Literatuur, wetenschap en de onbekende planeet

Met achttien artikels biedt Naar het onbekende een rijkgeschakeerd overzicht van de wisselwerking tussen wetenschappelijke kennis en moderne literatuur, en levert zo een staalkaart van voornamelijk Nederlandstalig onderzoek dat expliciet of impliciet aansluit bij het internationale domein van ‘literature and science’. De bundel borduurt daarbij voort op bestaande publicaties over wetenschap in de Nederlandse literatuur, van de hand van Wiel Kusters, Ben Peperkamp en Mary Kemperink, de Gillian Beer van de Lage Landen. Deze reeks toegankelijke artikels kan bekeken worden als de bekroning van dat harde werk, al heeft de bundel ontegensprekelijk ook iets nostalgisch. Hij brengt immers hulde aan het onderzoek van Peperkamp, die overleed in 2017, en verschijnt tegen de achtergrond van onheilspellende ontwikkelingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam en het beruchte voorstel van de Commissie-Van Rijn om fondsen van de geesteswetenschappen te transfereren naar technische opleidingen. Omdat de bundel schippert tussen Festschrift en overzicht, blijven bepaalde thema’s naar mijn aanvoelen onderbelicht in Naar het onbekende. Maar in schril contrast met clichés over dromerige alfa’s en empathieloze bèta’s toont het boek overtuigend aan dat wetenschap en cultuur niet te scheiden vallen en dat Nederlandstalige schrijvers en cultuurwetenschappers een vitale bijdrage leveren aan maatschappelijke debatten over prangende thema’s. Het is dan ook uiterst kortzichtig om vakgebieden tegen elkaar op te zetten in een onhoudbare strijd voor krimpende middelen en ronduit populistisch om studenten aan te praten dat de studie van de Nederlandse taal en literatuur een onverstandige professionele keuze is.

De bundel vertoont alle karakteristieke eigenschappen van onderzoek op het gebied van ‘literatuur en wetenschap’. Zoals een recente Engelstalige inleiding aangeeft (Meyer 2018), is dit een veelzijdige subdiscipline verwant aan intellectuele geschiedenis en wetenschapsstudies die het conflictmodel van de ‘two cultures’ en de ‘science wars’ afwijst en traceert hoe de baanbrekende inzichten van wetenschappers als Charles Darwin en Albert Einstein de moderne literatuur en maatschappij vormgeven, en vice versa. Die analyses werpen een kritische blik op de taal, metaforen en culturele vooroordelen in wetenschappelijke teksten, die op deze manier verborgen gelijkenissen vertonen met de literatuur, en vragen omgekeerd aandacht voor de gedachtenexperimenten in literaire teksten, die stilzwijgend aansluiten bij het miskende genre van de ‘science fiction’. Deze aanpak staat centraal in invloedrijke publicaties van onderzoekers als Donna Haraway en Gillian Beer en we treffen iets vergelijkbaars aan in Naar het onbekende. De inleiding bespreekt bijvoorbeeld een verhaal dat verwijst naar de genmodificatietechniek Crispr-Cas9, recent nog bekroond met de Nobelprijs, en illustreert dat er geen sprake is van aparte intellectuele culturen: ‘in en met literatuur is het […] mogelijk op het oog van elkaar gescheiden werelden aan elkaar te verbinden en daarmee een basis te creëren voor reflectie op […] technologische vooruitgang en bijbehorende ethische, juridische en intermenselijke implicaties’ (10). Die interferenties kunnen we beschrijven, zo stelt een herdruk van een methodologisch artikel van Peperkamp, door teksten te analyseren op het vlak van hun retorische en narratieve strategieën, hun intertekstuele en transdisciplinaire relaties, en hun cultuurhistorische functies voor diverse groepen van gebruikers (20). Een beschrijving van dat grensverkeer riskeert vrij abstracte resultaten te produceren, zoals in de bijdrage van Jolanda van der Lee over ‘de gang van een idee door een samenleving’ (233), maar het kan ook een veelzijdig cultuurlandschap oplichten, zoals in Mary Kemperinks indrukwekkende, comparatieve bijdrage over de ‘permanente kruisbestuiving tussen literatuur (esthetica) en […] medische theorieën over hermafroditisme in de negentiende eeuw’ (170).

