Verrek, het is geen kunstenaar. Gerard Reve en het schrijverschap

Verrek, het is geen kunstenaarOp 18 mei 1974 schrijft Peter van Bueren in de Volkskrant: ‘Hoeveel sociologen zouden gisterenavond niet handenwrijvend begonnen zijn aan een briljant proefschrift?’ De avond daarvoor is De Grote Gerard Reve Show uitgezonden, een show van Rob Touber waarin Gerard Reve het glorieuze middelpunt is. Dit is een bijzonder moment in de Nederlandse literatuurgeschiedenis: niet eerder was het medium televisie gebruikt om een literair auteur zó in de belangstelling te zetten, op zo’n dubbelzinnige, tegen edelkitsch aanschurkende manier. Van Bueren beseft ook dat het hier om een ‘onvoorstelbaar evenement’ gaat, en hij meent dat promovendi in de sociologie hun tanden zouden proberen stuk te bijten op de cultuurhistorische ontwikkeling die hier zichtbaar wordt: ‘Een man wiens “vreemde” schrijverschap door de jaren heen is grootgepraat op grond van zijn litteraire betekenis, heeft alle tolerantiegrenzen in duizelingwekkende vaart doorbroken en mag tot in de grootste publiciteitsmedia en nu op de televisie dingen opmerken die van nauwelijks iemand anders ongestraft door de vingers worden gezien’.

Edwin Praat haalt Van Buerens opmerkingen aan in zijn proefschrift Verrek, het is geen kunstenaar. Gerard Reve en het schrijverschap, en hij voegt er een fascinerende opmerking aan toe: ‘De laatste opmerking [dat sociologen handenwrijvend zouden zijn begonnen aan een briljant proefschrift] is op zichzelf al voer voor een proefschrift. Hij geeft blijk van een sterk besef van de snelle veranderingen die tijdens de jaren zestig en zeventig in het Nederlandse culturele landschap zijn opgetreden’ (p. 250). Verwijst Praat hier naar zichzelf? Hij is immers degene die, veertig jaar na de opmerking van Van Bueren, deze dissertatie publiceert waarin de cultuursociologie gebruikt wordt om het belang en de positie van Reves schrijverschap te duiden.

Bovenstaande passage is een cruciaal moment in Praats uitstekende studie. Enerzijds is deze metareflexieve knipoog naar zichzelf precies wat het boek op dat moment nodig heeft. De studie concentreert zich enerzijds op de manier waarop Reve in zijn schrijverschap op zichzelf en zijn auteurspositie reflecteert, en anderzijds op de wijze waarop een cultuursocioloog zich tot zo’n zelfreflexief oeuvre zou moeten verhouden. Dat Praat hier impliciet ook zichzelf in het reflexieve spel betrekt, is een slimme keuze: juist de geforceerde ‘objectiviteit’ van de cultuursociologie wordt in dit boek immers bekritiseerd. Tegelijkertijd wijst deze passage ook op een zwakke plek van deze studie: Praats studie zou wat mij betreft nog meer aan kracht hebben gewonnen wanneer ze zich, in lijn met de opmerking van Peter van Bueren hierboven, wat sterker op het cultuurhistorische pad had bewogen.

Om dit aannemelijk te kunnen maken, zal ik eerst een (uitvoerig) overzicht geven van de doelstellingen en opbouw van het boek. De eerste twee zinnen van de inleiding luiden als volgt: ‘Dit boek gaat over Gerard Reve en het geloof. Met “geloof” doel ik niet op het door de schrijver op hoogstparticuliere wijze beleden roomskatholicisme, maar op het geloof in de kunst en in de kunstenaar’ (p. 29). Dit begrip geloof vervangt Praat een pagina later door illusio, een begrip van Pierre Bourdieu. Ieder maatschappelijk veld heeft volgens Bourdieu zijn eigen illusio, wat wil zeggen dat in ieder veld een geloof in en impliciete instemming met bepaalde spelregels bestaan. In de tweede helft van zijn oeuvre heeft Bourdieu zich met name intensief met de illusio van het literaire veld beziggehouden: met het geloof dat literatuur een ‘belangeloze’ praktijk is, die met geld en macht niets te maken zou hebben. Keer op keer liet hij zien dat het ‘symbolisch kapitaal’ dat schrijvers met hun auteurspraktijk opbouwen uiteindelijk niet alleen onlosmakelijk met economisch kapitaal verbonden was, maar bovenal met macht. De illusio is echter dat dergelijke geld- en machtspelletjes worden gemaskeerd, zowel voor de buitenwereld als voor de spelers in het literaire veld zelf.

Na het lezen van het inleidende hoofdstuk 1, waarin deze ideeën van Bourdieu glashelder worden geanalyseerd, krijg je als lezer de indruk dat Verrek, het is geen kunstenaar vooral een confrontatie tussen Reve en Bourdieu is – ik zal dadelijk laten zien dat die indruk pas later in het boek genuanceerd wordt. Het uitgangspunt van Praats studie is een ‘blinde vlek’ in Bourdieus analyse van de illusio, en Reve dient als voorbeeldauteur om de implicaties van die blinde vlek te verkennen. Bourdieus visie blijft, aldus Praat, alleen overeind staan wanneer schrijvers inderdaad de fundamentele wetten van het literaire veld aan het zicht blijven onttrekken. Maar wat gebeurt er wanneer een kunstenaar expliciet reflecteert op enerzijds zijn economische positie en anderzijds de clichés over belangeloos kunstenaarschap? Het eerste deel van Praats studie is op de verkenning van die vraag gericht. Hoofdstuk 2 bespreekt een zelfinterview uit de late jaren vijftig, Tien vrolijke verhalen (1961) en de beroemd geworden brievenboeken uit de jaren zestig, Op weg naar het einde (1963) en Nader tot u (1966). Praat gebruikt hier onder meer inzichten van de cultuursocioloog Nathalie Heinich (oorspronkelijk een ‘leerling’ van Bourdieu, maar inmiddels uitgegroeid tot een criticus van zijn werk met een geheel eigen sociologisch profiel) om te laten zien hoe Reve laveert tussen clichébeelden van het romantische kunstenaarschap enerzijds en anti-romantische opvattingen over ambachtelijk schrijverschap anderzijds. In hoofdstuk 3 staat Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard door Gerard Kornelis van het Reve (1967) centraal, een minder bekend boek dat zowel een marketingstunt van Reve blijkt te zijn als opnieuw een reflectie op het principe van de belangeloosheid van de kunst.

Beide hoofdstukken laten mooi zien dat Reve zich literair en op foto’s graag als een stereotiepe romantische ziel portretteerde, en ook de omgeving van kunstenaars waarin hij zich bewoog neerzette als een clichématige club getormenteerde genieën, maar dat hij tegelijkertijd bleef hameren op het belang van vakmanschap en het verdienen van geld. Praat spreekt in dit verband van de ‘dubbele omgekeerde economie’: Bourdieus idee dat in de literatuur een omgekeerde economie geldt (niet geld, maar juist belangeloosheid zorgen voor het meeste ‘kapitaal’) wordt door Reves ostentatieve commerciële strategieën gewoon weer omgedraaid. Interessant genoeg zet hij zichzelf daarmee van de weeromstuit toch weer als een origineel genie neer: wat is er immers origineler dan in een door en door autonoom veld de wetten van die autonomie te doorbreken?

Vanaf deel II (dat enkel hoofdstuk 4 beslaat) neemt het boek een wending. Hier doen nieuwe kernbegrippen hun intrede, waaronder ‘oprechtheid’, ‘authenticiteit’ en ‘ironie’. Het boek gaat zich nu vooral op de literatuurtheoretische dogma’s van de jaren zestig en daarna richten. Dit was de periode waarin het structuralisme in de Nederlandse literatuurbeschouwing en –kritiek zijn intrede deed: met het tijdschrift Merlyn (1962-1966) zou voor het eerst het idee zijn geformuleerd dat niet de auteur en diens bedoelingen, maar de tekst zelf de leidraad van een literatuurbeschouwing zou moeten zijn. Voor merlinisten vormt het oeuvre van Reve een probleem, aangezien hij vanaf de jaren zestig steeds explicieter autobiografische fictie ging schrijven en de grenzen tussen werk en leven consequent doorbrak. Dat wil niet zeggen dat intentionalistische lezers het vanaf de jaren zestig gemakkelijker hadden met Reves oeuvre, aldus Praat: hij speelde zozeer met ironie en oprechtheid dat het idee van een eenduidige bedoeling sterk gecompliceerd wordt. Hoofdstuk 4 toont aan dat de literaire kritiek in de jaren zestig nog volop de ‘authenticiteit’ van het oeuvre prijst, maar vanaf de jaren zeventig steeds verveelder raakt met een oeuvre dat als ‘nep’ en almaar ironischer wordt geïnterpreteerd. Het derde deel van het boek (hoofdstuk 5 en 6, in mindere mate 7) zoomt vervolgens in op het late werk zelf, om te laten zien hoe die complexe ironie en metafictionaliteit van het oeuvre werkt.

Dit derde deel is wat mij betreft het meest originele deel van Praats studie. Hij presenteert intrigerende interpretaties van boeken die veel minder bekend zijn dan het werk tot de late jaren zestig, waaronder De taal der liefde (1972), Een circusjongen (1975) en Bezorgde ouders (1988), maar ook de al genoemde televisieshow De Grote Gerard Reve Show. Steeds zoomt hij in op de vaak complexe stilistische middelen waarmee Reve zijn auteursfiguur compliceert en ‘instabiel’ maakt. Maar bovenal zet Praat hier op soepele wijze allerlei theoretische ideeën op zijn kop. Zo probeert hij het veel bekritiseerde concept van de impliciete auteur nieuw leven in te blazen, weegt hij ideeën over (romantische) ironie tegen elkaar af en herintroduceert hij het oud-Griekse begrip parabasis, de praktijk van het onthullen van de artistieke illusie van een kunstwerk. Theoretisch worden zo heel wat heilige huisjes omgeschopt, terwijl in het voorbijgaan wordt getoond hoe fascinerend het late oeuvre van Reve is.

De vraag is echter: verlaat Praat hier niet het sociologische pad dat hij in deel I is ingeslagen? Zelf denkt hij van niet: Bourdieus blinde vlek bestaat er namelijk in dat kunstenaars als oprechte ‘metafysici’ worden beschouwd (om een term van Richard Rorty te gebruiken die Praat aanhaalt), in plaats van als ironici. Zo bezien brengt deel III opnieuw de moeizame verhouding tussen Bourdieus theorie en Reves literatuur aan het licht. Toch denk ik dat het logischer is om deel II en vooral III te zien als delen waarin de frictie tussen Reves late oeuvre en de narratologie wordt gedemonstreerd. Praat lijkt zijn oeuvre als een consequent cultuursociologische studie te hebben willen voorstellen, waarmee hij de theoretische rijkdom van het boek eigenlijk tekortdoet.

Verrek, het is geen kunstenaar had aan helderheid gewonnen wanneer Praat explicieter verantwoording had afgelegd van zijn positie tegenover verschillende domeinen en theoretische tradities – niet alleen tegenover de cultuursociologie, maar ook tegenover de narratologie en de cultuurgeschiedenis. Zijn positionering tegenover deze laatstgenoemde traditie vind ik het meest dubbelzinnig, en dat brengt me bij mijn belangrijkste bezwaar tegen deze studie. Praat waarschuwt in de inleiding dat zijn studie ‘geen institutionele analyse van het literaire en maatschappelijke veld [is] in de tijd dat Reve schrijver was. Politieke, sociale en culturele ontwikkelingen in Nederland na de Tweede Wereldoorlog komen aan de orde, maar staan steeds in dienst van de analyse van Reves schrijverschap, en niet andersom’ (p. 70). Hoe begrijpelijk deze afbakening ook is, het is ook zonde dat de cultuurgeschiedenis er bekaaid vanaf komt, want Verrek, het is geen kunstenaar roept zeer veel van juist zulke cultuurhistorische vragen op. Hoe verhoudt Reves ‘ontheiliging’ van de literatuur zich tot die van een hele trits naoorlogse auteurs die Praat zelf noemt, van Lucebert en Jan Cremer tot de Zeventigers en Kluun? (p. 49) Hoe moeten we Reves verhouding tot het al even metareflexieve postmodernisme duiden, of de eenentwintigste- eeuwse omarming van zijn politiek incorrecte opmerkingen (die door Praat uitvoerig bestudeerd worden) door GeenStijl en andere rechtse media? En klopt Praats indruk dat Reve een ‘uitzonderingspositie’ heeft, in die zin dat elk van zijn extreme, racistische uitingen op den duur met schouderophalen wordt begroet (p. 250)? Wat zegt dit dan over het afnemend belang van de literatuur en over autonomisering? Je zou kunnen zeggen dat deze literatuur- en cultuurhistorische vragen in een primair theoretisch-interpretatieve studie naast de kwestie zijn, maar de inkadering van dit boek is wel degelijk cultuurhistorisch van aard. Zowel in de proloog als in het afsluitende hoofdstuk 7 wordt Reve historisch ingebed: literatuurhistorisch door hem onder meer met Nescio en Cervantes in verband te brengen, cultuurhistorisch door inzichten uit de celebrity studies aan te halen en te suggereren dat Reves kunstenaarschap in een naoorlogse trend past.

