ze namelijk geen enkel middel tot contact met Ierland en het Verenigd Koninkrijk. Van de moderne luxes die het internet nu verschaft, was toen natuurlijk ook nog geen sprake. Gelukkig was niet alles zo duister: persoonlijk vond ik het mooi om ook te zien hoe het leven gewoon doorging, ondanks de bezetting, en hoe na de oorlog alles weer tot bloei kwam. Onderdrukte wetenschappelijke organisaties zoals de Philologische Kring kwamen weer bijeen en dierbare vrienden uit het buitenland namen weer contact op om voorzichtig ervaringen te delen (133).

Het moge duidelijk zijn dat Gerritsen oog had voor meer dan enkel de carrière van zijn leermeesteres. Hij staat niet alleen stil bij de historische context, maar ook bij belangrijke individuen die invloed op haar leven hebben gehad. Zo krijgen onder andere Theo Goten en Maartjes eigen leermeester, de keltoloog A.G. van Hamel, een minibiografie van enkele pagina’s. Gerritsens aandacht voor de historische en sociale context van zijn onderwerp, de zoektocht naar een zo volledig mogelijk beeld, geeft blijk van kwaliteiten die hem zowel als biograaf en als wetenschapper sieren. Wel vraagt zijn indrukwekkende oog voor detail om het nodige geduld van de lezer.

De lezer krijgt dus een gedetailleerd beeld van het leven en denken van Maartje Draak, maar is het ook een betrouwbaar beeld? Er mag aangenomen worden van wel, maar veel reflectie op de bronnen is er niet. Een groot deel van de informatie die gebruikt wordt, komt uit correspondentie met vader en moeder Draak en ook bij de vele dagboekfragmenten is het aannemelijk dat er sprake is van een zekere mate van performance – Draak presenteert zichzelf op een bepaalde manier aan haar beoogde publiek. Uiteraard was Gerritsen zich hier ook van bewust. Mogelijk is juist het feit dat je als onderzoeker niet om dit gegeven heen kunt de reden dat hij er weinig aandacht aan besteedt. Het maakt zijn bespreking in ieder geval niet minder indrukwekkend. Wel leidt het tot een conclusie die de lezer moet trekken, zeker in combinatie met het volgende: hier en daar bespreekt Gerritsen de ontvangst van Draaks verscheidene publicaties. Het merendeel is lovend, maar wanneer een enkeling kritiek uit, wordt het onderwerp steeds afgesloten met een paar woorden ter verdediging van Draak. Gerritsen positioneert zichzelf als trouwe leerling en de lezer moet concluderen dat dit werk niet alléén een wetenschappelijke biografie is, maar ook een eerbetoon aan een gewaardeerde vriend.

Dan resteert nog de vraag of de doelstelling gehaald is: krijgt de lezer een beeld van Draak als persoon en, ten tweede, draagt dit werk bij aan het populariseren van de oude verhalen die Draak zo fascineerden? Wat zijn secundaire doel betreft, kan ik alleen een indicatie geven. Gerritsen bespreekt de verhalen op een toegankelijke manier die blijk geeft van zijn eigen enthousiasme over het onderwerp. In de editie die nu in mijn boekenkast staat, zitten flink wat gele plakbriefjes, bijvoorbeeld bij een verwijzing naar een paar voor mij nieuwe verhalen uit het middeleeuwse Ierland. Ook andere recensenten zijn lovend, maar dat zijn vrijwel allemaal professionals. Op publieksplatformen waar ‘de gewone lezer’ zich kan uiten zijn nog weinig reacties te vinden en dus kan deze vraag alleen met een voorzichtig instemmend geluid beantwoord worden.