Het leeuwendeel van de bijdragen vertoont hetzelfde stramien en linkt telkens literaire teksten, genres, en poëtica’s aan wetenschappelijke inzichten en hun culturele doorwerking. Wat daarbij opvalt, is dat de medische wetenschap in de brede zin veelvuldig aan bod komt, en er zich zo een verschuiving aftekent van ‘literature and science’ naar de ‘medical humanities’. De inleiding bespreekt genmodificatie en Kemperink medische inzichten over gender en seksualiteit, zoals ik reeds zei, Sander Bax legt de romans en essays van Bernlef naast Dick Swaabs observaties over brein en bewustzijn, Anne-Fleur van der Meer belicht de ironische dialoog die Harry Mulisch voert met de psychoanalyse, en Stephan Besser en Gillis Dorleijn gebruiken allebei sociologische inzichten om de positionering van romanschrijver Daan Heerma van Voss en dokter-dichter Rutger Kopland tegenover de medische wetenschap te bepalen. Andere disciplines komen minder aan bod, al gaan drie hoofdstukken in op vragen rond kosmologie en fysica: de korte bijdrage van Rienk Vermij over Jean de la Fontaines afwijzing van de astrologie en de sterke, fascinerende artikels van Leonieke Vermeer en Wiel Kusters over, respectievelijk, de ‘vierde dimensie’ bij Frederik van Eeden en Gerrit Kouwenaars creatieve verwerking van science fiction. Het is met name opvallend dat de biologie enkel een hoofdrol speelt in Christina Lammers analyse van Peter Verhelst – een analyse die Darwins evolutietheorie overigens vrij ongenuanceerd associeert met een hiërarchische visie op biologische soorten (82) – en jammer dat de schaduwrol van de theologie alleen bij Leon van Wissen echt gethematiseerd wordt. Reflecties over de grens tussen geest en lichaam krijgen in deze bundel dan ook meer aandacht dan andere typische vragen uit het veld van ‘literature and science’, rond de band tussen object en subject, bijvoorbeeld, en tussen dier en mens (al wordt dat laatste begrip niettemin veelvuldig opgevoerd). Zoals dit korte overzicht aangeeft, ligt de focus van de bundel bovendien op de moderne en zelfs recente cultuur, met Roel Zemels beknopte analyse van fictie, visioen en vagevuur in Walewein als belangrijkste uitzondering.

Deze analyses vormen een bruikbare inleiding in dit spannende onderzoeksveld voor Nederlandstalige lezers en tonen overtuigend aan dat de nauwgezette, academische analyse van individuele teksten nog steeds bijzonder vruchtbare resultaten kan opleveren. Zoals men mag verwachten in een bundel die aansluit bij het veld van ‘literatuur en wetenschap’, bevat het boek daarnaast bijdragen met een andere insteek, waarin de klemtoon ligt op de toepassing van methodes die met wetenschap in de strikte zin geassocieerd worden; ik denk dan aan de cognitief-linguïstische analyse van een kortverhaal door José Sanders, de korte verwijzingen naar de empirische literatuurwetenschap in de tekst van Wouter Schrover, de beleidsgerichte lezersenquêtes besproken door Roel van Steensel, het boekhistorische hoofdstuk van Nelleke Moser en de computergestuurde maar genuanceerde woordenschatanalyse van De Gids door Leon van Wissen. Elk van die teksten is lezenswaardig en de laatste bijdrage in het bijzonder biedt een meerwaarde voor de bundel als geheel. Desalniettemin is het jammer dat die methodologische veelzijdigheid niet verder gethematiseerd wordt. Hoe verhouden deze artikels zich tot de andere, meer traditionele maar niet minder spannende, tekst-en-context analyses en wat betekent die spanning voor de literatuurstudie van vandaag en morgen? Die tweespalt verdient nadere aandacht, in het spoor van de suggestie van Van Wissen: ‘de kracht van computationeel onderzoek […] zit in het relatief eenvoudig opvragen van gegevens en statistieken die vervolgens een aanzet kunnen geven tot close reading […] van specifiekere delen van het corpus’ (248).