Er is gelukkig reden om te hopen dat deze vragen nog eens zullen worden beantwoord. Het aantal studies waarin literatuursociologie en cultuurgeschiedenis worden ingezet om het naoorlogse schrijverschap beter te begrijpen, is de afgelopen jaren immers in rap tempo toegenomen. Het is een zegen dat Praats proefschrift, dat na zijn promotie in 2011 maar liefst drie jaar op publicatie moest wachten, uiteindelijk beschikbaar is gekomen. Het zal de komende jaren een uitdagende sparring partner blijven voor wetenschappers die zich met literair auteurschap bezighouden.

 

Laurens Ham  

 

Edwin Praat, Verrek, het is geen kunstenaar. Gerard Reve en het schrijverschap. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2014. 480 pp. isbn: 978 90 8964 683 5. € 39,95.

Signalement: The Talking Heads experiment. Origins of words and meanings

The Talking Heads afbeeldingIn het Talking Heads experiment, uitgevoerd tussen 1999 en 2001, werden robots geconfronteerd met objecten die hen onbekend waren. Vervolgens moesten de robots onderling en via contact met mensen een taal ontwikkelen, waarmee ze over die objecten konden communiceren. Op die manier wilden de onderzoekers inzicht verwerven over hoe een taal kan ontstaan in een populatie agents. Deze nieuwe uitgave van het boek uit 1999 is bijna verdubbeld in lengte. Naast een herwerking van de vorige uitgave bevat ze een beschrijving van de voortgang van het experiment, alsook een overzicht van de doorbraken die agent-gebaseerde modellering van taalevolutie in de laatste 15 jaar sinds het experiment opgeleverd en doorgemaakt heeft.

De elektronische versie van het boek is vrijelijk beschikbaar op: http://langsci-press.org/catalog/book/49

 

Interesse om dit boek te recenseren? Stuur een mail naar: boekbeoordelingen@tntl.nl

The Talking Heads experiment. Origins of words and meanings

Luc Steels

Serie: Computational models of language evolution 1

Language Science Press

2015

375 pagina’s

ISBN: 978 3 944675 42 8

Het Nederlands in gevaar? en andere prangende taalkwesties

Het nederlands in gevaarEind 2014 is het boek Het Nederlands in gevaar? van Cor van Bree verschenen. In dat boek bespreekt Van Bree in achttien hoofdstukken verschillende vragen over het Nederlands. De vraag die in het boek centraal staat, is de hoofdtitel ervan: is het Nederlands in gevaar? Dat thema loopt als een rode draad door het boek. Van Bree bespreekt namelijk zaken die door velen als een bedreiging van het Nederlands worden gezien: Wordt het Nederlands bedreigd door het Engels (hs. 1)? Vormt ontlening een bedreiging voor het Nederlands (hs. 2)? Moeten we ons zorgen maken over de hoeveelheid spelfouten? (hs.4) Onderwerpen die daarnaast ook in het boek aan bod komen, zijn onder meer: Is het Vlaams een aparte taal (hs. 13)? Hoe onderzoek je dialect (hs. 17 & 18)? Wat zijn taalfouten (hs. 15)?

Het doel van Van Bree was om een populariserend boek te schrijven dat thema’s behandelt waarin de gemiddelde taalliefhebber geïnteresseerd is: ‘Wat zijn haar of zijn vragen, haar of zijn ideeën als het over taal gaat?’ (p. 7). In die opzet is Van Bree geslaagd. Zijn boek behandelt zowat alles wat de taalliefhebber interessant kan vinden, onder meer de kwaliteit van het taalonderwijs, de bedreiging van het Nederlands door het Engels en de (on)zin van het Groot Nederlands Dictee. Van Bree wilde niet-taalkundig geschoolde taalliefhebbers kennis bijbrengen over taal, zodat zij zich niet louter op basis van hun eigen talige intuïtie uitspreken over taal(variatie) in het Nederlandse taalgebied.

Met zijn boek probeert Van Bree criticasters van het Nederlands ook wat te bedaren. Niet zelden wordt in de media namelijk geklaagd over de gebrekkige (standaard)taalbeheersing van Vlamingen en Nederlanders en over de kwaliteit van het taalonderwijs. Ook volgens sommige taalkundigen ziet de toekomst van het Nederlands er niet rooskleurig uit. Al in 1990 kondigde Stroop (1990) het einde van de standaardtaal aan, een scenario dat volgens Van der Horst (2008) niet enkel in Vlaanderen en Nederland, maar in alle westerse taalgemeenschappen waarschijnlijk is. Volgens Van Bree is het echter niet zo slecht gesteld met de toekomst van het Nederlands als vaak wordt beweerd. Van Bree geeft bijvoorbeeld aan dat taal op een natuurlijke manier moet evolueren, en dat leenwoorden geen bedreiging voor het Nederlands hoeven te vormen: ‘Leenwoorden kunnen voorzien in de behoefte aan nieuwe uitdrukkingen, er kunnen subtiele verschillen in gebruik en betekenis door ontstaan, ze blijken zich snel te kunnen inburgeren en ze kunnen handig zijn in het internationale verkeer’ (p. 46). Van Brees antwoord op de vraag of het Nederlands in gevaar is, luidt dan ook ‘neen’, al signaleert hij wel enkele problemen. Zo betreurt Van Bree de dominante aanwezigheid van Engels in het hoger onderwijs, niet het minst omdat het Engels dat studenten te horen krijgen vaak gebrekkig is.

Met Het Nederlands in gevaar krijgen we niet alleen een uitgebreide bespreking van interessante thema’s voor taalliefhebbers, we krijgen ook een inkijk in de mens achter de schrijver ‘Cor van Bree’. Van Bree stoffeert het boek namelijk met persoonlijke anekdotes: hij deelt bijvoorbeeld zijn ergernis over het woord ‘sale’ met de lezer en wijdt in hoofdstuk 6 – Bestaat alleen wat in Van Dale, staat? – voortdurend uit over zijn ervaringen met scrabble. Het summum van zijn persoonlijke blik krijgen we in de laatste twee hoofdstukken van het boek. In die hoofdstukken vertelt Van Bree met veel liefde over dialectologisch veldwerk en over de interviews die hij in het verleden afgenomen heeft.

Samengevat: Het Nederlands in gevaar is een uitgebreid, interessant en genuanceerd boek dat geschikt is voor bijna elke taalliefhebber. Toch vrees ik dat het boek niet vaak (uit)gelezen zal worden, en dat heeft te maken met de vorm ervan. De hoofdstukken bestaan uit (te) lange lappen tekst, en de inhoud wordt visueel niet aantrekkelijk gepresenteerd. Het boek bestaat bovendien uit achttien hoofdstukken die los van elkaar gelezen kunnen worden, een structuur die voor behoorlijk wat redundantie zorgt. Het Nederlands in gevaar is overigens niet voor elke liefhebber van het Nederlands even interessant. Het Nederlands in gevaar is namelijk een boek geschreven door een Nederlander voor een Nederlands doelpubliek. Van Bree stoffeert de onderwerpen in de verschillende hoofdstukken met voorbeelden en eigen anekdotes, die vooral betrekking hebben op (het Nederlands uit) Nederland. De uitspraken van Van Bree over het taalgebruik in Vlaanderen – door hem ‘het Vlaams’ genoemd – zijn bovendien vaak nogal kort door de bocht. Zo heeft hij het over ‘ tussentaal’, alsof tussentaal een variëteit is tussen dialect en Algemeen Nederlands, terwijl de status van tussentaal nog wordt onderzocht (Ghyselen 2011; Rys & Taeldeman 2007). Van Bree geeft ook aan dat tussentaal enkel in informele situaties gesproken wordt, terwijl tussentaal ook in formele(re) situaties vaak te horen is.

Chloé Lybaert

 

Bibliografie

Ghyselen 2011 – A. Ghyselen, ‘Structuur en dynamiek van diaglossische taalrepertoria: een pleidooi voor meer empirisch onderzoek’. In: Studies van de BKL 6 (2011).

Rys & Taeldeman 2007 – K. Rys & J. Taeldeman, ‘Fonologische ingrediënten van Vlaamse tussentaal’. In: D. Sandra, R. Rymenans, P. Cuvelier & P. Van Petegem (eds.), Tussen taal, spelling en onderwijs. Essays bij het emeritaat van Frans Daems. Gent, 2007, p. 23-34.

Stroop 1990 – J.P.A. Stroop, ‘Towards the end of the standard language in the Netherlands’. In: J. A. van Leuvensteijn & B. J.B. (eds.): Dialect and Standard Language in the English, Dutch, German, Norwegian Language Areas. Proceedings of the Colloquium ‘Dialect and the Standard Language’. Amsterdam, 1990, p. 162-177.

Van der Horst 2008 – J. van der Horst, Het einde van de standaardtaal. Een wisseling van Europese taalcultuur. Amsterdam, 2008.

 

 

Cor van Bree, Het Nederlands in gevaar? en andere prangende taalkwesties. Houten: Prisma, 2014. isbn: 978 90 0032 221 3. € 24,99

Op de hielen. Opstellen over recente Nederlandse en Vlaamse literatuur

Op-de-hielen-omslag_groot‘it should be noted that interpretation is not simply the compliment that mediocrity pays to genius’

(Susan Sontag)

 

Dit boek is een geschenk; het is ‘uitgegeven ter gelegenheid van tien jaar postacademisch onderwijs aan de Radboud Universiteit voor leraren Nederlands, en door het bestuur van de Faculteit der Letteren als kerstgeschenk aangeboden aan de medewerkers van de faculteit als dank voor hun inzet in 2014’. Aldus het colofon. Het is ook een geschenk voor wie het niet kreeg maar zelf koopt: het mooi verzorgde boek is een weldaad van negen, veelal grondige besprekingen van (betrekkelijk) recente romans door professionele liefhebbers, elk met een eigen accent. Vrijwel ieder hoofdstuk is een geschenk van een actieve, nieuwsgierige, geverseerde, kritische, academisch geschoolde en werkzame lezer aan de (wannabe dito) lezer, welke laatste zich hiermee eens lekker passief kan laten vertroetelen en er vervolgens desgewenst op doorgaan. Lees- en interpreteerplezier is de grondslag.

De hoofdtitel zinspeelt zowel op de betrekkelijk geringe ouderdom van de negen romans die besproken worden, als op de nauwgezetheid waarmee de teksten door even zoveel Nijmeegse neerlandici onder de loep genomen worden (met een merkwaardige contaminatie zegt de tekst op het achterplat dat de romans ‘onder het fileermes’ gelegd worden). Het zijn, retrochronologisch geordend: Vader van God van Martin Michael Driessen (2012), Leon de Winters VSV (2012), Stephan Enter, Grip (2011), Yves Petri, De maagd Marino (2010), Paul Claes, De leeuwerik (2010), Erwin Mortier, Godenslaap (2008), Geertrui Daem, Olympia (2006), Paul Verhaeghen, Omega minor (2004) en In Babylon (1997) van Marcel Möring. Vier Nederlandse, vijf Vlaamse romans, geschreven door maar liefst acht mannen en slechts één vrouw, en besproken door zes mannen en drie vrouwen, allen gevormd door, en de meesten nog steeds werkzaam bij, de Radboud Universiteit te Nijmegen. Meer dan de helft van de besproken werken had ik al gelezen, sommige had ik verkozen niet te lezen, en door dit boek ben ik er alsnog mee in aanraking gekomen. Leerzaam.