Over het hoofddoel van de biografie kan ik concreter zijn. Krijgen we een beeld van Maartje Draak als mens? In zijn laatste hoofdstuk laat Gerritsen de literatuur los en staat hij uitgebreid stil bij Draaks persoonlijkheid (die uiteraard ook in de eerdere hoofdstukken al doorsijpelde). Dankzij de vele foto’s is er sprake van beeldvorming op verschillende niveaus. Doordat er niet alleen aandacht is voor haar werk, maar ook voor de worstelingen op de achtergrond, het opbloeien van vriendschappen, het ontdekken en najagen van interesses zoals sprookjes en Aziatische kunst zowel in haar professionele leven als daarbuiten, staat de menselijkheid van Maartje Draak vast. En ook al hebben zij en ik slechts één jaar onder dezelfde zon bestaan, toch waren er passages waarin ik iets van mezelf herkende in deze indrukwekkende Draak – het willen delen van al het moois dat we vinden in eeuwenoude literatuur, maar ook het grote ‘wat nu’-gevoel na de studie en het botsen met de starre vooroordelen die aan de termen ‘Keltisch’ en ‘middeleeuws’ hangen, om maar een paar voorbeelden te noemen. Gerritsen weet de lezer zo te verbinden aan het leven van zijn leermeesteres, dat het poëtische slot van het boek een zeker gevoel van ontroering oproept. Wat dat betreft is Gerritsen zeker in zijn opzet geslaagd.

Ik begon deze recensie met de opmerking dat de titel van dit werk me meteen de indruk gaf met een fantasy-boek te maken te hebben. Hoewel dat niet het geval was, speelde het fantastische wel een enorm grote rol in het leven van Maarte Draak. De biografie schetst een bewogen leven, diep beïnvloed door verbeelding, van sprookjes uit het verre oosten tot de oudste Ierse verhalen.

Luke Schouwenaars

Willem Gerritsen, Verhalen van de Drakendochter. Leven en werk van Maartje Draak (1907-1995). Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2019. 304 pp. ISBN: 978 90 8704 769 6. €29,-.

Literaire klimaatverandering

Als mijn recensie, net als de artikelen in DWB’s uitgave ‘Het literaire klimaat 2010-2019’ mag beginnen met een toonaangevend moment, dan doe ik daarvoor graag een suggestie: 2020 – DWB’s ‘Het literaire klimaat 2010-2019’ wordt verplichte kost voor letterkundigen. Uit dit fictieve scenario blijkt mijn enthousiasme over dit nummer van DWB (september 2019), waarin de auteurs trachten de ontwikkelingen in de Nederlandse literatuur van het afgelopen decennium in kaart te brengen. Dat doen ze in tien essays, elk gecentreerd rond een bepalend moment in het literaire veld van de afgelopen tien jaar. Maar het gaat niet alleen om die momenten, en samenstellers Laurens Ham en Sven Vitse willen wel verder komen dan ‘pure casuïstiek: de fenomenen die we beschrijven, illustreren wel degelijk een aantal bredere veranderingen in de literaire wereld van vandaag’ (6). Een gedurfd streven, waar zij heel aardig in slagen.

Natuurlijk hadden er ook andere momenten of andere casussen gekozen kunnen worden, maar ik ben het met de auteurs eens dat je van een tijdschriftuitgave geen ‘uitputtende beschrijving’ kunt verwachten. Met dat in het achterhoofd vind ik de aanleidingen in deze behapbare, hedendaagse literatuurgeschiedenis, zoals ik het noem, overwegend begrijpelijk gekozen en inderdaad exemplarisch te noemen. In hun inleiding ontwaren Ham en Vitse drie terugkerende thema’s in de essays: (literaire) infrastructuur, verbinding en activisme, en diversiteit en openheid. In het eerste essay contextualiseert Laurens Ham de ontwikkeling van de literatuur in die van de gehele cultuursector in Nederland, die vanaf 2010 zowel met een economische kaalslag als met een cultuuromslag te maken kreeg. Langs de Schreeuw om Cultuur naar de Mars der Beschaving maakt Ham een verschuiving in het discours van kunstenaars in het cultuurdebat zichtbaar en zet in scherpe, spitsvondige bewoordingen overtuigend uiteen hoe ‘klasse’ als (vaak over het hoofd geziene) rode draad door dit debat loopt. In het essay dat hierop volgt vertrekt Sven Vitse vanuit de publicatie van het eerste nummer van literair tijdschrift Das Magazin, dat een nieuwe generatie lezers aan wist te spreken en uitgroeide tot een uitgeverij die, zo citeert hij letterkundige Anne Sluijs, ‘een hoeveelheid kritische aandacht [genereert] die doorgaans enkel voor uitgeverijen met een veel groter fonds is weggelegd’ (30). Aan de hand van de casus Das Mag brengt Vitse de spanning tussen stijl (‘hipheid’) en inhoud naar voren die vaker terug blijkt te komen bij de nieuwe generatie in de Nederlandse letteren. De inleiding en de twee essays van de samenstellers schetsen het klimaat waarin de literatuur anno nu moet opereren, want ook in de andere artikelen klinkt door hoe ‘de veranderende markt- en medialogica’ het literaire veld steeds meer uitdagen.