Er zijn nog twee andere kwesties die onderbelicht blijven in de inleiding en de individuele bijdragen. Zo suggereren diverse hoofdstukken dat de literatuur van belang is omdat ze inzichten uit andere disciplines verspreidt onder het brede publiek en netelige vragen oproept van ethische, juridische en politieke aard. Dat valt niet te ontkennen, maar de literatuur is niet alleen een pr-machine voor andere disciplines die moeilijke ideeën herverpakt in mensentaal en niet-gespecialiseerde lezers doorverwijst naar ‘echte’ kennisbronnen en verwante velden als de filosofie, maar ook een aparte culturele technologie die de ambiguïteit van de taal uitbuit om existentiële en politieke vragen op haar eigen manier te overdenken. De kritische en zelfstandige rol die de literatuur en de literatuurwetenschap zo kunnen spelen, schemert door in individuele bijdragen, bijvoorbeeld in verwijzingen naar het belang van een gezonde ‘taal- en leescultuur’ (15), de intellectuele stellingname van literaire schrijvers in de publieke ruimte (37-38) of de opmerking dat literatuur, ‘als talig medium, in het bijzonder […] de neiging [heeft] om tekstueel materiaal (visies, verhalen, termen, concepten, structuren) uit andere domeinen, zoals de wetenschap, in zich op te nemen’ (169). Maar dat verdient verder onderzoek op een moment ‘dat het soortelijk gewicht van literatuur […] is afgenomen’ (12) en de literatuurstudie een zwakke positie inneemt in het veld van de hedendaagse kennisproductie. Waarom zouden studenten en wetenschappers zich moeten verdiepen in ons onderzoek? En welke rol kan literaire fictie spelen in een maatschappij die gedestabiliseerd wordt door fake news? Zulke vragen verdienen volgens mij een meer gedetailleerd antwoord in een boek over literatuur en kennis aan het begin van de eenentwintigste eeuw.

Tot slot wijs ik op het feit dat Naar het onbekende geen noemenswaardige aandacht besteedt aan de grootste sociale en wetenschappelijke uitdaging van het moment. Ik heb het dan niet over de huidige gezondheidscrisis, ook al eist de pandemie een enorme menselijke en economische tol en zijn de gevolgen van deze globale schok amper te overzien. Maar ik denk wel aan de klimaatcrisis, die éénmaal terloops vermeld wordt in de bundel (229) maar verder onbesproken blijft. Kunst en wetenschap verkennen vandaag nochtans niet alleen het onbekende in abstracte zin, maar buigen zich ook over het feit dat we afstevenen op een toekomst op een onbekende, onherbergzame planeet. Net als bij de pandemie zullen wetenschappelijke inzichten van onschatbaar belang zijn om deze crisis van repliek te dienen en kunnen we maar hopen dat technologische innovaties ons alsnog zullen behouden voor ons roekeloze gedrag. Maar net zoals bij medische uitdagingen kan ook de literatuur een rol spelen in het klimaatdebat, door vraagtekens te plaatsen bij vooropgestelde technocratische oplossingen, door alternatieve woorden en toekomstscenario’s uit te testen, en onze ecologische kennis en emotionele weerbaarheid te trainen. Deze bundel bevat een brede waaier aan inzichten over literatuur, wetenschap en interdisciplinariteit, maar die vragen rond methode, ambiguïteit en ecologie krijgen uiteindelijk te weinig aandacht, al spelen ze zonder twijfel een rol in elke poging om de literatuurwetenschap een toekomst te geven in een gepolariseerde, multidisciplinaire, en warmere wereld.