Het zijn merendeels bekende, officieel gelauwerde of voor lauweren genomineerde romans; alleen die van Driessen en Claes waren tot nu aan mijn aandacht ontschoten. Naar Driessens werk ben ik door Jos Joostens bespreking en citaten erg nieuwsgierig geworden. Dat Claes’ roman een intertekstueel hoogstaand borduurwerkje is, verrast me niet; ik ren daar niet voor naar de boekwinkel, zelfs niet na lezing van de vakkundige, instructieve bespreking van deze postmoderne pastiche op de middeleeuwse, hoofse ridderroman door Johan Oosterman, de enige niet-modernist die een bijdrage levert.

Passend bij dat basale plezier in de tekst is de betrekkelijk losse thematische structuur van de bundel. Niet een stringente benaderingswijze, methode, academisch paradigma of intellectueel discours staat dwingend voorop, noch een specifieke vraagstelling, maar veeleer persoonlijke tekstpret en algemene vragen als: wat bieden deze romans, wat kan er als eigenaardig aangewezen worden, wat maakt deze boeken boeiend. Tegelijkertijd wordt het inzetten van en/of de reflectie op een methode en benaderingswijze niet geheel veronachtzaamd. Centraal staan belichtingen van engagement, intertekstualiteit en kritische receptie; de laatste daarvan vaak als opstap, aanleiding. Reflectie op engagement en intertekstualiteit vormen het losse kader van een genuanceerde(re) duiding van de romans, veelal in reactie op de eerste ontvangst of op de positionering in het poëticale veld door de literatuurkritiek en literaire jury’s.

Slechts twee bijdragen zijn enigszins flodderig geworden door dat ontbreken van een rigide kader. Het stuk over Olympia is vooral een tot zogenaamde beschouwing omgestookt interview met Daem; dat is een wat slappe jenever geworden, maar toch drijven ook hierin de kruidige thema’s die de meeste andere bijdragen op pregnantere wijze juist een aangenaam bittertje geven. Daems werk, bijvoorbeeld, en niet in de laatste plaats Olympia, is als Boon-achtig gekenmerkt en daarmee ook als sociaal geëngageerd, onder andere door de toekenning van de Louis Paul Boon-prijs (2006). Daems positie van ‘nieuwe Boon’ wordt in de betreffende bijdrage onder de loep genomen, om op de achterplattekst te variëren, maar al te zeer in het kielzog van de ideeën van de schrijfster zelf, minder in een eigengereide beschouwing van de roman (hoewel juist dat kielzog binnen deze bundel wel weer een prettig eigengereide keuze is). Het stuk over Mörings In Babylon reikt willens en wetens niet verder dan een lukrake opsomming van wat de bespreker ‘is opgevallen’ en ‘betekenisvol of mooi vond. Veel heeft het niet om het lijf’.

Het duidelijkst komt het kader van receptie, intertekstualiteit en engagement (in combinatie met interpretatie en evaluatie) naar voren in de bijdrage van Jos Muijres over Omega minor van Paul Verhaeghen. Dat – in mijn optiek schitterende en imponerende – boek werd in Nederland relatief laat en minder intensief besproken dan in Vlaanderen en, na vertaling in het Duits, Frans, Hongaars en Engels, in het verdere buitenland. Muijres ontleent aan twee negatieve Nederlandse recensies drie thema’s en onderzoekt of de negatieve kritiek op die punten terecht is. En nee, het boek is niet warrig gestructureerd, het is geen kitschverhaal, en Verhaeghen maakt geen misbruik van de thematiek van de Tweede Wereldoorlog, en Muijres demonstreert enthousiast zijn gelijk. Al doende roept hij een boeiend beeld op van deze forse, complexe, bloedserieuze, kritische roman. Zin om die te herlezen!

Ook in Marieke Winklers beschouwing, om er nog een uit te lichten, van Leon de Winters VSV vormt de receptie de opstap, minder de receptie van deze roman in het bijzonder dan die van het gehele oeuvre. Daarin is een forse omslag te zien, parallel aan een wijziging in De Winters schrijfstrategie: was De Winter eerst de bejubelde, linksige auteur van doorwrocht intertekstuele, reflexieve maar weinig frequent verhandelde werkstukken waar de academische interpreten zich lekker op uit konden leven, sinds Kaplan is hij door de serieuze literaire kritiek vooral afgedaan als de conservatieve schrijver van luchthartige lawaairomans die in hoge oplagen van de persen rollen. Winkler komt nauwkeurig lezend en (her-)interpreterend tot het inzicht dat de thematiek van die latere De Winter in wezen weinig afwijkt van die van de vroegere linkse intellectuele scribent; alleen bekritiseert hij de gemediatiseerde wereld niet meer, hij staat er nu zelf middenin en, heel verwarrend, hij kopieert haar dominante strategieën. Toch ook maar eens lezen …

Fabian R.W. Stolk

 

Jos Muijres en Esther op de Beek (red.), Op de hielen. Opstellen over recente Nederlandse en Vlaamse literatuur. Nijmegen: Vantilt, 2014. 208 pp. isbn: 9789460041976. € 16,95

The Early Modern Cultures of Neo-Latin Drama

The Early ModernThe Early Modern Cultures of Neo-Latin Drama is – zoals de meeste congresbundels – gevarieerd. De bundel bevat dertien bijdragen over vroeg vijftiende-eeuws tot laat zeventiende-eeuws Latijnstalig drama uit heel West-Europa. Behalve één Franse bijdrage zijn ze allemaal in het Engels. De auteurs – meestal classicus of neolatinist – onderzoeken twee dingen: de educatieve, politieke en religieuze doelstellingen van Neolatijnse toneelstukken en het gebruik van klassieke én eigentijdse voorbeelden. Bijdragen over de receptie van klassiek Griekse en Romeinse teksten overheersen. Neem bijvoorbeeld de bijdrage van Michiel Verweij over de Nederlandse toneelschrijver Cornelius Schonaeus (1541-1611) of die van Elia Borza over Neolatijnse vertalingen van klassiek Griekse tragedies. Maar voor neerlandici is juist de receptie van eigentijds vernaculair toneel interessant. In deze recensie ligt daarom de nadruk op de bijdragen die wél ingaan op de receptie van contemporain Nederlandstalig-, Franstalig- of Engelstalig toneel.

Op het eerste gezicht zijn Neolatijnse- en Nederlandstalige toneelstukken compleet anders, stelt Jan Bloemendal in zijn bijdrage over toneelbewerkingen door humanisten en rederijkers. Ze verschillen qua taal, versmaat, opbouw (vijf bedrijven versus ‘metascenes, divided by pauses (pausa’s) and (…) tableaux-vivants (toghen)’ (p. 143))’ en personages (levensecht versus allegorisch). Ook oorsprong en ontwikkeling, publiek, doelstellingen en gezindte lopen uiteen. Wel zijn er ‘scattered border crossings’ (p. 145): vertalingen en bewerkingen over en weer. Maar vanaf 1530 bestonden er nauwe banden tussen de universitair geschoolde Neolatijnse toneelschrijvers en de rederijkers. Dat leidde ertoe dat rederijkers en humanisten elkaars onderwerpen en thema’s gingen gebruiken. Bloemendal werkt twee van die onderwerpen uit, namelijk Elckerlijc en het Koning-Davidverhaal.

In 1539 bewerkten Christianus Ischyrius en Georgius Macropedius het sobere toneelstuk Elckerlijc (ca. 1496), dat oorspronkelijk in het Nederlands geschreven was. Macropedius gaf les aan de Latijnse school van Den Bosch, Ischyrius aan die van Maastricht. De twee humanistische docenten ‘verrijkten’ (enriched) het stuk met de standaardopbouw in vijf bedrijven van de Romeinse komedie en de versmaat. Ook veranderden ze vrijwel alle allegorische personages in levensechte personages.

De koning-Davidstukken die Bloemendal bespreekt, laten zien dat rederijkers het bijbelse thema veel gemakkelijker actualiseerden en politiseerden dan humanisten. In Neolatijnse stukken gaat het heel sec om kennis van het Bijbelverhaal of algemene levenslessen. Rederijkers daarentegen stelden de personages vaak gelijk aan eigentijdse vorsten. Zo vergeleek Job van de Wael in de opdrachtbrief bij het Schiedams Rood-Roosjens Spel, van David ende Goliath (1619) Maurits met David en Van Oldenbarneveldt met Goliath, aldus Bloemendal. Dat laatste is trouwens onjuist: volgens de tekst heeft prins Maurits ‘als eenen tweeden David (…) de Spaensche Goliathen van onse Israelsche halsen gheweert’.

Ook de bijdrage van Jeanine de Landtsheer gaat over toneel uit de Nederlanden. Zij schrijft over de brief die Balthasar Moretus (1574-1641), een telg uit de Antwerpse drukkersfamilie Plantin-Moretus, in 1588 aan zijn oudere broer Melchior schreef. In deze Latijnse brief in versvorm beschreef Balthasar hoe de leerlingen van de Papenschool in Antwerpen een Neolatijns toneelstuk over Catharina van Siena opvoerden. De auteur van deze tragedie was Lambertus Schenkelius (1547-na 1624). Interessant is dat Balthasar in zijn brief veel achtergrondinformatie over de dramaturgie geeft. Met veel rook wordt een brandstapel voorgesteld. Voor de onthoofdingen gebruiken ze kolen of pompoenen (Imponunt caulem capiti): ‘some kind of cabbage (or even a pumpkin), which was probably cut with eyes, nose and mouth, was put on the actor’s head […] and as soon as the headsman had lowered his sword, the “body” was immediately covered with a coat’ (p. 90-91).

De Landtsheer gaat vooral in op de dramaturgie en dus niet op de receptie van de eigentijdse Nederlandstalige literatuur, al zou dat een problematische passage wel eens kunnen verduidelijken. Uit de brief blijkt namelijk dat Schenkelius zelf meespeelde in het stuk. De Landtsheer gaat er vanuit dat hij de rol speelde van de engel die het rad breekt. Tegen de personages die Catharina moesten radbraken, roept hij: ‘Stupescite’, wat De Landtsheer vertaalt als ‘Sta stil!’. Maar daarvoor moet stupescere (‘zich verwonderen’) wel gelezen worden als stupere of torpere (‘verstijven’) (p. 89-90). Zou Schenkelius met zijn Stupescite (‘Verwondert u!’) niet veeleer als ‘vertoner’ of ‘spel-interne toeschouwer’ (Hummelen, 1992) de vierde muur doorbreken en zo’n typisch Nederlandse tableau vivant aankondigen?

De bijdrage van Olivier Pédeflous richt zich op de doorwerking van Franse moralités of soties op het Parijse schooldrama uit de vroege zestiende eeuw. Vanwege het gelegenheidskarakter zijn slechts weinig van deze stukken overgeleverd. Een uitzondering is de postuum uitgegeven en vaak herdrukte bloemlezing Dialogi (‘Gesprekken’, 1530) van Ravisius Textor (oftewel Jean Tixier de Ravisy, ca. 1493-1522). Hierin staat onder andere het politiek geladen werk Ecclesia (‘Kerk’). In deze sotie beklaagt het allegorische personage ‘Kerk’ zich over hebzuchtige, onbekwame en decadente geestelijken.

Ook al grijpt het Neolatijnse schooldrama uit Parijs terug op de Romeinse komedies van Terentius (en in mindere mate Seneca’s Latijnse tragedies), toch kan een deel van de kenmerken alleen verklaard worden door de stevig verankerde, middeleeuwse theatertraditie in het onderwijs. In Textors toneelstukken staan bijvoorbeeld veel opsommingen, zoals het Bijbelse Ubi sunt-thema. Ubi sunt betekent ‘waar zijn ze gebleven?’ Het thema betreurt de vergankelijkheid van wereldse zaken en komt vaak voor in Franse moralités. Textors drama – met allegorische personages als Natuur, Dood en Algemeen nut – heeft ook veel weg van de volkstalige sotie, waarin allegorieën een grote rol spelen: ‘Very often Textor’s characters are archetypal entities deprived of individual features’ (p. 37). Pédeflous concludeert: ‘Most of Textor’s plays are simply a medley of contemporaneous French drama and Terentian comedy’.