De essays illustreren aan de ene kant de diversiteit en toenemende openheid van het literaire veld. Kila van der Starre ontrafelt de aantrekkingskracht van Instagramdichters en laat overtuigend zien hoe de online component van poëzie voor een opleving zorgde. Jeroen Dera tekent, aan de hand van de beloning van een debutante met de VSB Poëzieprijs, uit hoe dichters Hannah van Binsbergen en Ellen Deckwitz elk een eigen dans met de markt opvoeren. Anne Sluijs beschrijft de positie van de Nederlandse literatuur in internationaal opzicht in een origineel essay waartoe het Nederlandse en Belgische gastlandschap op de Buchmesse als vertrekpunt dient. Maar de diversiteit en openheid maken volgens Ham en Vitse ook ‘dat de literatuur voor weinigen nog als een écht comfortabel thuis aanvoelt. Daarvoor zijn de stemmen te uiteenlopend, daarvoor is de deur te wijd opengezet’ (10). Aan de andere kant zijn er daarom essays die op vlijmscherpe wijze signaleren hoe het veld soms toch nog bar conservatief uit de hoek komt, zoals dat van Geert Buelens over de canonisering van Jef Geeraerts of dat van Saskia Pieterse over het thema van de Boekenweek in 2018. Anders dan de CPNB grijpt Pieterse de kans om de vrouwelijke stemmen in de literatuur op het thema ‘De moeder de vrouw’ te laten reflecteren. Haar zorgvuldige analyse maakt een tweestrijd van vrouwen in de literatuur zichtbaar, waar zij zich door maatschappelijke normen én hun eigen overwegingen in bevinden. Dit essay over romanpersonages uit het werk van Nina Polak en Niña Weijers wordt verrijkt doordat je daaraan voorafgaand al Esther op de Beeks en Yra van Dijks uitgebreide analyse kunt lezen over deze nieuwe generatie auteurs, hun engagement, en de vloeibaarheid van identiteiten in hun werk. In het gehele nummer van DWB werken stijl en inhoud bovendien uitstekend samen, want de artikelen zijn zeer leesbaar – met speelse metaforiek over ‘hoosbuien en overstromingen’ in het ‘literaire klimaat’ (59) en pakkende verwoordingen van confronterende observaties door bijvoorbeeld Ham en Buelens.

Bovenal maken de bijdragen duidelijk hoe we tussen ‘twee definities van literatuur’ (50) in zitten, zoals Sander Bax het verwoordt, of zelfs, in de bewoording van Van der Starre, tussen ‘twee werelden’ in (44). Om die verschillende werelden en hun onderlinge relaties goed te kunnen begrijpen, verlang ik als lezer echter nog naar meer overkoepelende reflectie. In de essays van Bax, Dera, Ham, Sluijs, Van der Starre en Vitse zien we bijvoorbeeld de eeuwige spagaat tussen literaire erkenning en publieke waardering, tussen commercialiteit en artisticiteit, steeds in andere gedaanten terugkomen. In de literaire wereld zien we wantrouwen richting de markt, treffend verwoord door Sluijs: ‘zelfpromotie, het blijft een vies economisch woord in letterenland’ (81). Maar wanneer Sander Bax, naar aanleiding van een uiting van de CPNB over de keuze voor Griet Op de Beeck als schrijver van het Boekenweekgeschenk (waarin zij aangeven dat zij proberen lezers aan te spreken die niet of nauwelijks lezen), concludeert dat ‘er in de literaire wereld én in het gesprek over literatuur in de massamedia een “business ontology” werkzaam [is], die tot gevolg heeft dat literaire teksten steeds meer als gewone producten worden beschouwd die in de markt kunnen worden gezet’ (52), stoort het mij dat die houding ten opzichte van commercie haast kritiekloos wordt overgenomen. Natuurlijk hoeven we de literatuur niet in de uitverkoop te doen, maar het boek als ‘gewoon product’ zien is wel het minste wat we kunnen doen in een periode waarin de boekenmarkt nu niet bepaald storm loopt. Vanuit de hoek van de nieuwe literaire supersterren uit Van der Starres artikel blijkt overigens dat het gevoel van twee werelden niet van één kant komt. Succesvolle ‘Instadichters’ als Niels Kalkman en Lars van der Werf willen hun gedichten namelijk geen poëzie noemen, sterker nog: ze willen zelfs ‘niet met het woord “poëzie” geassocieerd worden’ (43). De vraag waarom blijft onbeantwoord, maar ik stel me zo voor dat het iets te maken heeft met die eerdere, twintigste-eeuwse, niet commerciële, niet sexy, autonome literatuuropvatting.