Ben de Bruyn

Anne-Fleur van der Meer, Wouter Schrover, Nelleke Moser & Margreet Onrust (red.), Naar het onbekende. Perspectieven op literatuur, cultuur en kennis. Hilversum: Verloren, 2019. 312 pp. ISBN: 9789087048198. €29,-

Bibliografie

Meyer, The Cambridge Companion to Literature and Science. Cambridge: Cambridge University Press, 2018.

 

Feestelijke Bilderdijk-revue

Subliem is een groot woord, maar groot mag je de nalatenschap van de dichter Willem Bilderdijk (1756-1831) op zijn minst noemen. Wat we van hem over hebben, is het omvangrijke oeuvre van meer dan 300.000 (!) dichtregels van een ultra intelligente, zich briljant uitdrukkende geest, die nieuwsgierig was naar zo ongeveer alles, maar de neiging had dit ‘alles’ in een idiosyncratisch kader te wringen, dat gaande zijn levensjaren hoe langer hoe zwarter kleurde; Bilderdijk keek al vanaf zijn volwassenheid steeds gretiger uit naar het moment waarop hij zich uit kon strekken in het graf. Bilderdijk: ‘de opgestane Vondel’ (zo genoemd vanwege zijn ongemeen taalrijke verzen), dwarsligger, taalkundig fantast, en vooral een multitalent.

Bilderdijks dwarsliggen, zijn dichtgenie (lees maar eens wat hij van het proces van eieren koken bijeen weet te dramatiseren in het gedicht ‘Eierkoken’), zijn succesvolle zoektocht naar de ware liefde, het manische, zijn briljante onzinredeneringen. Dat alles maakt Bilderdijk voor mij tot kopstuk van de negentiende eeuw. Zij het niet als eenzaam topstuk: het ironische is dat mijn tweede held uit de periode 1800-1900 de eerste een kopje kleiner heeft gemaakt. Het is Multatuli die de reputatie van Bilderdijk als achttiende-, maar vooral negentiende-eeuwse, dichterenprins (bijna) terminale schade heeft toegebracht.

Want zo stond Bilderdijks reputatie er in 1906 voor, althans volgens een bijdrage in de De Graafschap-bode: nieuws- en advertentieblad voor stad- en ambt-Doetinchem, Hummelo en Keppel, Wehl, Zeddam, ‘s Heerenberg, Ulft, Gendringen, Sillevolde, Terborg, Varsseveld, Dinxperlo, Aalten, Breedevoorde, Lichtenvoorde, Groenlo, Neede, Eibergen en Borculo:

Geen Bilderdijk-sigaren,
Geen Bilderdijk-banket,
Geen Bilderdijk-prentbriefkaart,
Geen Bilderdijk-corset!

Geen Bilderdijk-Triumf-marsch,
Geen Bilderdijk-geblaat,
Geen huldigende stoete,
In de Bilderdijkstraat!

O, Bilderdijk, je kwaamt er
Maar allertreurigst af;
Want luttel is de eere
Die ’t nageslacht u gaf!

Maar moog’lijk brengt een kunst’naar
Een monsterhulde U,
En schrijft de heer A. Reijding
Een Bilderdijk-revue!

August Reijding (1863-1930), waar in het gedicht naar verwezen wordt, was een Nederlands lithograaf, tekenaar en bouwkundig ingenieur, maar ook schrijver van toneelstukken en liedjes, kostuumontwerper en auteursrechtdeskundige. In Parijs maakt hij kennis met de revue du fin de l’année, waarbij recente politieke gebeurtenissen door middel van sketches en satirische liedjes teruggehaald en becommentarieerd werden. Het was Reijding die in 1899 het revue-genre in Nederland introduceerde.

Recent verscheen de door Rick Honings en Gert-Jan Johannes samengestelde essaybundel Een sublieme nalatenschap. De erfenis van Willem Bilderdijk. Een Bilderdijk-revue, veelkleurig en bont als het onderwerp zelf. Het is een verbijsterend rijke voorstelling geworden. Een eerste poging tot eerherstel van Bilderdijks reusachtige talent is dit niet. Zo verscheen in 2013 reeds de biografie De gefnuikte arend van Rick Honings en Peter van Zonneveld, en al in 1997 bracht Marita Mathijsen een fraaie selectie Bilderdijk-brieven uit de jaren 1795-1797 onder de titel Liefde en ballingschap naar de moderne lezer. Is Willem Bilderdijk met deze bundel nieuwe artikelen dan eindelijk definitief terug in ons collectief geheugen?