Het volgende voorbeeld is ontleend aan de Engelse letterkunde en wordt besproken door Howard Norland. De reformator John Foxe (1516/17-1587) ontvluchtte Engeland toen de katholieke koningin Maria I Stuart de troon besteeg in 1553. In ballingschap schreef hij de komedie Christus triumphans (1556). Net als de komedies van Plautus en Terentius kent ook de ‘comoedia apocalyptica’ van Foxe een happy ending in de vorm van een huwelijk: Ecclesia (‘Kerk’) trouwt met Christus. De ‘evil characters’ in het stuk gaan eveneens terug op de Romeinse komedie, maar óók op de eigentijdse moraliteiten en sommige cycli van mysteriespelen: ‘Following in the tradition of the morality plays and some of the cycle drama, the image of evil is more to be mocked than feared, and the allegorical message remains more ideological than realistically embodied; most of the characters are functional shadows rather than full-bodied dramatic personae (p. 77).’ Tenslotte geeft Norland een uitgebreide beschrijving van de inhoud van het drama van Foxe.

George Ruggles Ignoramus (1615) is een medley van klassiek Latijnse, Italiaanse, Engelse en Neolatijnse invloeden. De satirische verwijzingen in Ignoramus zijn zeer tijd- en plaatsgebonden. In haar bijdrage legt Cressida Ryan uit waaraan het stuk dan toch zijn langdurige succes dankt. Deels ligt dat aan de receptie van klassieke auteurs en de daaruit voortvloeiende ‘comic tensions’ (p. 162). De personages gaan heel verschillend om met de klassieke literatuur. Sommigen alluderen speels, anderen gebruiken alleen bekende zegswijzen (sententiae) of ze citeren foutief. Daardoor weet het publiek of de personages écht erudiet zijn, of onopgeleid, of alleen maar doen alsof. Ruggle speelt ook met de geleerdheid van zijn publiek: alleen erudiete toeschouwers begrijpen de betekenisvolle Latijnse namen en herkennen de klassieke citaten die hij opzettelijk iets wijzigde. De andere toeschouwers zijn als het personage Surda (‘Dove kwartel’), dat dénkt dat ze geprezen wordt. Maar haar Latijn is niet goed genoeg en ze is ‘doof’ voor de allusies naar klassieken.

Ruggle ‘managed to create a Neo-Latin comedy in the English manner’ (p. 172), aldus Ryan. Met zijn macaronische verzen (afwisselend Latijnse en Engelstalige passages), irrelevante subplots en de receptie van Shakespeares Much ado about nothing, Jonsons Bartholomew Fair en de anonieme studentenkomedies Club Law en Return from Parnassus, week het af van het doorsnee universitaire Neolatijnse drama. Ook daarmee verzekerde Ruggle zijn succes: James I wilde geen Engelstalige stukken zien ‘within a five-mile radius of Cambridge’ – want die liepen altijd uit op relletjes. Door een ‘English-style comedy’ te schrijven, maar dan in het Latijn, was Ruggle de koning te slim af.

Uit de bijdragen van Bloemendal, Pédeflous, Norland en Ryan blijkt dat de Neolatijnse literatuur integraal deel uitmaakt van de vroeg moderne Nederlandse-, Franse- en Engelse letterkunde. De congresbundel vormt dan ook een pleidooi om over de grenzen van de eigen discipline heen te kijken. Dat betekent dat neolatinisten zich niet langer mogen blind staren op de receptie van de klassieken, maar ook dat neerlandici echt niet meer om de Neolatijnse literatuur heen kunnen. En The Early Modern Cultures of Neo-Latin Drama biedt neerlandici alle handvatten om de Neolatijnse teksten bij hun onderzoek te betrekken. De bundel is zeer toegankelijk voor niet-classici: Latijnse citaten worden vertaald of geparafraseerd en zijn dus goed te gebruiken in eigen artikelen. Alleen jargon wordt niet altijd vertaald of uitgelegd, bijvoorbeeld: ‘He practices the art of contaminatio, by picking a hapax and […]’ (p. 29).

Het wreekt zich wel dat de lezingen die in de congresbundel gepubliceerd zijn in 2007 gehouden werden. Voor de overeenkomsten tussen Neolatijns en Nederlandstalig toneel raad ik neerlandici daarom ook Bloemendals hoofdstuk in Neo-Latin Drama in Early Modern Europe (2013) aan.1 Dat is een stuk uitgebreider. Ook blijkt daar dat de literaire navolging van rederijkersstukken door Nederlandse humanisten nog een stuk groter is. Zo bevatten Neolatijnse toneelstukken van Nederlandse bodem bijvoorbeeld wel degelijk tableaux vivants, iets wat Bloemendal in de congresbundel nog kenmerkt als uitsluitend Nederlandstalig.

 

Verena Demoed

 

1 Jan Bloemendal, ‘Neo-Latin Drama in the Low Countries’. In: Jan Bloemendal & Howard B. Norland (eds.), Neo-Latin Drama in Early Modern Europe (Drama and Theatre in Early Modern Europe 3). Leiden: Brill, 2013, p. 293- 364 (http://booksandjournals.brillonline.com/ content/books/b9789004257467s006)

 

Philip Ford & Andrew Taylor (eds.), The Early Modern Cultures of Neo-Latin Drama (Supplementa Humanistica Lovaniensia XXXII). Leuven: Leuven University Press, 2013. 224 pp. isbn: 9789058679260. €49,50.

Patroon en Argument, Een dubbelfeestbundel bij het emeritaat van William Van Belle en Joop van der Horst

def_voorplat_patroon_argument

Op 1 oktober 2014 zijn twee hoogleraren Nederlandse taalkunde aan de Leuvense universiteit afgezwaaid. Vier van hun Leuvense collega’s stelden een album samen met een titel die op hun vermogen wijst om ‘om patronen bloot te leggen in het taalgebruik, in zijn historische, sociale en pragmatische dimensies, en hun betoog overtuigend te maken door het te ondersteunen met een verbijsterend scala aan doortimmerde argumenten’ (Inleiding p. 6). Met 53 bijdragen hebben niet minder dan 81 collega-taalkundigen, veelal neerlandici, hulde gebracht aan de nieuwe emeriti. De bijdragen zijn in drie delen ondergebracht. Deel I (syntaxis en morfologie) sluit aan bij hun beider interesses. Deel II (historische taalkunde en historiografie) vooral bij die van Van der Horst, en deel III (pragmatiek, toegepaste taalkunde en taalpolitiek) vooral bij die van Van Belle.

Hoewel de titel van deel I ook morfologie vermeldt komt die weinig aan bod. Dit deel omvat negentien bijdragen van syntactische, morfosyntactische en syntactisch-semantische aard.

Twee bijdragen (W. Vandeweghe, P. Godin) handelen over complexe werkwoordgroepen, respectievelijk het plaatsschema van hulpwerkwoorden, en IPP en korte en lange infinitieven. Vandeweghe herziet het zevenplaatsige volgordeschema van de ANS en besluit dat men naast het hoofdwerkwoord tot negen groepsvormende werkwoorden in stelling kan brengen.

Twee bijdragen gaan over copulatieve zinnen. Frank Van Eynde e.a. leiden uit geannoteerde corpora af dat het aantal werkwoorden met copulatief gebruik minstens 40 bedraagt. Harry Perridon onderzoekt de vorm van persoonlijke voornaamwoorden (hij/hem, zij/haar, zij/hun e.d.) in koppelzinnen en in gekloofde zinnen, en botst wel eens op de vraag wat nu onderwerp en wat naamwoordelijk deel van het gezegde is (dat zijn kooplieden), iets waar o.m. P.J. Merckens, G.F. Bos en P.C. Paardekooper het omstreeks 1961 over gediscussieerd hebben.

Het valt op dat meerdere bijdragen voorzetselconstituenten en hun syntactische functie (object, complement, of bepaling) onder de loep nemen. Georges De Schutter geeft een aardig overzicht van PP-objecten en PP-complementen, en de verschillen tussen beide. Jammer dat hij de notie ‘thematisch’, die hij geregeld gebruikt, niet toelicht. Hans Broekhuis meent dat werkwoorden ten hoogste één voorzetselobject kunnen nemen. Timothy Colleman betoogt dat er wel degelijk gevallen met twee prepositionele objecten onderscheiden moeten worden.

Odo Leys onderzoekt scherpzinnig constructies als de trap op. Boven de voorzetseltheorie, zoals belichaamd in de ANS, verkiest hij de trajecttheorie, waarvolgens het partikel (voorzetsel/achterzetsel) geen structurele eenheid met het nomen maar met het werkwoord vormt. Naargelang van het geval kan het partikel als zelfstandig bijwoord of als verbaal prefix optreden.

Ton van der Wouden laat zien dat naast de rapporterende (‘er wordt over gesproken’) en de existentiële (‘het is het geval’) interpretatie van er is (geen) sprake van, een derde betekenis ontstaan is: een metalinguïstische (‘de term X is hier op zijn plaats’), bv. in hij besluit dat er blijkbaar sprake is van een politiek misdrijf.

Ina Schermer onderzoekt lidwoordloze binominale groepen met een eigennaam als tweede deel. Oudere gebruikelijke combinaties als prinses Beatrix konden volgens Van der Horst & Van der Horst (1999) alleen wanneer het eerste deel ook lidwoordloos naamwoordelijk deel van het gezegde kon zijn. Nu vinden we vaak voorbeelden waarin die voorwaarde doorbroken wordt: wandelaar Bastet (* Bastet is wandelaar), olieconcern BP (* BP is olieconcern). De bepaling bij de eigennaam kan nu veel meer dan een functie of een beroep aanduiden, onder meer metaforische en subjectieve aanduidingen. Zo is wandelaar in het voorbeeld niet letterlijk bedoeld, maar wordt het gebruikt omdat Bastet de auteur is van een bundel met als ondertitel ‘Wandelingen door de antieke wereld’.

Deel II, historische taalkunde en historiografie, bevat zestien bijdragen. Bert Cornillie meent dat het ontstaan op het einde van de 16e eeuw van de subjectieve lezing van dreigen + infinitief (het dreigt vandaag veel te gaan regenen) te verklaren is door vertaling uit en ontlening aan het Latijn. Zulke Latijnse ‘calques’ vinden we ook in het Spaans en andere West-Europese talen. Hij is van oordeel dat een synchrone analyse van de semantiek en pragmatiek van dreigen zoals in Verhagen (1996) ten onrechte de rol van het Latijn verwaarloost.

Evie Coussé en Freek Van de Velde onderzoeken de geschiedenis van hulpwerkwoordselectie in drieledige perfecta met een modaal (hoe is / heeft dat kunnen gebeuren). Het hebben-perfectum met een onaccusatief hoofdwerkwoord (hebben kunnen komen) lijkt relatief jonger, en het resultaat van de ontwikkeling van een zelfstandige constructie bestaande uit hebben + een modaal + een open slot voor een hoofdwerkwoord (hebben kunnen INF).

De uitdrukking van negatie is verlopen van een eenledige preverbale negatie en (ne, n) in het Oudnederlands naar het tweeledige en … niet in het Middelnederlands en de latere negatie niet. Marijke van der Wal en Gijsbert Rutten hebben de negatieverschijnselen opnieuw bezocht in het ‘Brieven als buit’-corpus. Zij vinden dat de fonetische linkercontext nauwelijks een rol speelt bij het wegvallen van en. Complexere werkwoordgroepen bevorderen het wegvallen van en in bijzinnen. En in mindere mate wordt het wegvallen van het partikel beïnvloed door sociale factoren.

Volgens Gunther De Vogelaer en Roxane Vandenberghe is de voorzetseluitdrukking omwille van de eeuwenoude redengevende synthetische constructie om X wille (om minen wille, om des nevels wille) vanaf het einde van de 19de eeuw gaan overnemen. Daarbij is vooral in Vlaanderen de algemeen redengevende betekenis (‘wegens’) gehandhaafd, terwijl in het Noorden de betekenis vooral toegespitst werd op het doelaangevende aspect. De auteurs hanteren de driedeling doel – reden – oorzaak. Zelf ben ik geneigd de doelaangevende betekenis op te vatten als een subcategorie van de redengevende. De gedachtegang volgen wordt wat bemoeilijkt doordat de de auteurs de term ‘causaal’ blijkbaar gebruiken in de betekenis van redengevend en niet als overkoepelend voor redengevend en oorzakelijk.

Matthias Hüning onderzoekt voorzetseluitdrukkingen als naar aanleiding van, aan de hand van, of Duits in Bezug auf, im Hinblick auf. Naarmate ze langer in gebruik zijn verdwijnt vaak het lidwoord als in onder (de) leiding van. In aansluiting bij Van der Horst (2013) wil hij het ontstaan en succes van zulke complexe preposities in verband brengen met het ontstaan van communicatieve behoeftes en tekstsoorten met eigen registers en stijlkenmerken die het gebruik van zulke constructies in de 19de en 20ste eeuw bevorderen.