Dat de massa, en daar horen ook mensen bij die tot voor kort nog wel veellezers waren, wel wíl lezen, tonen Van der Starre, Bax en Vitse aan. Deze groep betaalt in het huidige literaire veld echter alleen nog voor wat haar echt aanspreekt, en blijkbaar zijn dat de Griet Op de Beecks en Tim Hofmans. Het gaat er dus niet alleen om of mensen ‘hun theaterkaartje’ (lees hier: boek) kunnen betalen, zoals Ham zich afvraagt, maar ook wanneer ze dat überhaupt nog willen. Deze lezers lijken vanuit de literaire kritiek, dat snap ik ook wel, ‘de toppers boven Gustav Mahler’ te verkiezen, maar dat maakt hen – zoals Ham met betrekking tot andere cultuurconsumenten terecht aangeeft – nog geen barbaren. Misschien zijn ze gewoon naar iets anders op zoek. De auteurs benaderen deze nieuwe literaire voorkeuren over het algemeen heel open, wat ik zeer waardeer. Wanneer Ham en Vitse concluderen dat we ‘ruimte [moeten] geven aan elkaar’, hoop ik dan ook dat we daarbij onze eigen aannames kritisch tegen het licht blijven houden.

Voor een adequate bestudering van een literatuur in die verschillende werelden blijken de gehanteerde benaderingen in de artikelen, waarbij ook de ontwikkelingen buiten het literatuurinterne poëticale debat een plaats krijgen in de analyses, verder zeer vruchtbaar. Deze benaderingen leggen ook iets bloot van de mindset die de huidige academische traditie in Nederland in zijn algemeen domineert. De wetenschap bevindt zich naar mijn idee, door de toenemende vraag naar maatschappelijke inbedding, relevantie en valorisatie, namelijk in eenzelfde spagaat tussen het wetenschappelijke en het maatschappelijke (‘de markt, de politiek of de samenleving’ (6)) als de literatuur. Ook wetenschappers kunnen in dit nieuwe klimaat eigenlijk maar één ding doen, zoals Ham en Vitse het in de inleiding formuleren voor kunstenaars: ‘zich aanpassen aan de nieuwe wereld’, ‘en zich verzetten tegen de structuur waarin ze zich gedwongen voelen’ (6). Kijk, zo daagt dit nummer uit tot doordenken, en vraagt het om de verbinding met andere verhalen waar Ham in zijn essay toe oproept (23). Door zijn thematiek en brede benadering voorziet dit nummer niet alleen in een tijdsbeeld waarvan elke letterkundige kennis zou moeten nemen, maar maakt het ook zichtbaar dat dezelfde vragen die momenteel in de literatuur leven, ook aan de (literatuur)wetenschap van 2010-2019 gesteld worden. Ik raad het om al deze redenen dan ook van harte aan (jonge) letterkundigen en neerlandici aan.

Aafje de Roest

Laurens Ham & Sven Vitse (red.), Het literaire klimaat 2010-2019. Themanummer Dietsche Warande & Belfort 164 (2019) 3 (september). ISBN: 9789460018374. € 15.