Honings’ en Johannes’ bundeling Bilderdijk-essays opent met een bijdrage van Marleen de Vries, die toeschrijft naar een wat mij betreft problematische claim: ‘Bilderdijk is onze laatste grote dichter’. Dit komt volgens haar omdat ‘de poëzie in de achttiende eeuw haar status had moeten afstaan aan het “ondicht” (het proza)’. Pardon? Nederland geen grote dichters meer? Ze schreven misschien geen 300.000 versregels, maar we hoeven maar aan Lucebert of Leo Vroman te denken om hier de wenkbrauwen op te trekken. Ook stelt De Vries dat de term ‘ondicht’ sinds de achttiende eeuw in vergetelheid is geraakt. Ik vraag het me af. Zie bijvoorbeeld J. van Vloten, Nederlandsch dicht en ondicht uit de 19e eeuw (1861-1865), Willem Vletters Dicht en ondicht van landgenoot en vreemdeling (1872), Dicht en ondicht van J.P. Hasebroek  (1874),  de Jacques Perk-editie Proeven in dicht en ondicht uit 1958 en twee jaar later Bernard Kemps bloemlezing Gezelles ondicht.

Maar laten we de feestvreugde niet bederven met scherpslijperij, want dat is nu net wat in Een sublieme nalatenschap ontbreekt. Aan het woord is een groep moderne literatuurhistorici – ik zou ze bijna ‘bevrijd’ noemen; vlot, soms fraai schrijvende kenners die de digressie niet mijden. Het fraaiste voorbeeld daarvan is wel de bijdrage van Gert-Jan Johannes en Inger Leemans over Bilderdijk en het vliegeren, aan de hand van Bilderdijks manuscript Hanenpoot, een kinderboek voor diens zoontje Julius uit 1806. Ze dragen een verrukkelijke, kleine cultuurgeschiedenis van het vliegeren bij, en van de droom van de luchtreis per vlieger tot op heden, waaraan slechts het tegenwoordige kitesurfen ontbreekt.

De bijdrage van Joris Van Eijnatten is al even vrolijkmakend. Hij laat de nieuwste word count-technieken en grafieken op Bilderdijk los en ‘bewijst’ de (overigens niet nieuwe) stelling dat Bilderdijk geen fanatiek Oranjeklant was. En verder: Thomas von der Dunk over Bilderdijks ontwerp voor een ere-piramide voor Napoleon; Ariane Baggerman en Rudolf Dekker over Bilderdijks hoogste negatieve Engelandbeeld; Maaike Meijers stuk over dichteressen ten tijde van Bilderdijk; Lotte Jensens bijdrage over de waternoodpoëzie van Vrouwe Bilderdijk; Bilderdijkiaan Jan Wap belicht door zowel Marita Mathijsen als Olf Praamstra; Bilderdijks opiofagie ontmaskerd door Harmen Beukers. Het houdt niet op.

Een sublieme nalatenschap is een feest om te lezen. En ook… Vooruit Marleen de Vries: Bilderdijk is onze laatste grote dichter. Al was het alleen maar omdat hij 180 jaar na zijn dood nog stof genoeg biedt voor een boek als Een sublieme nalatenschap. Oké. Geen Bilderdijk-sigaren, geen dito ‘-banket, -prentbriefkaart of -corset’. De Bilderdijk-revue Een sublieme nalatenschap is een groots bewijs voor deze stelling: Bilderdijk blijft!

Atte Jongstra

Rick Honings & Gert-Jan Johannes (red.) Een sublieme nalatenschap. De erfenis van Willem Bilderdijk. Leiden: Leiden University Press, 2020. 287 pp. ISBN: 9789087283476. €39,50.