De echte opkomst van dan voor als in comparatieven, althans niet in contexten met negatie, is volgens Jan Stroop pas in het midden van de 16de eeuw begonnen. Sinds Huydecopers ommezwaai  in 1730 (1782-1794) is als in comparatieven verketterd. Vandaag wordt bij negatie dan veel minder door als vervangen: niemand minder dan (als), niets dan (als) lof.

Ann Marynissen en Theo Janssen laten zien hoe de Laatmiddelvlaamse vertaling van Sebastian Brants Dasz Narrenschyff (Dit is der zotten ende der narren scip) uit 1500 in de herdruk van 1504 ingrijpend, en in die van 1548 geheel ontvlaamst is. Het economisch en culturele zwaartepunt is in de 16de eeuw verschoven van Vlaanderen naar Antwerpen. De taal van de herdrukken is echter geen Brabants maar bovengewestelijk Vroegnieuwnederlands. De auteurs wijzen bovendien op de grote betekenis van de technische innovatie die de boekdrukkunst was voor de standaardisering van het geschreven Nederlands. Tussen haakjes, in TNTL 131/1 (2015) argumenteren de twee auteurs dat de vertaler van het Narrenschip van 1500 de uit Gent afkomstige Parijse drukker en humanist Josse Bade was.

Deel III bevat achttien bijdragen van uiteenlopende aard onder de noemer ‘pragmatiek, toegepaste taalkunde & taalpolitiek’.

Paul Claes wil in plaats van een subjectivistische aanpak van taalverschijnselen in zijn bijdrage een objectief onderbouwde aanpak van poëtisch taalgebruik presenteren. Die aanpak illustreert hij met de poëzie van Hugo Claus in diens bundel Gedichten 1948-1993. Hij gebruikt een verbeterde versie van Groupe µ (1970), en beschrijft alle stijlfiguren als één van vijf transformaties: toevoeging, herhaling, weglating, vervanging en verplaatsing. Claes laat zien hoe Claus met behulp van deze transformaties ongelooflijk maniëristisch is tewerk gegaan.

Aan de hand van Nederlandse, Engelse en Franse voorbeeldzinnen (en contextjes) bespreekt Kristin Davidse de constructionele semantiek en pragmatiek van gekloofde zinnen. Ze onderscheidt drie types van gekloofde zinnen: (1) identificerende (het is X die …); (2) existentiële (er is X die …); (3) possessieve (je hebt X die …). Zij onderscheidt in de gekloofde zinnen twee structurele relaties. Ten eerste, aan de hoofdzin van die types moeten volgens haar niet-pragmatische, laagsemantische betekenissen toegekend worden. Ten tweede, de sinds Jespersen (1937) gangbare opvatting was dat dergelijke gekloofde zinnen een informatiestructuur volgens één enkel patroon focus–presuppositie (nieuw–gegeven) vertonen. In navolging van Declerck (1988) onderscheidt zij ook het patroon gegeven–nieuw, en nieuw–nieuw.

Els Elffers brengt een interessante analyse van de slecht begrepen categorie van de uitroepende zinnen. Vanuit analytisch-taalkundig oogpunt meent zij dat de uitroepende zin als apart taalteken met eigen vorm en betekenis moet worden erkend. Zij beargumenteert dat de uitroepende zin formeel gekenmerkt wordt door ‘uitvergroting’ van het mededelende, vragende of bevelende intonatiepatroon. Qua betekenis is de uitroepende zin voor haar geen emotie-expressie, maar zoals bij Klooster (2001) dient de vorm ‘als een intensiveerder’. Naast de gewone uitvergroting onderscheidt Elffers een bijzondere soort die zij ‘focus-uitroep’ noemt. Zo kan We hebben een dochter! ook de focusuitroepintonatie krijgen, waarbij de spreker het hele woord dochter hoog aanhoudt om de (positieve of negatieve) bijzonderheid van de dochter te accentueren.

Dorien Van de Mieroop verkent de pragmatische functies van directe rede in narratieven. Directe rede geeft een air van objectiviteit, authenticiteit, feitelijkheid. De luisteraar krijgt als het ware de rol van getuige.

Is het Nederlands bedreigd? Bullshit!, zegt Flip Droste.

Op basis van van kritische incidenten in Vlaams-Nederlandse interacties, gerapporteerd in tien interviews van hoogopgeleide Nederlanders die in Vlaanderen werken en tien dito interviews in omgekeerde richting, bericht Marinel Gerritsen over boeiend crosscultureel onderzoek, uitgevoerd met Marie-Thérèse Claes (Claes & Gerritsen, 2013). Deze kritische incidenten zijn te herleiden tot zeven van de elf waarden waarin Vlamingen en Nederlanders van elkaar verschillen: grotere machtsafstand, particularisme, masculiniteit, onzekerheidsvermijding, diffusiteit, polychronie en een groter privéterritorium in Vlaanderen.

Ester Magis, Aleydis Vanden Bossche, Wim Vandenbussche, Rik Vosters en Roland Willemyns zijn de levensvatbaarheid van neologismen die geregeld gesignaleerd worden, nagegaan. Heel wat nieuwe woorden zijn bijna direct dood (zemelteef), andere lichten even op en verdwijnen ook snel (vuvuzela). Van Noord-Zuidconvergentie is bij meer dan de helft van zulke nieuwe woorden geen sprake (N. lintcontrole, Z. korfmunt). Slechts 20% of minder breekt echt door (zwerfvuil, computervirus, doemscenario). Of woorden blijven hangt vooral af van de mate waarin de referent aanwezig blijft.

Binnen dit bestek was het onmogelijk alle bijdragen de revue te laten passeren. Ik heb er een aantal heel bondig in de revue opgenomen omdat ze me om uiteenlopende redenen aanspraken. Samen met de achtentwintig andere vormen zij een menselijk waardevol cadeau dat door de gedegen wetenschappelijke kwaliteit tegelijk een hulde is aan het wetenschappelijk niveau waarvan de twee emeriti in hun onderwijs en onderzoek blijk hebben gegeven.

Frans Daems

 

Freek Van de Velde, Hans Smessaert, Frank Van Eynde & Sara Verbrugge (red.), Patroon en Argument, Een dubbelfeestbundel bij het emeritaat van William Van Belle en Joop van der Horst. Leuven: Leuven University Press, 2014. ISBN: 978 94 627 0014 7. €79,50

 

Bibliografie

Claes & Gerritsen 2013 – Marie-Thérèse Claes & Marinel Gerritsen: Culturele waarden en communicatie in internationaal perspectief. Bussum, 2013.

Declerck 1988 – R. Declerck: Studies on copular sentences, clefts and pseudo-clefts. Dordrecht, 1988.

Groupe µ 1970 – Groupe µ: Rhétorique générale. Paris, 1970.

Van der Horst 2013 – J. van der Horst: Taal op drift. Amsterdam, 2013.

Van der Horst & Van der Horst 1999 – J. van der Horst & K. van der Horst: Geschiedenis van het Nederlands in de twintigste eeuw. Den Haag, Antwerpen, 1999.

Huydecoper 1782-1794 – Proeve van taal- en dichtkunde, in vrijlmoedige aanmerkingen op Vondels vertaalde Herscheppingen van Ovidius. Leiden, 1782-1794.

Jespersen 1937 – O. Jespersen: Analytic syntax. Chicago, London, 1937.

Klooster 2001 – W. Klooster: Grammatica van het hedendaags Nederlands. Den Haag, 2001.

Verhagen 1996 – A. Verhagen: ‘Sequential conceptualization and linear order’. In E. H. Casad (ed.) Cognitive linguistics in the redwoods: the expansion of a new paradigm in linguistics, , p. 793-817. Berlin & New York, 1996.

Twents op sterven na dood? Een sociolinguïstisch onderzoek naar dialectgebruik in Borne

Twents

Deze uitgave beschrijft hoe zich in het Twentse Borne de streektaalcompetentie en het streektaalgebruik van vijf leeftijdsgroepen verhouden met die van het Standaardnederlands.  De onderzoeker en auteur Sabine Maas heeft om dat na te gaan vijf testsituaties gecreëerd voor vier vrouwelijke en vijf mannelijke informanten. De eerste situatie is de mondelinge vertaling van zeventien zinnen in de streektaal, het Nedersaksisch van Borne dus. Daarmee kan de actieve dialectcompetentie  duidelijk worden.  De tweede situatie is andersom; daarbij wordt de beheersing van het Standaardnederlands  nagegaan op basis van ieders vertaling van een  Twentse tekst in de standaardtaal. Bij de derde test leest men een tiental standaardtaalzinnen in zo goed mogelijk Nederlands voor. In de situaties 1 en 3 betreft het  een aantal Nederlandstalige zinnen uit de Reeks Nederlandse Dialectatlassen (deel 12; 1973), zinnen die de Bornse informanten indertijd, niet ver voor het jaar van verschijning, ter vertaling voorgelegd kregen. Zo kan er vergeleken worden met de oorspronkelijke vertalingen, die voor de onderzoeker van nu als ijkpunt gelden.  De vierde en vijfde situatie bestaan uit vrije gesprekken die niet op het eigen taalgebruik focussen;  de eerste is met de onderzoeker, de tweede met een vertrouwde persoon. Een analyse van de score op de variabelen in die gesprekken kan inzicht bieden in het feitelijke gebruik.

Omwille van de vergelijkbaarheid heeft mevrouw Maas haar Bornse informanten gekozen uit personen met een communicatiegeoriënteerd beroep.  Zij werden geselecteerd zodanig dat zich vijf leeftijdsgroepen met een onderlinge leefafstand van  ± 10 jaar lieten onderscheiden, waarvan de jongste groep de gemiddelde leeftijd van 32 jaar had.  Door het taalgebruik tussen de vijf leeftijdsgroepen te vergelijken zouden verschillen en daarmee veranderingen vastgesteld kunnen worden. Dit op grond van de aanname  dat het taalgebruik van jongeren na hun twintigste niet meer sterk verandert en dat zij na verloop van tijd de oudere en oudste generaties vormen (de essentie van de ‘apparent time-methode’).

Om concreet te kunnen checken of de variëteiten die de sprekers in de testsituaties bezigden meer  met het Borns  overeenkwamen dan met het Standaardnederlands stelde de onderzoeker een lijst op van 12 variabele fonologische kenmerken waarop gescoord kon worden, zowel voor het Borns als voor het Standaardnederlands. Voorbeelden van zulke variabelen zijn ol versus ou, zoals in Borns old versus Ned. oud, en  eu versus uu, vergelijk Borns veur tegenover Ned. vuur ‘vuur’.  Daar kwamen nog zes morfosyntactische variabelen bij, zoals Borns nen versus Ned. een in geval van het mannelijk onbepaald lidwoord,  en doe of ie versus je/jij bij het persoonlijk voornaamwoord van de tweede persoon enkelvoud.

 Testresultaten

De competenties werden per situatie uitgedrukt door de totaalscores op alle variabelen, en wel door de percentages te berekenen van de realisaties van de streektaalvarianten en die van de standaardtaalvarianten op het geheel van alle realisaties.  In situatie 1 bleek de score van de dialectvarianten per leeftijdsgroep gemiddeld 90,6%, 87,7%, 87,9%, 84,2% respectievelijk 69,8%. Dat is reden om van een gestage afname te spreken, al is die bij de jongste groep wat nadrukkelijker dan in de oudere leeftijdsgroepen.

Situatie 2, de vertaling van een Twentse tekst in het Standaardnederlands  leverde nauwelijks verschil op tussen de negen sprekers.  Het aantal mogelijke scores bedroeg 53 (variabelen) maal 9 proefpersonen; in slechts vier gevallen werd een dialectvariant gerealiseerd. De uitgangshypothese  ‘De standaardtaalcompetentie van de jongere sprekers is hoger dan van de oudere sprekers’ werd daarmee niet bewaarheid.

Bij de voorleestaak, de derde test, ging het om de correcte uitspraak van het Standaardnederlands; de morfosyntactische opties bleven buiten beschouwing. Op één realisatie na scoorden alle personen  in deze test  100% Standaardnederlands.  Ook nu bleek de beheersing daarvan heel goed te zijn en geen samenhang met de factor leeftijd te vertonen.

 Taalgebruik in gesprekken

In de situaties 4 en 5 werden de proefpersonen niet door opdrachten gestuurd, maar konden ze hun taalgebruik zelf kiezen. In het eerste gesprek, dat met de onderzoeker zelf, was de situatie wat formeler dan in het tweede, met een vertrouwde persoon. Op het totale aantal keren dat een spreker een variabele gebruikte berekende mevrouw Maas  het procentuele aandeel van de standaardtaalopties, om zo te laten zien in welke mate de informanten de standaardtaal hanteerden. Ze verwachtte dat de informanten vooral Nederlands spreken met iemand die ze niet kennen en die van elders komt, zoals in dit geval zijzelf dus, en die voorspelling bleek uit te komen. De oudste vier sprekers realiseerden voor  85-90% de standaardtaal; vier van de vijf jongste sprekers haalden de hoogst denkbare score. Alleen een vrouwelijke informant van 41 jaar week af. Ze bleek zich sterk bewust van haar Twentse identiteit en taal en vond dat die door mag klinken. Deze waarneming roept het idee op om voortaan in dit soort onderzoek ook een situatie te creëren waarbij de onderzoeker streektaal spreekt, teneinde het streektaalgebruik juist ook in die situatie te meten.

In de situaties 4 en 5 werden de sprekers niet geïnstrueerd om goed Nederlands te spreken. De mate van inspanning daartoe hing er dus van af hoe sterk men het licht formele karakter als motivatie beleefde.  De competentie van het Nederlands is daarmee niet gemeten, maar wel het feitelijke gebruik in de onderhavige situaties, en dat was de bedoeling.  Dat toch ook situatie 5 door de opname enigszins formeel was, laat zich ook aflezen uit het opvallende verschil tussen de percentages voor de standaardtaalopties van de oudste drie leeftijdsgroepen (10,75%, 22,7% en 30,95%) en die van de jongste twee (84,3% en 81,1%), met als draaipunt de leeftijd van ongeveer 50 jaar.

Sprekers van 42 jaar en jonger gebruiken in hun dagelijks leven bijna uitsluitend standaardtaal, concludeert de auteur. Dat valt nog te bezien, want  ook in situatie 5 ging het om een enigszins formele situatie, die automatisch ontstaat door omstandigheid van de opname en die wellicht bij jongere mensen eerder  het gebruik van het Nederlands triggert. Aan de dialectcompetentie van de jongeren zal het niet gelegen hebben, want die bleek tamelijk hoog te zijn volgens testsituatie 1. Overigens is ook in ander onderzoek naar het Nedersaksisch een sterke discrepantie gesignaleerd tussen beheersing (die relatief groot is) en feitelijk gebruik. Ook mevrouw Maas is zich dat bewust. Ze haalt aan dat volgens haar onderzoek de streektaalcompetentie van dertigjarigen nog ± 70% is en stelt daarbij dat het gebruik dus weer zou kunnen toenemen.

 Overige informatie en enkele reflecties

Naast haar rapportage over het eigenlijke onderzoek in de hoofdstukken 3 en 4 biedt de auteur nuttige informatie over research naar variatie en verandering in streektalen – gelukkig ook uit het Duitse gebied – en naar dat van het Nedersaksisch in het bijzonder (hoofdstuk 2). Het betreft onder meer het  onderscheiden van de verticale dimensie (i.c. de relatie met de standaardtaal) en de horizontale dimensie, dus die met de dialecten in het omringende geografisch continuüm.  In dit verband had iets meer werk gemaakt kunnen worden van de verticale verhouding van het Borns met het oudere Nedersaksisch. De auteur verwachtte  in het Borns oo in plaats van eu in breur versus broer, meu versus moe, meuilijk versus moeilijk en schat de eu als hyperdialectisch / regiolectisch Nedersaksisch in. Het betreft echter een klankwettige voorzetting van een oude oo met i-umlaut, ook in het Borns. Maar dit is een detail, in een masterscriptie die terecht de boekvorm heeft verkregen in de reeks Niederlande-Studien Kleinere Schriften  en die eigenlijk om meer vraagt, zo  mogelijk met meer informanten en een grotere materiaalbasis.

Henk Bloemhoff

 

Sabine Maas, Twents op sterven na dood? Een sociolinguïstisch onderzoek naar dialectgebruik in Borne. Niederlande-Studien Kleinere Schriften. Heft 18. Friso Wielenga und Loek Geeraedts (eds.) Münster/New York: Waxmann, 2014. isbn: 978-3-8309-3033-4 (print). isbn: 978-3-8309-8033-9 (e-book). € 13,90.

Kennis in beeld. Denken en doen in de Middeleeuwen

Kennis in beeldHet jaar 2014 kan voor de Werkgroep Middelnederlandse Artesliteratuur (WEMAL) niet anders dan een mooi jaar geweest zijn. Niet alleen behaagde het de Majesteit Orlanda Lie, gedreven voorvechtster van de Middelnederlandse artesliteratuur, te benoemen tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau vanwege het internationaal aanzien dat zij de Middelnederlandse literatuur gebracht heeft, tevens ging met het verschijnen van het boek Kennis in beeld. Denken en doen in de Middeleeuwen een langgekoesterde WEMALwens in vervulling.

WEMAL werd in 1999 opgericht door Erwin Huizenga, Lenny Veltman en Orlanda Lie. De werkgroep wilde vooral het onderzoek op het gebied van artesliteratuur stimuleren. Immers, anders dan bijvoorbeeld de ridderepiek of de geestelijke literatuur kreeg de Middelnederlandse artesliteratuur tot dat moment zelden de aandacht die zij verdiende. En dat was jammer nu juist uit deze Middeleeuwse equivalent van onze wetenschaps- en vakliteratuur veel te leren valt over het Middeleeuwse denken en doen van alledag. Vervolgens zou al die nieuw te verwerven kennis voor een breed publiek toegankelijk gemaakt moeten worden middels een oogstrelend, populariserend platenboek dat deze Middeleeuwse denk- en leefwereld vanuit een interdisciplinair perspectief zou ontsluiten. Door – zo was de gedachte – samen met specialisten op andere onderzoeksgebieden steeds vanuit ieders eigen achtergrond en invalshoek naar het overgeleverde beeldmateriaal en de artesteksten te kijken, zou het artesonderzoek niet alleen diepte krijgen, maar ook een dynamiek en een breedte die ruimte zouden bieden voor nieuwe inzichten en verrassende uitkomsten. Bij gebreke aan de daartoe benodigde expertise bleef dit plan zo’n tien jaar op de plank liggen, tot in 2011 ook kunsthistorici de gelederen van WEMAL kwamen versterken. Eindelijk kon er serieus een aanvang gemaakt worden met dit project. En in mei 2014 was het dan zo ver: onder redactie van Andrea van Leerdam, Orlanda Lie, Martine Meuwese en Maria Patijn verscheen het boek Kennis in beeld. Denken en doen in de Middeleeuwen.

De 21 bijdragen in dit boek zijn door specialisten in hun veld geschreven. En dan moeten we niet alleen denken aan Medioneerlandici, historici en kunsthistorici, doch geheel in de geest van WEMAL ook aan een emeritus gynaecoloog, een emeritus hoogleraar klinische neurofysiologie, een jeugdarts en een planetariummedewerkster. De bijdragen zijn kort (gemiddeld zo’n acht pagina’s), helder geschreven, ruim opgezet, en volgen steeds een zelfde patroon: uitgaande van een kernafbeelding en een citaat uit een Middelnederlandse artestekst wordt aan de hand van een ‘vraag die verwondering wekt’ (p. 7) een venstertje op de Middeleeuwen geopend. De vraag wordt in de loop van de korte bijdrage uitgewerkt met de bedoeling aan het einde van elk stuk de lezer een ‘Oh, zit dat zo!’ te ontlokken. Een mooi voorbeeld is de bijdrage van Maria Patijn, ‘De arts met de kruisboog’ (p. 120-127). In haar bijdrage beschrijft zij hoe een pijl die zó vast zit dat hij met menskracht niet uit het lijf te verwijderen is, door Middeleeuwse chirurgen met behulp van een kruisboog als het ware het lichaam uit geschoten werd. Verrassend, zeker, maar ook buitengewoon inventief, innovatief en bovenal: effectief. Op zo’n moment voel je als lezer de aanvankelijke verwondering over het citaat en de kernafbeelding omslaan in respect voor een wereld van kennis en kunde die onbetwistbaar anders is dan de onze, maar die daar zeker niet voor onder doet.

De bijdragen zijn thematisch geordend. Zo staat in de hoofdstukken 1 tot en met 7 het Middeleeuwse wereldbeeld centraal. Na een korte, nuttige en toegankelijke inleiding op het onderzoeksgebied en op de structuur van de bundel (Orlanda Lie), komen achtereenvolgens aan de orde het onderwijsprogramma in de Middeleeuwen (Orlanda Lie en Anton van Rijn), de hemelse muziek die planeten en engelenkoren voortbrengen en die in de beleving van de Middeleeuwse mens de taal vormt die het dichtst bij het goddelijke komt (Mariken Teeuwen), het verband tussen de planeet Mercurius en een dikke geldbuidel (Irene Meekes), de relatie tussen Vrouwe Fortuna en de maan als ‘de snelste en wildste van alle planeten’ (p. 53) met een snufje Middeleeuwse sociale kritiek (Willem Kuiper), de samenhang in woord en beeld van kosmos, planeten, de wisseling van de seizoenen en ideeën over gezondheid (Karine van ’t Land) en hoe het hebben van een blij gemoed en een leven zonder schulden ook in de Middeleeuwen al het recept voor een gezond en gelukkig leven was (Johanna Maria van Winter).

In de hoofdstukken 8 tot en met 11 is er aandacht voor het thema identiteit en hiërarchie. Hier komen onderwerpen aan de orde variërend van de strijd tussen goed en kwaad (Willem van Bentum) tot tafelmanieren (Christiane Muusers) en het tweede leven van wereldse kledingstukken in een liturgische omgeving (Casper Staal). Wieze van Elderen staat stil bij de vraag wat nu precies ‘Middeleeuws mooi’ is en wat een vrouw kon doen om dat schoonheidsideaal zo dicht mogelijk te benaderen. En ook toen al gold: wie mooi wil zijn, moet pijn lijden.

Gezondheid staat centraal in de hoofdstukken 12 tot en met 17. Zo mag het bevredigen van lichamelijke behoeftes aan de ene kant dan misschien schadelijk zijn voor de ziel, het is wél bevorderlijk voor de gezondheid, zeker voor jonge vrouwen (Martine Meuwese). Vervolgens wordt nader ingegaan op de Middeleeuwse kennis van de inwendige vrouw (Hans L. Houtzager). Binnen dit thema komen ook de betekenis van de kruisboog voor de geneeskunde (Maria Patijn), miraculeuze genezingen van been- en voetkwetsuren (Marjolijn Kruip) en de heilzame werking van muziek (Pia Wagenaar) aan de orde. Joost Jonkman en Ludo Jongen gaan in hun bijdrage nader in op de Middeleeuwse kennis van de hersenanatomie en de behandeling van, bijvoorbeeld, impressiefracturen met behulp van trepanatie (schedellichting). Hun conclusie: uit de Middeleeuwse chirurgische handboeken komen vakmensen naar voren die veel dichter bij de moderne medicus staan dan vaak vermoed wordt (p. 135).

De hoofdstukken 18 en 19 bespreken de rol van de natuur. Marcel van der Voort bespreekt hoe slangen zowel gevaarlijk giftig als wonderbaarlijk geneeskrachtig kunnen zijn en Tom de Schepper laat aan de hand van de beeld- en teksttraditie rond de alruinwortel zien hoe het Middeleeuwse wereldbeeld, ook binnen de geneeskunde, doordrenkt was van religie en magie (p. 167).

Hiermee is meteen een mooie brug geslagen naar bijdrage 20, de enige bijdrage in de bundel waarin magie centraal staat. Helen Wüstefeld schetst aan de hand van het schilderij Saul bij de heks van Endor van Jacob Cornelisz. van Oostsanen hoe magie, religie en politiek samenkomen in het verhaal van een sterke Hollandse vrouw en een zwakke Deense koning.

In de laatste bijdrage in de bundel staat de kunst van het sterven centraal. Onder het motto ‘Salichlijc sterven doet eewelic leven’ bespreekt Andrea van Leerdam hiernamaals en kosmos. We zijn weer terug bij de strijd tussen goed en kwaad en bij het constante verlangen van de Middeleeuwse mens naar een goed einde en naar een plekje in de hemel.

Hoewel de bijdragen – merkbaar – los van elkaar geschreven zijn en elkaar dan ook af en toe overlappen, is de redactie er door het slim plaatsen van kruisverwijzingen binnen de artikelen in geslaagd deze overlappingen zó te gebruiken dat ze de onderlinge samenhang van de bijdragen en de thema’s juist verhogen.

Valt er dan helemaal niets te mopperen? Natuurlijk wel. In eerste instantie valt het bijna niet op, immers de eerder besproken bijdragen van Marjolijn Kruip en Casper Staal volgen het vaste patroon van kernafbeelding en citaat en passen netjes binnen hun artesthema, maar de oplettende lezer zal zich bij de citaten uit het Mirakelboek van Onze-Lieve-Vrouwe te ’s-Hertogenbosch en uit de kloosterkroniek van het Utrechtse vrouwenklooster bij De Bilt mogelijk toch afvragen hoe deze teksten precies binnen de artesliteratuur passen?

’t Was, zoals gezegd, een langgekoesterde WEMAL-wens: een oogstrelende, toegankelijke eerste kennismaking met een onderzoeksgebied dat tot voor kort nog niet zo breed gekend was. En met Kennis in beeld ligt deze kennismaking er nu. 21 bijdragen, 196 pagina’s, 130 voor het merendeel kleurenafbeeldingen en een uitgebreide literatuurlijst voor wie de smaak te pakken heeft gekregen, voeren de lezer een wereld binnen waarin het allergrootste en het allerkleinste nauw met elkaar verweven zijn en waarin het verwerven van kennis van de wereld door woord en beeld tevens het verwerven van inzicht in Gods plan met de mensheid is. Kennis in beeld laat zien dat onder de bezielende (bege)leiding van WEMAL het artesonderzoek de kinderschoenen niet alleen ruimschoots ontgroeid is, maar in de multidisciplinariteit en interdisciplinariteit van het onderzoek de lezer ook nog een belangrijke les leert: hoe door buiten de gebaande paden te treden een completer beeld kan ontstaan en nieuwe inzichten en nieuwe vragen kunnen opborrelen. Maar nu nog even niet. Nu eerst even heerlijk grasduinen.

Jacqueline Wessel

 

Andrea van Leerdam, Orlanda S.H. Lie, Martine Meuwese en Maria Patijn (red.) Kennis in beeld. Denken en doen in de Middeleeuwen. Hilversum: Verloren, 2014. 196 pp. isbn: 9789087044176. € 25,–.

Worm en donder. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1700-1800: de Republiek

Worm en donder‘Van dien tyd sloeg de geest der dicht’ren aan het quijnen,’ constateerde de nu vrijwel onbekende toneelschrijver Karel Verlove omstreeks 1680. Dit contemporaine waardeoordeel is in de geschiedboeken over de Nederlandse literatuur in de loop der tijd door talloze literatuurhistorici in alle toonaarden herhaald. Steeds weer wordt de periode van rond 1680 tot 1800 gepresenteerd als een tijdperk van achteruitgang op alle gebied, ook op dat van de letterkunde. De auteurs van het deel over de achttiende eeuw in de huidige reeks literatuurgeschiedenissen zijn zich daar terdege van bewust geweest. Ze nemen in hun inleidende hoofdstuk alle ruimte om hun uitgangspunten uiteen te zetten. Een belangrijk probleem betreft de wijze waarop literaire teksten traditioneel werden beoordeeld, omdat sinds de opkomst van de literatuurgeschiedschrijving in het begin van de negentiende eeuw de waardering – van Siegenbeek tot Knuvelder – vooral moreel en esthetisch gekleurd was. Inger Leemans en Gert-Jan Johannes typeren de achttiende eeuw daarentegen als een tijdperk waarin het maatschappelijk engagement een van de belangrijkste drijfveren was voor vele literatoren (p. 50). Zij hebben hun boek dientengevolge meer vanuit cultuurhistorische dan esthetische interesse geschreven, al beperken zij zich wel tot de ‘fraaije letteren’. Bovendien willen ze meer aandacht besteden aan de (inter)nationale cultuur- en maatschappijhistorische context. Mede daardoor ontstaat er in Worm en donder een ander beeld: het blijkt in de achttiende eeuw te ritselen van letterkundige initiatieven en debatten.

Worm en Donder vormt het vijfde deel van de nieuwe Geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Tijdens het overleg in 1997 op initiatief van de Taalunie dat aan de plannen voor een nieuwe literatuurgeschiedenis voorafging, bleek een duidelijke voorkeur voor een functionalistische aanpak, waarin literatuur wordt ingebed in een altijd weer veranderende samenleving. Voor de achttiende eeuw heeft deze methode uitstekend gewerkt.

Dit boekdeel in de reeks literatuurgeschiedenissen heeft een moeilijke ontstaansgeschiedenis gekend. De oorspronkelijk beoogde auteur, Joost Kloek, moest wegens ziekte het werk overdragen aan twee andere deskundigen (p. 727). Mogelijk is dat er de oorzaak van dat in strijd met de opzet van de reeks in het deel Worm en donder alleen de literaire geschiedenis van de Republiek behandeld wordt, niet die van de Zuidelijke Nederlanden. Het zal voor Leemans en Johannes een zware klus zijn geweest om hun vakkennis onverwachts in een handboek te moeten gieten – een ware aanslag op hun tijd en energie. Zij hebben zich in ieder geval met verve van hun taak gekweten.

Een belangrijk literair genre in de achttiende eeuw is het reisverhaal. Worm en donder bespreekt onder andere de imaginaire reis van een Nederlandse schipbreukeling in het verhaal van Hendrik Smeeks uit 1708, Het Koningkrijk Krinke Kesmes. De man komt uiteindelijk in de stad Taloujaël terecht, waar hij leraar in de Nederlandse taal wordt (p. 585). Dat is daar niets bijzonders omdat alle talen van de wereld er onderwezen worden, zo meldt het verhaal. Deze voor achttiende-eeuwse lezers overduidelijk fictieve situatie is inmiddels geen puur verzinsel meer. Wereldwijd wordt de Nederlandse taal en cultuur onderwezen aan een groot aantal universiteiten. De droom van Rijklof Michael van Goens over een toekomende eeuw ‘waarin buitenlanders gretig onze taal zullen leren om kennis te nemen van de verworvenheden der Nederlandse cultuur’ (p. 40) is in vervulling gegaan. Deze internationale vakgroepen zijn inmiddels vaak gewaardeerde centra van onderwijs en onderzoek in de neerlandistiek. Het curriculum betreft in alle gevallen de Nederlandse taal en cultuur van zowel Nederland als Vlaanderen. Zij zullen de behandeling van de Vlaamse letterkunde dan ook extra missen. En de Nederlandse Taalunie streeft natuurlijk uit de aard van haar bestaan naar een evenwichtige presentatie van ‘Noord’ en ‘Zuid’. Alleen al hierom is het zaak dat het deel over de literatuur in ‘de Oostenrijkse Nederlanden’, spoedig zal worden uitgebracht. De verwijdering tussen de twee taalgebieden als gevolg van de politieke ontwikkelingen in het Europa van de achttiende eeuw (p. 29 en 71-77), kan dan inzichtelijk worden. De hoofdredactie kondigde een deel over de Zuidelijke Nederlanden door Tom Verschaffel gelukkig al aan.

De auteurs hebben gekozen voor een thematische opzet. Dat resulteert in vaak verrassende perspectieven. Zij presenteren vier invalshoeken. In deel I geven zij een overzicht van het letterkundig bedrijf. Vele recente boekhistorische studies vormen van dit deel de basis. Daaruit wordt duidelijk dat de boekenmarkt zich ‘vernederlandst’, wat wil zeggen dat letterkundig vermaak in de eigen taal de voorkeur gaat krijgen boven de bestudering van geleerde werken in vreemde talen; de markt voor vertalingen breidt zich dientengevolge uit. Literatoren beogen met hun werk de samenleving en haar burgers op te stoten in de vaart der volkeren. Bepaalde letterkundige instituties worden belangrijk. Zo wordt de rol van reguliere, structurele kritiek groter en gaan genootschappen als formele samenwerkingsverbanden van schrijvers op zoek naar herkenbare, algemeen aanvaardbare normen voor literatuur. Bovendien maken regelmatig verschijnende tijdschriften een stabieler afzetgebied van literaire producten mogelijk. In een afzonderlijke paragraaf van tien pagina’s bespreken Leemans en Johannes het ontstaan en de ontwikkeling van de achttiende-eeuwse kritiek. Het is een voorbeeld van een evenwichtig betoog waarin de auteurs reflecteren op vorm en inhoud van de kritiek, maar waarin dit onderdeel van het literaire bedrijf eveneens in een mooi historisch en internationaal kader wordt geplaatst. Het is een tekening van de achttiende eeuw die mij bij zal blijven.

In dit eerste deel is het theaterbedrijf als letterkundige organisatievorm geplaatst, mede op grond van het feit dat (ook) het toneel steeds meer werd geïnstitutionaliseerd. Er ontstonden vaste schouwburgen en het beleid werd steeds meer een nationale aangelegenheid. De kern voor toestemming of verbod van de overheid voor opvoering zien Leemans en Johannes in wat zij het oude probleem in de Republiek noemen: de machtsverhouding tussen kerk en staat. Men kan zich overigens afvragen of dat probleem niet gold voor geheel Europa. Naarmate de eeuw vordert intensiveert zich de toneelkritiek, zodat men kan spreken van een nieuw genre met een vaak satirische en polemische inslag. Een mooi inkijkje in de denkwereld van achttiende- eeuwers geeft de paragraaf over de brand in de Amsterdamse schouwburg in 1772, waarin achttien mensen het leven verliezen. De brand groeit uit tot een nationaal publiek trauma. In de discussie over het mogelijk zondig vermaak van schouwburgbezoek mengt zich ook Elisabeth Wolff-Bekker. Het blijkt evenwel de zwanenzang van de oppositie tegen toneel (p. 285-288).

Deel II opent fraai met de introductie van een landkaart waarop de verschillende streken van ‘het koninkrijk poëzie’ de verschillende genres vormen. De tekst van het erbij behorende vertaalde citaat is ondertekend met B.W. Voor de auteurs staat het vast dat achter deze initialen Betje Wolff schuilgaat. Ik kan dit niet bestrijden, maar heb wel een zekere twijfel: heeft auteur Elisabeth Wolff-Bekker vaker deze initialen gebruikt? Anders is het mogelijk dat de traditionele literatuurgeschiedschrijving ons ook nu nog op het verkeerde been zet. Geheel in strijd met alle regels voor het noemen van een auteur in de vorm waarin zij of hij zichzelf presenteert, is aan de schrijvers Wolff en Deken de unieke, maar twijfelachtige eer gegund met hun roepnaam de geschiedenis in te gaan: Agatha werd Aagje, Elisabeth Betje.

Onder de titel ‘Vorm en Norm’ schetst dit tweede deel een ontwikkeling waarbij een toenemende twijfel aan klassieke en andere overgeleverde regelsystemen de aandacht doet verschuiven: van regels, normen, kennis en oefening naar gevoeligheid, authenticiteit en het aangeboren talent. Zo kan ook fictioneel proza langzamerhand als ware kunst worden beschouwd. Een andere duidelijke vernieuwing is de ontwikkeling van het burgerlijk drama en het loslaten van het rijm.

Deel III en IV zien Leemans en Johannes als stof voor lezers ‘die willen grasduinen in de wereld van de achttiende-eeuwse literatuur’ (p. 30). In Deel III betekent dit een rijk gedocumenteerde verkenning van de natuur en van de mens in de eigen of andere samenlevingen, dichtbij of ver weg. Aan elk van deze onderwerpen is een hoofdstuk gewijd. Een belangrijk gegeven is dat literatuur, kunst en natuurwetenschap in de achttiende eeuw niet elkaars tegenpolen vormen. Integendeel, literatoren zoeken de hele eeuw door naar krachtige manieren om literatuur en wetenschap met elkaar te blijven verbinden. De roman blijkt in dit kader een essentiële rol te spelen. De bespreking ervan sluit mooi aan bij het hoofdstuk over egodocumenten, met aandacht voor de literaire kwaliteiten van oorspronkelijk niet gedrukte teksten als brieven, dagboeken, reisverslagen, waarin ook een bepaald tijdsbeeld zichtbaar wordt.

Deel IV heeft als centrale thema’s religie en politiek. De grondige besprekingen van het bijbels epos, psalmberijmingen en gezangen gaven mij verrijkende nieuwe informatie. De auteurs constateren dat onder invloed van de Verlichting de geloofsliteratuur zich meer gaat richten op sociale constructie dan op het inhameren van theologische principes. In de loop van de eeuw verschuift bovendien de aandacht binnen de religieuze literatuur van de publieke rol van de kerk naar het innerlijk van de gelovige. De veel voorkomende gedachte als zouden Verlichting en religie elkaars tegenpolen zijn, wordt door nieuw onderzoek gelogenstraft. De verzoening van religie en verlichte wetenschap, zoals die gestalte krijgt in fysicotheologische werken, kunnen het geloof zelfs bij uitstek bevestigen en versterken.

Een laatste hoofdstuk legt een verband tussen de literatuur en de politieke situatie in de Republiek. In enkele bladzijden wordt ingegaan op de bijzondere positie van Nederland in Europa en op de interne machtsstructuur, waarin stadhouders een doorslaggevende rol speelden. Het is wel erg weinig om zicht te krijgen op de woelingen, nationaal en internationaal, waarvan de achttiende eeuw bol stond. En dat terwijl de auteurs de achttiende eeuw juist vanuit de verwevenheid van de literaire geschiedenis en de algemene geschiedenis wilden benaderen (p. 715). Lezers moeten over heel wat achtergrondinformatie beschikken om de feiten te kunnen duiden. Zo wordt de hertog van Brunswijk wel genoemd, maar blijft zijn machtige positie onvermeld. Ook is het voor historisch niet geschoolde lezers moeilijk vast te stellen hoe ‘de tegenstelling tussen staats- en prinsgezinden de Republiek heeft gekleurd’ (p. 670), omdat lang onduidelijk blijft welke groepering in welke periode de macht wist te grijpen. En de zin ‘Sommige vrouwen leren hun schrijvende partners in de gevangenis kennen’ (p. 143) zal van een vraagteken worden voorzien door lezers die zich geen voorstelling kunnen maken van de strijd tussen de verschillende groeperingen.

Verwijzingen naar internationale gegevenheden vergen eveneens veel van de lezers. Zouden die echt bekend zijn met Voltaires epos over ‘de vredeskoning Henri IV’ (p. 659), en ook nog weten om welke koning het hier gaat? En vergroot een zin als ‘keizer Josef II is daar op dat moment bezig met zijn door de Verlichting geïnspireerde ontmanteling van het Ancien Régime’ (p. 695) het inzicht over wat zich in Europa afspeelde? Ook het noemen van de Vrede van Utrecht in 1713 of die van Aken in 1749 (p. 664) kan zonder uitleg nauwelijks tot enig historisch inzicht leiden. En wanneer en waarom brak de vierde Engelse Zeeoorlog uit? (p. 602) Het meeste houvast geeft nog de conclusie dat de literatuur van het begin en die van het einde der eeuw worden gekenmerkt door hevige beroeringen, terwijl die van de jaren 1730-1780 eerder in het licht van consolidatie staat (p. 713). Belangrijk voor het inzicht in de functie van literatuur in de achttiende eeuw is de conclusie van de auteurs dat tijdens de politieke twisten (1780 en 1790) veel van de ideeën die eerst in de literatuur werden verkend kunnen terugkeren als politieke propaganda.

Het boek bevat vele interessante elementen, zoals de mooie combinatie van woord en beeld in de paragraaf over het ‘Panpoëticon Batavum’, waarin twee afbeeldingen van de vergaderzaal Kunst wordt door Arbeid Verkreegen uitgangspunt zijn voor een uitgebreide bespreking van Bidloo’s lofzang (uit 1720) op het Nederlandse dichterdom (p. 111-128). Ook de geschiedenis van het woord ‘gezelligheid’ en ‘ijver’ (p. 216), van de begrippen ‘recensie’ en ‘kritiek’ (p. 249-259) en ‘rust’ (p. 548) leveren boeiende leesstof. In één enkele zin wordt soms een wezenlijk element van de tijd gevat, zoals in ‘Waar De Lannoy zichzelf op de Parnas plaatst, probeert Wolff de hele berg af te breken om een ander ideaal van dichterschap te kunnen ontwerpen, een ideaal waaraan vrouwen gemakkelijker kunnen beantwoorden’ (p. 149). Soms lijken de auteurs echter hun publiek enigszins uit het oog te verliezen. Zo krijgt men namen van dichters te lezen die pas veel later of helemaal niet van achtergrondinformatie worden voorzien, zoals in het rijtje namen van wier werk David van Hoogstraten edities verzorgde (p. 116) en de combinatie ‘Vondel, Vollenhove en Poot’ (p. 401) is moeizaam omdat Vollenhove verder nergens meer voorkomt. Hier gaat het nog om figuren die te plaatsen zijn in de vroegmoderne tijd, maar dat geldt niet voor sommige associatieve verwijzingen. Zo is het jammer dat in de mooie paragraaf 3.3 naar de Batrachomyomachia (p. 255) wordt verwezen zonder dat terug te vinden is door wie en wanneer deze parodie op de Ilias geschreven is. Ook Menno ter Braak en Johnny van Doorn duiken zomaar op en de film Il gattopardo (p. 719) moet kennelijk elke lezer gezien hebben. Een wonderlijke uitglijder bevat pagina 151. In de bespreking van de wijze waarop Wolff en Deken als karakters de literatuurgeschiedenis zijn ingegaan en de manier waarop hun personage Sara Burgerhart getypeerd is, wordt gesteld dat zij ‘associatief in het gezelschap komen te verkeren van de vaderlandse popster Ali B en de moordenaar van Theo van Gogh, Mohammed B’. De vergelijking slaat nergens op, terwijl alleen al de combinatie van die twee een flagrante misser is. Het register houdt de combinatie niet vol: rapper Ali B. wordt onder zijn voornaam opgevoerd – een wijze van presenteren die hij deelt met vorstelijke personen –, Mohammed B. onder de tweede letter van het alfabet.

Alle delen van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur hebben natuurlijk eenzelfde format. Er is voor gekozen om geen voet- of eindnoten te gebruiken, mogelijk ter vergroting van het leesplezier. Voor Worm en donder is dat duidelijk een gemis. Hoewel Leemans en JohanVI nes er namelijk van uitgaan dat gebruikers het handboek niet van kaft tot kaft zullen lezen (p. 28) – dat is een voorrecht waarvan vrijwel alleen recensenten gebruik zullen maken – vallen zij toch met enige regelmaat terug op formuleringen als ‘zoals wij eerder zagen’ of ‘daar komen we graag op terug’. Een voetnoot met een interne verwijzing had in die gevallen lezers naar verdere informatie kunnen leiden. Nu is het enige wat erop zit het boek toch in z’n geheel te lezen! De rubriek ‘Aantekeningen’(p. 720-757) maakt het probleem niet ongedaan. Daarin zijn geen interne verwijzingen opgenomen. Per paragraaf wordt steeds eerst een – zeker niet uitputtend – overzicht gegeven van de wetenschappelijke achtergrondliteratuur; daarna worden de citaten verantwoord. Omdat paginaverwijzingen daar ontbreken, moeten lezers overigens goed kunnen zoeken! Een andere mogelijkheid zou zijn geweest naast het namenregister een zakenregister op te nemen. Zo’n register zou trouwens ook om andere redenen steunend geweest zijn. Vele termen (en namen) in de lopende tekst hebben betrekking op personen of zaken die pas in een later stadium worden verklaard of beschreven. Eén voorbeeld: Kinker wordt in het inleidende hoofdstuk geïntroduceerd als ‘kantiaans verlichtingsfilosoof’, terwijl noch Kant, noch de Verlichting is besproken (p. 31). Via een register zouden lezers tenminste enige noodzakelijke informatie kunnen vergaren.

Deze literaire deelgeschiedenis draagt de titel Worm en donder, een ogenschijnlijk weinig poëtische aanduiding; vooral ‘worm’ zal weinigen op het spoor van literatuur zetten. De bevreemding kan lezers evenwel prikkelen het handboek open te slaan. Zij zullen dan ervaren dat de woorden, ook in combinatie, vaak voorkomen in citaten uit de achttiende-eeuwse letteren. De natuur, een kernbegrip in de achttiende- eeuwse wereldbeschouwing, openbaart zich in al haar macht en kracht het hevigst in de donder, die herhaaldelijk als een instrument van God en teken van zijn almacht wordt bezongen. En de worm past in de fysicotheologische denkwijze die uitgaat van de gedachte dat de hele schepping een aaneengeschakelde ‘keten der wezens’ vormt, ‘van de aardworm tot de engelen’ (p. 454). De worm blijkt eveneens een veel gebruikte metafoor voor de mens in relatie tot God (p. 469-471), maar ook de Republiek wordt door Justus van Effen aangeduid als ‘geringe aardworm’ die ooit de Spaanse leeuw moest bevechten (p. 678). En als de paalworm (waarvan latere biologen vaststelden dat het geen worm maar een weekdier was) in 1730 de Nederlandse waterkeringen bedreigt, ziet Justus van Effen een verband tussen de mannenliefde en de paalworm: beide zouden zij de grondvesten van de Nederlandse samenleving aantasten. In hetzelfde jaar barst er in de Republiek een van de meest hevige vervolgingsgolven tegen homoseksuelen los (p. 625-627). Zo wordt het beeld van de worm ter aanduiding van nietigheid en zondigheid en de donder ter aanduiding van Gods (dreigende) almacht, steeds weer ingeweven in de literatuur van de achttiende eeuw.

Leemans & Johannes hebben met Worm en donder de serie Geschiedenis van de Nederlandse literatuur verrijkt met een stevig handboek over de achttiende-eeuwse letterkunde. Het is geen gemakkelijke kost, zeker niet voor een leespubliek dat weinig weet heeft van de Nederlandse en Europese geschiedenis uit die tijd. Ook bevat het boek nogal wat schoonheidsfouten. Het is echter tevens een boek dat de traditioneel geringe waardering voor dit tijdvak grondig heeft durven wijzigen. Dat is deels te danken aan onderzoek dat zich de afgelopen decennia binnen het vakgebied heeft ontwikkeld, deels ook aan de doortastende wijze waarop de auteurs nieuwe invalshoeken hebben gezocht en gevonden. Zij laten met veel elan zien dat de literatuur in ‘deez’ verlichte tijden’, zoals De Lannoy het tijdperk aanduidt (p. 711), een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van een literair bedrijf dat binnen een roerige maatschappelijk-politieke context aanzette tot het creëren van nieuwe ideeën, waarvan talrijke nieuwe genres het resultaat waren. Het boek getuigt van een literatuur die de basis heeft gelegd voor wat zich tot op heden manifesteert in het denken en in de taal. De conclusie ‘dat de achttiende eeuw een uiterst dynamisch tijdperk is’ (p. 711), zullen lezers met dit boek in de hand vast en zeker graag beamen.

A. Agnes Sneller  

 

Inger Leemans & Gert-Jan Johannes (met medewerking van Joost Kloek), Worm en donder. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1700-1800: de Republiek. Amsterdam: Bert Bakker, 2013. [Deel 5 van A.J. Gelderblom & A.M. Musschoot (hoofdredactie), Geschiedenis van de Nederlandse literatuur]. 816 pp. isbn: 978 90 351 3045 6. € 64,–.

Signalement: De Mulisch Mythe. Harry Mulisch: schrijver, intellectueel, icoon

De Mulisch MytheMet De Mulisch Mythe is Sander Bax de eerste auteur die vier jaar na de dood van misschien wel Nederlands bekendste schrijver een ‘biografie’ publiceert over Harry Mulisch. ‘Biografie’, want Bax is niet op zoek naar de mens achter het publieke optreden van Mulisch, juist ‘de mythe’, het beeld dat Mulisch van zichzelf creëerde binnen het publieke domein staat centraal in deze studie. Aan de hand van interviews, recensies, televisie-optredens en het oeuvre van de auteur beschrijft Bax hoe Mulisch al schipperend tussen drie figuren – Mulisch als publieke intellectueel, autonome schrijver en mythische mediafiguur – vorm gaf aan zijn schrijverschap.

 

Interesse om dit boek te recenseren? Stuur een mail naar:boekbeoordelingen@tntl.nl

 

 

 

 

De Mulisch Mythe. Harry Mulisch: schrijver, intellectueel, icoon

Sander Bax

Meulenhoff

Amsterdam

2015

480 pagina’s

ISBN: 9789029090513

€ 29,99